Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.3.2
V.3.2 De rechter stelt de prijs vast
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377335:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Antilliaanse uittredingsregeling volgt hier haar Nederlandse voorbeeld, zie art. 2:252 lid 2 BWNA: 'Nadat de deskundigen hun bericht hebben uitgebracht bepaalt de rechter het door de vennootschap te betalen bedrag.' Zoals ik reeds schreef, zwijgt de Belgische geschillenregeling over de deskundige.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 21 sub d.
Kamerstukken 18 905, nr. 6 (MvA), p. 4; en nr. 57c (MvA), p. 1-2.
Conclusie sub 6.3.3-6.4 bij HR 11 september 1996, NJ 1997, 177; JOR 1996/114 (Zondag Beheer). Slagter wees in zijn commentaar (TVVS 1996, p. 350-352) op het onjuiste standpunt van de uittredende aandeelhouder dat er ter vergoeding van waardevermindering van de aandelen wettelijke rente vanaf de peildatum verschuldigd is. De wettelijke rente geldt ten eerste als vergoeding voor te late betaling en niet voor een te lage prijs. Voorts leidt de wettelijke rente tot verhoging van de hoofdsom, en een aanpassing van de waarde kan ook een neerwaartse bijstelling van de prijs zijn.
Zie ro. 3.4 van de Hoge Raad in het arrest Zondag Beheer (zie vorige noot). Zie ook OK 31 oktober 1994, NJ 1998, 484 (Muller/Muts): voor aanspraak op de wettelijke rente is vereist dat de (betalende) aandeelhouder in verzuim is en de uitspraak waarin de prijs is bepaald, onherroepelijk is. Zie ook mijn noot sub 8 onder OK 16 februari 2010, JOR 2010/96 (Hooymans). Zie voor een ouder en andersluidend oordeel dat de wettelijke grondslag voor wettelijke rente ontbreekt: OK 19 januari 1995, NJ 1995, 395 (Architektenburo).
OK 20 november 1997, NJ 1998, 392 (Hooymans), ro. 4.7.
De rechter stelt (uiteindelijk) de prijs vast en veroordeelt beide partijen.1 Bij de uitstoting moet de eiser betalen en de gedaagde wordt bevolen de aandelen te leveren. Voor de uittreding geldt de spiegelbeeldige situatie: de eiser dient zijn aandelen over te dragen tegen betaling door de gedaagde aandeelhouders. Bij dit alles geldt dat indien de prijs niet bevalt, men zich niet meer terug kan trekken. Een uittredende aandeelhouder die had verwacht meer voor zijn stukken te krijgen, kan niet besluiten alsnog aandeelhouder te blijven.2
Bij de bepaling van de prijs van de aandelen is sprake van twee componenten: de vaststelling van de bedrijfseconomische waarde en het moment waartegen de aandelen gewaardeerd dienen te worden. De eerste component, ook wel reken- of waarderingsmethode genoemd, ziet op de wijze van waarderen van de door de vennootschap gedreven onderneming. Hiervoor zijn verschillende berekeningsmodules voorhanden. De tweede component, het waardemoment, wordt in de literatuur aangeduid met 'peildatum'.
De geschillenregeling kent geen wettelijke bepaling over de wettelijke rente. In de wetsgeschiedenis werd opgemerkt dat een nadere regeling niet nodig zou zijn. Voor de uitkoop lag dit anders, omdat daar mogelijk onvindbare aandeelhouders zijn nu de uit te kopen stukken ook aan toonder kunnen luiden. Voor de geschillenregeling betekende dit dat een en ander 'op de gebruikelijke wijze' kon worden afgewikkeld.3
In de zaak Zondag Beheer werd geklaagd over de toewijzing van wettelijke rente. Daarnaast had de rechtbank haar uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de overdracht reeds had plaatsgevonden. Zulks was in strijd met art. 2:343 lid 3 BW, waarin staat dat de overdracht binnen twee weken na een onherroepelijk vonnis moet geschieden. Ook kende de OK 'normale' wettelijke rente toe. Een bijzonderheid school in het feit dat de OK de waardestijging van de aandelen forfaitair stelde op het percentage van de wettelijke rente. Zo kwam de problematiek rond de wettelijke rente (art. 6:119 BW) en de geschillenregeling op. In zijn conclusie stelde A-G Mok dat de gang van zaken onverenigbaar was met art. 2:343 lid 3 BW, doch hij vond dat de Hoge Raad de periode waarover wettelijke rente verschuldigd was, zelf opnieuw vast kon stellen. De A-G ging uit van de ingangsdatum uit art. 2:343 BW; het ging om het onherroepelijk geworden arrest (van de OK).4
De Hoge Raad volgde Mok en casseerde de uitspraak van de OK. Bij de wettelijke rente ging het erom of de prestatie opeisbaar was geworden. Voor de geschillenregeling lag dit moment van opeisbaarheid op het tijdstip waarop de uitspraak waarbij de prijs is vastgesteld, onherroepelijk is geworden.5
Indien de rechter een deskundige benoemt, is laatstgenoemde belast met de waardering van de over te dragen aandelen. Het partijdebat is dan waarschijnlijk nog niet verstomd. De deskundige moet dan oog hebben voor de geschilpunten. Hij dient ook alle andere omstandigheden in zijn waardering betrekken. In een arrest inzake Hooymans verwoordde de OK dit treffend:
`Bij de waardering van de aandelen zullen de deskundigen rekening dienen te houden met alle omstandigheden die de waarde van de aandelen bepalen, zullen zij aandacht moeten schenken aan eventuele geschilpunten tussen partijen die mogelijk van invloed zijn op de waarde van de aandelen en zullen zij deze geschilpunten, voor zover zij deze van belang achten voor de vaststelling van de waarde van de aandelen, bij hun beoordeling dienen te betrekken.'6
Zoals gezegd, is over de waardepaling van de aandelen veelvuldig geprocedeerd. Het arrest van de Hoge Raad inzake Zondag Beheer geeft enkele algemene regels.