NJB 2022/22
Controle en opsporing; toepassing controlebevoegdheid art. 160 lid 1 WVW 1994 in zaak opium- en wapendelicten: de controlebevoegdheid van art. 160 lid 1 WVW 1994 kan worden uitgeoefend ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig. In casu kan uit de vaststellingen van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte, ten tijde van de controle of kort daarvoor, van deze auto de bestuurder was als bedoeld in art. 1, aanhef en onder o, WVW 1994. Het oordeel van het hof dat de verbalisanten gerechtigd waren tot het uitoefenen van deze bevoegdheid, is daarom niet toereikend gemotiveerd.
HR 14-12-2021, ECLI:NL:HR:2021:1885
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
14 december 2021
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers
- Zaaknummer
20/00115
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2021:1885, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 14‑12‑2021
ECLI:NL:PHR:2021:798, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑09‑2021
- Wetingang
Essentie
Controle en opsporing; toepassing controlebevoegdheid art. 160 lid 1 WVW 1994 in zaak opium- en wapendelicten: de controlebevoegdheid van art. 160 lid 1 WVW 1994 kan worden uitgeoefend ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig. In casu kan uit de vaststellingen van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte, ten tijde van de controle of kort daarvoor, van deze auto de bestuurder was als bedoeld in art. 1, aanhef en onder o, WVW 1994. Het oordeel van het hof dat de verbalisanten gerechtigd waren tot het uitoefenen van deze bevoegdheid, is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.