Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.2.5
5.2.5 Rechtsmiddelen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931139:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierna, nr. 229.
Zie hiervoor, nr. 208.
HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3637, NJ 2016/32; JOR 2016/28, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Advocatenmaatschap), r.o. 3.5. Zie overigens reeds HR 21 maart 1845, W 592 (Samson/Steinhard) en voorts De Nerée tot Babberich 1923, p. 90-92. Vgl. Veegens 1972, p. 36-38.
Denkbaar is bijvoorbeeld dat in de procedure alleen wordt geprocedeerd over aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:162 BW. Wordt die vordering toegewezen, en gaat één partij daartegen niet in hoger beroep, maar heeft een hoger beroep van de anderen succes, dan staat in rechte slechts vast dat die anderen niet uit hoofde van art. 6:162 BW verplicht zijn tot schadevergoeding. Mogelijk is dan toch sprake van hoofdelijke verbondenheid, namelijk indien de veroordeelde gedaagde erin slaagt in rechte vastgesteld te krijgen dat de andere gedaagden (wel) kwalitatief aansprakelijk waren jegens de benadeelde. Er is dan sprake van hoofdelijke verbondenheid (art. 6:102 lid 1 BW), waarbij de kwalitatief aansprakelijke partij(en) mogelijk draagplichtig zijn. Ik ben dank verschuldigd aan Bart van der Wiel voor het bedenken van dit voorbeeld. Vgl. voor het Engelse recht Civil Liability (Contribution) Act 1978, sectie 1 (5).
Daarbij moet worden bedacht dat de verzetprocedure voor de oorspronkelijke rechter wordt gevoerd (art. 147 Rv). Zie nader Ynzonides 1996, p. 60-67; Van Mierlo & Van Dam-Lely 2011/197-199; en Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/82.
Zie daarover par. 5.2.2.
HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791, NJ 2021/177, m.nt. H.B. Krans (Voeging en tussenkomst in verstekprocedure), r.o. 3.3.3.
Zie hiervoor, nr. 214.
Wiersma 1952b, p, 35 e.v.; Ten Kate 1962/30 (p. 110-136); Veegens 1972, p. 47-48.
Zie hiervoor, nr. 211, en uitdrukkelijk (in het kader van borgtocht) HR 1 december 1939, ECLI:NL:HR:1939:151, NJ 1940/445, m.nt. E.M. Meijers (Klazienaveen/Smit). Zie voorts Snijders, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 376 Rv, aant. 8 (online, actueel t/m 26 juli 2022). Vgl. Ten Kate 1962/30 (p. 110-136); Winters 1997, p. 80; en Möhlmann 2017, p. 110.
Vgl. Wiersma 1952b, p. 161-162 en 200-205.
Wiersma 1952b, p. 201.
Wiersma 1952b, p. 201-202.
Wiersma 1952b, p. 201-202.
Anders: Van Weel 1863, p. 241.
227. Verhouding gezag van gewijsde en instellen van rechtsmiddelen. Met het hiervoor (par. 5.2.1 en 5.2.2) besproken gezag van gewijsde van rechterlijke beslissingen hangt nauw samen de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen tegen een uitspraak waarin die beslissing is vervat. Indien een partij niet is gebonden aan beslissingen uit een uitspraak omdat die uitspraak jegens haar geen gezag van gewijsde verkrijgt, valt immers in beginsel niet in te zien waarom zij daartegen een rechtsmiddel zou (moeten kunnen) aanwenden (zij het dat hierna zal blijken dat daartoe soms tóch redenen bestaan).1
228. Rechtsmiddelen door (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren die in rechte zijn betrokken. De zelfstandigheid van de juridische procedures tegen verschillende in rechte betrokken hoofdelijk schuldenaren2 brengt mee dat voor iedere procedure afzonderlijk moet worden beoordeeld of daartegen een rechtsmiddel is ingesteld. Indien een in rechte betrokken hoofdelijk schuldenaar niet of niet tijdig een rechtsmiddel instelt tegen een uitspraak waarin hij wordt veroordeeld, verkrijgt die beslissing jegens hem gezag van gewijsde (art. 236 lid 1 Rv). Dit geldt óók indien andere opgeroepen hoofdelijk schuldenaren wél een rechtsmiddel hebben ingesteld en zelfs indien dat rechtsmiddel succesvol blijkt. Jegens de opgeroepen hoofdelijk schuldenaar die zich neerlegde bij zijn veroordeling komt de vordering jegens hem dan wel vast te staan, terwijl indien het rechtsmiddel van de overige in rechte betrokken (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren slaagt, in rechte komt vast te staan dat de schuldeiser jegens hen juist géén vordering heeft (op de grondslagen die door de rechter zijn beoordeeld).3
Een dergelijke ‘asymmetrie’ kan voor de schuldenaar die geen rechtsmiddel instelde tot gevolg hebben dat – anders dan hij wellicht veronderstelde – jegens de andere partijen niet in rechte komt vast te staan dat zij met hem (hoofdelijk) aansprakelijk zijn. Strikt genomen belet een gunstig(er) oordeel tegen de voortprocederende gedaagden niet dat in een door een voormalig mede-gedaagde jegens hen aangespannen vrijwaringsprocedure tóch komt vast te staan dat zij verplicht zijn tot bijdragen, omdat in de juridische realiteit die geldt voor de gedaagde die wél een rechtsmiddel aanwendden, slechts in verhouding tot de partijen bij die procedure vaststaat dat zij niet aansprakelijk zijn. Praktisch neemt de kans op een daarvan afwijkend oordeel in de vrijwaringsprocedure echter aanzienlijk af, omdat daarin – gelet op het gunstiger oordeel in de hoofdzaak in hogere instantie – doorgaans niet zal komen vast te staan dat de gedaagden toch aansprakelijk zijn.4
Een gedaagde die als een van meerdere (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren in rechte wordt betrokken, zal dan ook goede redenen moeten hebben om geen rechtsmiddel in te stellen, indien anderen dat wél doen.
Indien een partij wel is gedagvaard, maar niet is verschenen, wordt tegen hem verstek verleend en wordt de vordering jegens hem toegewezen, tenzij de vordering de rechter ongegrond of onrechtmatig voorkomt (art. 139 Rv). Normaal gesproken zou de gedaagde jegens wie verstek is verleend tegen het verstekvonnis kunnen opkomen door middel van verzet (art. 143 e.v. Rv). In geval van meerdere gedaagden, waarvan er minimaal één wél is verschenen, geldt een vonnis in die procedure echter jegens alle opgeroepen partijen als een vonnis op tegenspraak, waartegen geen verzet maar hoger beroep kan worden ingesteld (art. 140 lid 3 jo. 332 e.v. Rv). De ratio van deze regel is gelegen in het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen, doordat de niet-verschenen partij verzet zou kunnen instellen, terwijl de wel verschenen partij tegen hetzelfde vonnis slechts in hoger beroep zou kunnen opkomen.5
Deze regel vindt óók toepassing ten aanzien van later in de procedure verschenen partijen.6 Voor de op de voet van art. 118 Rv opgeroepen gedaagde bepaalt de wet dit met zoveel woorden (art. 140 lid 4 Rv). Dit geldt zowel indien de op de voet van art. 118 Rv opgeroepen partij niet verschijnt, als wanneer hij wel verschijnt, maar een of meer (oorspronkelijk) gedaagden in die procedure niet zijn verschenen. Als één van hen wel is verschenen, geldt het vonnis jegens allen van hen als vonnis op tegenspraak (art. 140 lid 3 en 4 Rv). De Hoge Raad heeft deze regel inmiddels ‘doorgetrokken’ naar de interveniënt die zich op de voet van art. 217 Rv in een procedure mengt.7 Daarbij gaat het dus om het geval dat de interveniënt verschijnt in een procedure waarin een of meer gedaagden niet zijn verschenen. Ook dan bestaat geen onderscheid tussen de positie van de gedaagde tegen wie verstek is verleend en de wel verschenen derde (en eventueel verschenen gedaagden): voor hen allen staat hoger beroep, en geen verzet open (art. 140 lid 3 en 4 Rv).
229. Rechtsmiddelen door (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren die niet in rechte zijn betrokken. Zoals reeds opgemerkt in het kader van interventie,8 kan een niet betrokken derde er belang bij hebben om zich in de procedure te mengen, bijvoorbeeld om daarin verweren naar voren te brengen. Een dergelijke interventie is mogelijk tot uiterlijk de dag waarop de gedaagde zijn conclusie van antwoord dient te nemen (art. 218 Rv). Daarna kan dat dus niet meer.
Laat een (mogelijk) medeschuldenaar na om te interveniëren, dan rijst de vraag of hem nog rechtsmiddelen ten dienste staan om op te komen tegen een veroordeling van de in rechte aangesproken schuldenaar. Voor derden – diegenen die niet als partij in de procedure zijn betrokken9 – staat onder omstandigheden het rechtsmiddel van derdenverzet open, namelijk indien sprake is van een vonnis dat “hunne regten benadeelt” (art. 376 Rv). Een uitspraak tegen een beweerdelijk schuldenaar zal voor een andere, niet als partij in de procedure betrokken beweerdelijk medeschuldenaar echter niet snel benadelend zijn, omdat het jegens hen geen gezag van gewijsde heeft.10 Niettemin kan ook dan sprake zijn van benadeling, bijvoorbeeld indien de vrees bestaat dat een rechter de uitkomst in de ene procedure als feitelijk bewijsvermoeden zal hanteren.11 Het gaat dan dus niet om de bindende kracht van het vonnis (tussen partijen), maar om zijn bewijskracht (mogelijk ook jegens derden).12 Wiersma merkt in dit kader op dat het enkele hanteren van een feitelijk bewijsvermoeden jegens een derde geen rechten van die derde aantast, omdat het vermoeden weerlegbaar is en de rechter een zelfstandige beoordeling zal maken.13 Dit is volgens Wiersma wellicht anders indien, zoals bij borgtocht geregeld gebeurt, de aansprakelijkheid van de ‘derde’ afhankelijk is gesteld van een veroordelend vonnis tegen de hoofdschuldenaar of indien anderszins sprake is van een (bewijs)overeenkomst op grond waarvan gewicht toekomt aan een uitspraak waarbij de ‘derde’ geen partij was.14 Hoewel ik dergelijke gevallen niet zou willen uitsluiten, meen ik dat het recht van derdenverzet doorgaans niet zal openstaan voor een (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar die wil opkomen tegen een vonnis tegen een andere beweerdelijk hoofdelijk schuldenaar, omdat een dergelijk vonnis zijn rechten niet snel zal benadelen als bedoeld in art. 376 Rv.15