De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.1:8.1 Inleiding
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702115:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin: Van Ettekoven, O&A 2016/53, p. 92.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onafhankelijk van de vragen of en hoe er in de onteigenings- en nadeelcompensatiepraktijk gebruikt wordt gemaakt van controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen (hoofdstuk 7), is het aangewezen om te onderzoeken welke lijnen er in de rechtspraak zijn te ontdekken wanneer het aankomt op de kwaliteit van de deskundige. Het enkele feit dat een deskundige bij het relevante register is ingeschreven of dat deze het disclosure statement op de juiste wijze heeft ingevuld, betekent immers nog niet dat er bij de rechter nooit discussie kan ontstaan over de kwaliteit van die deskundige.1 De civiele onteigeningsrechter en de bestuurlijke nadeelcompensatierechter worden in de praktijk regelmatig geconfronteerd met klachten over de kwaliteit van de ingeschakelde deskundige.
In dit hoofdstuk analyseer ik de rechtspraak van (voornamelijk) de Afdeling bestuursrechtspraak en de Hoge Raad daaromtrent en bekijk ik op welke wijze deze verschillende rechters omgaan met die klachten. Vragen die daarbij aan de orde komen, zijn of beide rechters ongeveer even vaak worden geconfronteerd met klachten over de kwaliteit van een deskundige. En, indien dat niet het geval is, wat mogelijke verklaringen zijn voor dat verschil. Ook bekijk ik over welke kwaliteitsaspecten het vaakst, en over welke aspecten het minst vaak wordt geprocedeerd en aan welke norm(en) beide rechters de kwaliteitsaspecten vervolgens toetsen.
Ik beschrijf de rechtspraak bij ieder kwaliteitsaspect afzonderlijk (zie over de kwaliteitsaspecten uitgebreid hoofdstuk 5). Ik houd daarbij de inmiddels bekende volgorde aan. Dat betekent dat eerst de rechtspraak van de onteigeningsrechter aan bod komt, gevolgd door de rechtspraak van de bestuursrechter.