Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.1.3
15.1.3 Het Stockholm-programma en bijbehorend beleid (2010-2014)
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS453386:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het Programma van Stockholm – een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger, PbEU 2010, C 115/01.
Het Programma van Stockholm – een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger, PbEU 2010, C 115/01, par. 1.2.1.
Kennelijk wordt hier, anders dan in enkele eerdere beleidsdocumenten niet gedacht in termen van het vergroten van een onvoldoende mate van vertrouwen, maar in termen van het in stand houden van in voldoende mate aanwezig vertrouwen. Aan de betekenis voor het vertrouwensbeginsel van de met het oog op onderling vertrouwen te nemen maatregelen doet dat echter niet af.
Eerder werd in het Groenboek over de onderlinge aanpassing, wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties in de Europese Unie (COM(2004)334 def.) aandacht besteed aan de harmonisatie van sanctie recht als methode om het onderling vertrouwen te vergroten. In het Stockholm Programma wordt voorts gevraagd om minimumvoorschriften met betrekking tot de omschrijving van strafbare feiten en sancties, maar hoewel dat met de detentiepraktijk samenhangt, kan toch onderscheid worden gemaakt tussen deze twee onderwerpen.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa, Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm, COM/2010/171 def.
COM/2010/171 def., p. 4 en 8.
COM/2010/171 def., p. 8.
COM/2010/171 def., p. 21-24.
De opvolger van het Tampere-programma en het Haags Programma is het Stockholm-programma (2010-2014).1 Dat laatste Programma ziet onder 1.2.1 het onderling vertrouwen tussen de autoriteiten en de diensten van de diverse lidstaten en de beleidsmakers, als basis voor efficiënte samenwerking op JBZ-terrein. Het creëren van vertrouwen en het vinden van nieuwe methoden waarmee de lidstaten zich meer gaan verlaten op en meer inzicht krijgen in elkaars rechtsbestel, noemt het Stockholm-programma zelfs ‘een van de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst’ genoemd.2
In paragraaf 1.2.6 besteedt de Europese Raad in de sleutel van het kweken van een echte Europese justitiële en rechtshandhavingscultuur uitgebreid aandacht aan de scholing van betrokken autoriteiten en roept zij de Commissie op om tot concreet geformuleerde maatregelen te komen.
Paragraaf 2.4, betreffende de rechten van de persoon in strafzaken, benoemt de bescherming van de rechten van verdachten en beklaagden in strafzaken als van essentieel belang ‘om het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten en het vertrouwen van de burgers in de Unie in stand te houden’.3 De Europese Raad toont zich content met de aanneming van de nog te bespreken routekaart ter versterking van procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures, overweegt dat die routekaart deel uitmaakt van het Stockholm-programma en verzoekt de Commissie de routekaart te implementeren en daarnaast te onderzoeken welke andere minimale procedurele rechten verdachten en beklaagden kunnen worden toegekend. Daarbij noemt zij opnieuw concreet het vermoeden van onschuld.
Een en ander wordt uitgewerkt in latere paragrafen. In paragraaf 3, die de titel draagt ‘Het leven van de burgers vereenvoudigen: een Europa van recht en justitie’, gaat de Europese Raad nader in op de verdere uitwerking van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het wederzijds vertrouwen is daarvoor de basis en de wijze van versterking van dat vertrouwen zoekt de Europese Raad in het bijzonder in minimumrechten en minimumvoorschriften met betrekking tot de omschrijving van strafbare feiten en sancties. Ook moet de Europese justitiële ruimte er
‘voor zorgen dat de burgers hun rechten overal in de Unie kunnen doen gelden door te bewerkstelligen dat mensen zich meer bewust zijn van hun rechten en door de toegang tot de rechter te vergemakkelijken.’
In dat verband refereert de Europese Raad specifiek aan e-justitie, het gebruik van informatie- en communicatietechnologie in (ook strafrechtelijke) procedures.
In paragraaf 3.2 is er afzonderlijk aandacht voor het vergroten van wederzijds vertrouwen. Daarbij wijst de Europese Raad opnieuw op het belang van het opleiden van rechterlijke autoriteiten (par. 3.2.1.) en van (de uitbreiding van) netwerken van functionarissen (par. 3.2.2.). Daarnaast zijn evaluatie voor- en achteraf (par. 1.2.5. en 3.2.3.) en de verbetering van instrumenten (par. 3.2.4.) van belang. Dat laatste is onder de noemer van verbetering van de efficiëntie van de strafrechtelijke procedures te scharen. De verbetering van de tenuitvoerlegging van genomen beslissingen wordt ook in de sleutel van het onderling vertrouwen gezet (par. 3.2.5.).
Interessant is paragraaf 3.2.6, waarin de Europese Raad aandacht vraagt voor detentie en het wederzijds vertrouwen op dat gebied. Hier wordt een (tot op zekere hoogte4) nieuw onderwerp aan de vertrouwensagenda toegevoegd: de verbetering van de detentiepraktijk.
Paragraaf 3.3., ten slotte, werkt het voornemen minimumvoorschriften vast te stellen, welke eerder in paragraaf 2.4 al in de sleutel van het onderling vertrouwen zijn geplaatst, zelfstandig uit.
Ook het Stockholm-programma is door de Commissie vertaald in een concreter actieplan.5 In paragraaf 4, met het opschrift ‘Het vertrouwen in de Europese justitiële ruimte versterken’, besteedt de Commissie aandacht aan het beginsel van wederzijdse erkenning. Volgens de Commissie kan dat ‘alleen effectief werken op basis van wederzijds vertrouwen tussen rechters, beoefenaars van juridische beroepen, ondernemingen en burgers’ en vereist wederzijds vertrouwen ‘minimumnormen en een beter inzicht in de verschillende rechtstradities en -stelsels’.6 Maar daar blijft het niet bij. ‘Rechten en plichten zullen pas realiteit worden wanneer zij gemakkelijk toegankelijk zijn voor de rechthebbenden’, zo overweegt de Commissie. Het verbeteren van inzicht in de verschillende rechtstradities en -stelsels zoekt de Commissie in ‘[e]en gemeenschappelijke cultuur op dit gebied via opleiding en uitwisselingsprogramma’s van het type “Erasmus”, en een Instituut voor Europees recht”, voortbouwend op bestaande structuren en netwerken’.7 In de bijlage bij het actieplan wordt een en ander weer concreter vertaald.8
Uit het actieplan zijn aldus de volgende agendapunten van de vertrouwensagenda te destilleren:
het opstellen van minimumnormen, die bovendien inroepbaar zijn;
het opleiden en uitwisselen van justitiële beroepsbeoefenaars, met daarbij de oprichting van een Instituut van Europees recht;
het verder bevorderen van het bestaan van netwerken tussen justitiële organisaties.