NJB 2025/926:Gezag van gewijsde. Een rijinstructeur stelt chronische pijn in de rug te hebben als gevolg van een verkeersongeval. In een eerste procedure oordeelt de rechter dat de rijinstructeur voor (slechts) 3,6% arbeidsongeschikt is en geen morfine nodig heeft om de pijn te bestrijden. Daarna ontzegt het CBR hem de rijbevoegdheid vanwege een door de psychiater vastgestelde morfineafhankelijkheid. Heeft in deze tweede procedure het oordeel van de rechter over 3,6% arbeidsongeschiktheid ook gezag van gewijsde voor de periode na het vonnis in de eerste procedure? Hoge Raad: Het hof heeft het vonnis zo uitgelegd dat daarin alleen is beslist over de afhankelijkheid van morfine als pijnbestrijding, en niet over de psychische afhankelijkheid van morfine als verslavend middel en het verlies van de rijbevoegdheid. Die oordelen zijn niet onbegrijpelijk.