Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/5.3.1
5.3.1 Het redelijkheidscriterium
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS603716:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Knepper & Bailey 2009, § 3.05, p. 19.
Stepak v. Addisson (11th Cir. 1994), p. 410.
Resolution Trust Corp. v. Rahn (W.D. Mich 1994), p. 490; In re Consumers Power Co. Derivative Litigation (E.D. Mich. 1990), p. 483.
Principles 2007, commentaar bij § 4.01(a)(1)-(a)(2).
Stamp v. Touche Ross & Co., (lst D. III. 1993), p. 1017. Het aangehaalde criterium is een concretisering van de in casu toepasselijke negligence-norm.
Mitchell v. Highland Western Glass Co (Del. Ch. 1933), p. 330, aangehaald in Smith v. Van Gorkom (Del. 1985), p. 873.
Smith v. Van Gorkom (Del. 1985), p. 874.
Het vereiste van geïnformeerdheid betekent dat een functionaris alle redelijkerwijs beschikbare informatie bij de besluitvorming dient te betrekken.1 De vraag wanneer een beslissing voldoende geïnformeerd is genomen, is een ondernemersbeslissing.2 Het oordeel over de toereikendheid van de informatie, verdient daarom zelf bescherming van de business judgment rule. Rechters zijn slecht toegerust om over de informatiebasis te oordelen en dienen deze dan ook zeer terughoudend te toetsen.3 Zij moeten erkennen dat directors soms genoodzaakt zijn te beslissen op basis van incomplete of imperfecte informatie. Tijdgebrek bijvoorbeeld kan directors dwingen bepaalde risico's te nemen. De beslissing om dergelijke risico's te aanvaarden sluit bescherming van de business judgment rule niet uit, mits de director zelf in good faith meent dat de informationele risico's die hij neemt verantwoord zijn.4 Als een director een beoordelingsfout maakt over de noodzakelijke hoeveelheid informatie, dan blijft de business judgment rule onverminderd van toepassing. Pas als het gebrek aan informatie het gevolg was van een `inexcusable unawareness or inattention or lack of good faith', dan is de business judgment rule niet van toepassing.5
Een ander criterium om de grenzen van de informatiebasis te beoordelen werd gehanteerd in de zaak Smith v. Van Gorkom. De Delaware Supreme Court oordeelde dat functionarissen onvoldoende geïnformeerd zijn indien zij beslissen `so far without information that they can be said to have passed an unintelligent and unadvised judgment. '6 Centraal in dit geding stond de goedkeuring van de overname van Trans Union door Marmon Group voor de prijs van $ 55 per aandeel. Van Gorkom, voorzitter van de board en tevens CEO van Trans Union had zijn goedkeuring gegeven op basis van de volgende informatie:
`(1) the magnitude of the premium or spread between the $55 Pritzker offering price and Trans Union's current market price of $38 per share; (2) the amendment of the Agreement as submitted on September 20 to permit the Board to accept any beuer offer during the `market test' period; (3) the collective experience and expertise of the Board's 'inside' and `outside' directors; and (4) their reliance on Brennan's legal advice that the directors might be sued if they rejected the Pritzker proposal. '
De overeengekomen prijs bleek echter lager te zijn dan de intrinsieke waarde van de aandelen. De Delaware Supreme Court oordeelde dat de directors hun fiduciary duties jegens de aandeelhouders hadden geschonden door zich in deze onvoldoende op de hoogte te stellen van alle informatie die redelijkerwijs beschikbaar was:
The directors (1) did not adequately inform themselves as to Van Gorkom 's role in forcing the sale of the company and in establishing the per share purchase price; (2) they were uninformed as to the intrinsic value of the company; and (3) given these circumstances, at a minimum, they were gros* negligent in approving the sale of the company upon two hours ' consideration, without prior notice, and without the exigency of a crisis or emergency.,7
In de volgende paragraaf worden deze casuïstische omstandigheden enigszins veralgemeniseerd.