Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/41.3
41.3 Wat brengt de toekomst?
mr. dr. H.G. Sevenster, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. H.G. Sevenster
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreider en voor nog andere varianten Van Heijningen & Sevenster 2013.
HvJ EU 16 december 1976, ECLI:EU:C:1976:188 (Rewe). Recente voorbeelden: HvJ EU 7 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:166 (Giuseppa Santoro) en HvJ EU 27 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:499 (Diallo).
Zoals in het veel geciteerde arrest van het Hof van 18 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:146 (Alassini).
Recent voorbeeld: HvJ EU 31 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:367 (Sziber).
Zie bijv. arrest HvJ EU 27 september 2017, ECLI:EU:C:2017:725 (Puškár). Een toets aan alleen art. 47 Handvest vindt als het goed is plaats als procedurele bepalingen in secundaire wetgeving van toepassing zijn. Dit is logisch omdat de Rewe-toets juist alleen geldt bij afwezigheid van Unierechtelijke (proces)regels.
Zie Van Heijningen & Sevenster 2013 en Prechal & Widdershoven 2017, p. 57-59.
Alhoewel nog recent het Hof verschillende varianten gebruikt, zie arresten van HvJ Guiseppa Santoro, Diallo en Sziber.
Het Verdrag bevat bepalingen over de openbaarheid van milieu-informatie, inspraak en de toegang tot de rechter in milieugeschillen. De laatste zijn verwerkt in de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (RIE) (Pb EU 2010, L 334/17), art. 25; en Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26/1), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2014, L 124/1), art. 11. Zie voorts Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 41/26), art. 6.
HvJ EU 12 mei 2011, ECLI:EU:C:2011:289 (Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, Landesverband Nordrhein-Westfalen), HvJ EU 15 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:683 (Commissie/Duitsland) en HvJ EU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:987 (Protect).
HvJ EU 8 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:125 (LZ (1) Slowaakse beren) en HvJ EU 8 november 2016, ECLI:EU:C:2016:838 (LZ (2)) en HvJ EU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:987 (Protect).
Zie reeds enkele uitspraken van de Afdeling over dit Verdrag: ABRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3703 (art. 6:13 Awb) en ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 (redelijke termijn en reële inspraakmogelijkheid).
Onder meer HvJ EU 28 juli 2011, ECLI:EU:C:2011:524 (Samba Diouf).
Zie bijv. HvJ EU 4 april 2017, ECLI:EU:C:2017:255 (Fahimian) waarin het Hof de rechter verbiedt de weigering van een studievisum wegens gevaar voor de staatsveiligheid meer dan marginaal te toetsen. In HvJ EU 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:257 (Egenberger), punt 61, legt het Hof de nationale rechter ook beperkingen in toetsingsintensiteit op met een beroep op het EVRM. Ook wordt HvJ EU 14 juni 2017, ECLI:EU:C:2017:452 (Online Games), vaak genoemd als voorbeeld in dit verband.
Zie aldus bijv. HvJ EU 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:656 (East Sussex County Council).
Dat geldt niet alleen in de EU maar ook binnen één lidstaat.
Zie bijv. de discussie in de zaken rond luchtkwaliteit, Rb Den Haag 27 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15380.
Tot nu toe zonder succes, zie bijv. ABRvS 29 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4025 (Kerkrade).
Rewe of artikel 47 Handvest?
Het veld overziend verwacht ik een verdere ontwikkeling op een aantal fronten. Nu partijen, daarbij ook geholpen door boeken als ‘Inleiding tot het Europees bestuursrecht’ en alerte annotatoren, steeds beter worden in het aanvoeren van EU-argumenten wordt ook steeds meer betoogd dat de toepassing van ons procesrecht niet door de EU-beugel kan. Probleem bij het beoordelen van dergelijke betogen als rechter is dat het Hof nog altijd niet helder is in het toetsingskader.1 Soms toetst het procesrecht alleen aan de twee Rewe-beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid,2 soms tevens aan artikel 47 Handvest inzake het recht op effectieve rechtsbescherming,3 soms aan gelijkwaardigheid en artikel 47 Handvest,4 en soms alleen aan artikel 47 Handvest.5 Er is met enige moeite en goede wil wel (enige) systematiek te ontdekken in deze rechtspraak.6 Het zou echter goed zijn als het Hof zelf hierin zelf duidelijkheid schept. Ik verwacht die op niet al te lange termijn wel.7 Mogelijk zal dat betekenen dat alle eisen opgaan in artikel 47 Handvest, waarmee in ieder geval het afzonderlijk vereiste van doeltreffendheid verdwijnt. Het element van gelijkwaardigheid zal dan wel moeten worden ingelijfd in artikel 47 Handvest. Procesrecht dat een onderscheid maakt tussen de beoordeling van nationale en EU-beroepsgronden is en blijft immers ongewenst.
Verdrag van Aarhus
In het milieurecht geldt Europees bestuursprocesrecht in de vorm van het Verdrag van Aarhus, geïmplementeerd in het Unierecht via onder meer de RIE en de Mer-richtlijn.8 In het bijzonder milieu-NGO’s ontlenen aan dit Verdrag vergaande rechten. Zo kan hen niet het relativiteitsvereiste worden tegengeworpen in nationale milieugeschillen, althans voorzover zij een beroep doen op Europees milieurecht in ruime zin.9 Over dit Verdrag komen vanuit Luxemburg met enige regelmaat uitspraken.10 Ongetwijfeld zullen die ook in Nederland van invloed blijven op de procesvoering in milieugeschillen.11
Toetsingsintensiteit (derde generatie)
Soms geeft het Hof ook meer inhoudelijke eisen aan wat en hoe de rechter moet beoordelen.12 En een enkele keer zegt het Hof iets over wat een nationale rechter niet mag beoordelen en geeft daarmee grenzen aan de toetsingsintensiteit.13 Dit laatste past naar mijn mening niet goed in het leerstuk van de nationale procesautonomie. Het Hof moet zich beperken tot het aangeven van de Europese ondergrens. Die ligt in de twee Rewe-beginselen en artikel 47 Handvest (al dan niet ‘gefuseerd’, zie hierboven). De intensiteit van de toetsing moet daar- binnen passen.14 De bovengrens – wat de rechter niet mag doen – is naar mijn mening een nationale, en niet een Europese. Die nationale bovengrens wordt doorgaans gevormd door de beslissingsruimte voor het bestuur: daarin mag de rechter niet treden. Maar mochten ergens in de EU in een lidstaat daarover andere gedachten bestaan, dan dient het Hof zich naar mijn mening te onthouden van instructies daarover. Dat daarmee onvermijdelijk verschillen ontstaan tussen lidstaten vind ik acceptabel. Een volledige uniformiteit – in materiële of procedurele normen inclusief de toepassing daarvan in de rechtspraktijk – is hoe dan ook een fictie.15 Gezien de verschillen tussen de vooralsnog diepgewortelde rechtstradities en rechtsculturen moeten we dat ook niet willen denk ik. De toekomst zal leren hoe dit verder uitkristalliseert. Nu het EU-recht steeds dieper ingrijpt in de nationale rechtsorde onder andere doordat partijen zich er meer op beroepen komt hier wellicht een ‘derde generatie’ rechtspraak op gang over een laatste bastillon dat in de weg staat aan het succes van EU-betogen: de (enigszins) terughoudende toetsing. Ik betitel dit voor deze bijdrage als derde generatie omdat het naar mijn mening weer van een andere, potentieel meer ingrijpende orde is dan vraagstukken rond nationale beroepstermijnen, ambtshalve toepassing en relativiteit.
Verhouding bestuursrechter-civiele rechter (derde generatie?)
De bevoegdheidsverdeling in het Nederlandse recht tussen de verschillende takken van rechterlijke sport is wellicht eveneens een laatste bolwerk dat onder vuur kan komen te liggen.16 Daarbij komt mogelijk ook artikel 8:5 Awb en de daarbij behorende lijst in de vuurlinie. Partijen betogen soms dat de gang naar de civiele rechter voor bepaalde besluiten in strijd is met het vereiste van effectieve rechtsbescherming, bijvoorbeeld vanwege de daarmee gemoeide kosten of de samenhang met andere – wel appellabele – besluiten.17