HR, 28-06-2013, nr. 12/05004
ECLI:NL:HR:2013:66
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-06-2013
- Zaaknummer
12/05004
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:66, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑06‑2013; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2012:BX7847, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑11‑2012
- Vindplaatsen
Belastingblad 2013/308 met annotatie van J.P. Kruimel
FED 2013/75 met annotatie van J.A. MONSMA
NTFR 2013/1538 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
FutD 2013-1678
Viditax (FutD) 2013062804
Uitspraak 28‑06‑2013
Partij(en)
28 juni 2013
nr. 12/05004
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 september 2012, nr. 11/00210, betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q] voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 wegens het genot krachtens zakelijk recht en wegens het gebruik van de onroerende zaak een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Heerenveen opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Heerenveen de aanslag gehandhaafd.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 10/2148) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.1.
Op grond van artikel 2, lid 1, letter c, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken wordt de waarde van een natuurterrein buiten beschouwing gelaten indien het gaat om een terrein dat beheerd wordt door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stelt.
3.1.2.
Voor het Hof heeft belanghebbende zich onder meer op het standpunt gesteld dat deze regeling leidt tot discriminatie van natuurlijke personen.
3.1.3.
Het Hof heeft dat standpunt terecht verworpen. Gelet op de wetsgeschiedenis, vermeld in onderdeel 4.6 van de uitspraak van het Hof, is in de onderhavige regeling een beperking opgenomen tot de rechtspersonen als hiervoor in 3.1.1 omschreven, omdat daarin een extra waarborg ligt dat de vrijstelling beperkt blijft tot echte natuurterreinen. Door de beperking op die grond aan te brengen heeft de besluitgever de hem toekomende ruime beoordelingsmarge niet overschreden. Van discriminatie is daarom geen sprake.
3.2.
De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2013.
Beroepschrift 25‑11‑2012
Aan:
Hoge Raad der Nederlanden
De uitspraak van het Hof heeft het gevoel van achterstelling niet verminderd.
(bij 3.3 en 4.11) In mijn ‘pleitnotitie’ van 11 juni 2012 (bijlage 1) heb ik het Hof gevraagd de gemeentelijke regeling te toetsen aan Grondwet en internationale verdragen. Ik voeg hieraan toe: algemene rechtsbeginselen. Het Hof heeft het achterwege gelaten zonder gronden hiervoor te noemen.
Indien toetsing van de gemeentelijke regeling een schaduw zou werpen op formelere wetgeving, genoemd door het Hof, dan is dit jammer maar inherent aan de nadrukkelijk door de wetgever gekozen vorm van indirecte regelgeving. Een dergelijke schaduw mag naar mijn mening geen reden zijn om toetsing van de gemeentelijke regeling dan maar achterwege te laten.
(bij 4.10) Het Hof maakt niet duidelijk wat ‘echte’ natuurterreinen zijn.
Ik proef hier een kringredenering: een specifieke instelling beheert echte natuurterreinen en behoeft dus niet aan te tonen dat het echte natuurterreinen zijn.
Naar mijn mening mag het oordeel over de echtheid niet zijn gegrond op de wijze van eigendom.
Voorts bestrijd ik dat natuurterrein hetzelfde is als natuurmonument, zoals door het Hof impliciet wordt gesteld.
(bij 4.15) De directe kosten van oprichting van een rechtspersoon kunnen overkomelijk zijn, hoewel nog altijd meer bedragend dan de belastingbesparing over een reeks van jaren, maar het Hof gaat geheel voorbij aan de indirecte kosten.
Denk aan de schade die ik lijd in mijn vermogen(tje) en dus in mijn oudedagsvoorzieningen, de inschrijfkosten Kamer van Koophandel, de kosten van beheer en bestuur met name als ik het t.z.t. niet meer zelf kan doen, het inrichten van een deugdelijk archief van de rechtspersoon, het onderhoud van de sloten, het onderhoud van de wallekant en de overstekende bomen.
De grond meet nog geen hectare maar wordt als gevolg van de langgerektheid omgeven door ongeveer een kilometer sloot die jaarlijks moet worden onderhouden. Dit onderhoud is prijzig doch voor een groot deel op voor mij gunstige wijze afgesproken met de buren.
Ik betwijfel dat zij bereid zijn dezelfde afspraak te maken met een ‘onpersoonlijke’ rechtspersoon en zonder overdracht aan een rechtspersoon kan ik geen proef nemen.
Voorts behoort ook een rechtspersoon serieus te worden genomen als persoon; de rechtspersoon heeft geen inkomsten en zal door hoge onderhoudskosten failliet gaan met als ongewenst gevolg dat de grond in handen kan komen van een andere rechtspersoon.
(bij 4.6) Het hiervermelde feit dat in 1970 is gedacht aan een klein aantal rechtspersonen brengt mij ertoe te wijzen op het boekje van de heer H.M. van Randwijk ‘In de schaduw van gisteren’, uitgegeven bij 5 mei 1970 door het Nationaal Comité 25 jaar Bevrijding. Op blz. 302 (bijlage 2) meldt hij fundamentele zaken voor een gezonde en sterke democratie zoals geformuleerd door Roosevelt. Hiertoe behoort ‘geen speciale privileges voor enkelen’.
Op het gebied van natuurterreinen zijn speciale privileges aan enkelen gegeven. Voorts zijn de 12 provinciale landschappen, genoemd bij 4.6, geen verenigingen met leden, maar stichtingen.
Minstens één van hen zou onterecht gebruik maken van de belastingvrijstelling, indien gebruik wordt gemaakt, omdat minstens één van hen, de Stichting Utrechts Landschap, niet voldoet aan de norm ‘uitsluitend of nagenoeg uitsluitend’. Deze stichting bezit niet alleen natuurschoon en 23 molens, enz. enz., maar ook 20 cultuurhistorische buitenplaatsen met hun 20 kastelen of kasteelachtige gebouwen (bijlage 3). De kring van geprivilegieerden is dus nog kleiner.
De echt vermogende particulieren hebben voldoende aan de belastingvrijstelling voor het landgoed waartoe hun natuurterrein behoort en zullen dus niet geneigd zijn om een speciale natuurterrein-rechtspersoon op te richten. Het zijn dus de kleine particulieren die worden benadeeld.
Het Hof geeft geen redelijke grond voor deze achterstelling.