Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/7.2:7.2 Doel en opzet van het onderzoek
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/7.2
7.2 Doel en opzet van het onderzoek
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS300641:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het doel van het onderzoek was tweeledig. In eerste instantie was de doelstelling om te onderzoeken wat de wensen zijn van de praktijk met betrekking tot de (rechts)ontwikkeling op het leerstuk van het afbreken van onderhandelingen en de werkzaamheid van voorbehouden, en of de vigerende jurisprudentie daarbij aansluit. Daarnaast was de doelstelling om in kaart te brengen op welke wijze de praktijk omgaat met het zelf geven van invulling aan deze leerstukken. Daarbij lag de focus met name op het gebruik van voorbehouden door onderhandelende partijen en het gebruik van de mogelijkheid om de gevolgen van een eventueel afbreken van onderhandelingen contractueel vooraf te regelen, bijv. door het maken van afspraken omtrent kostenverdeling ingeval van het afbreken van onderhandelingen, het toepasselijke recht en een forumkeuze.
In de uitvoering van het onderzoek werden 2229 advocaten en 1049 bedrijfsjuristen per e-mail aangeschreven. Voor wat betreft de geënquêteerde advocaten was door de Nederlandse Orde van Advocaten een selectie gemaakt van advocaten die voldeden aan twee criteria, te weten: zij waren allen werkzaam op een kantoor dat bestond uit meer dan 25 advocaten en waren tenminste 5 jaar advocaat. Van de 2229 advocaten die zijn verzocht aan het onderzoek deel te nemen hebben 293 advocaten daadwerkelijk invulling aan het onderzoek gegeven door de vragenlijst (volledig) in te vullen. Hun aantal maakt 55% uit van het totale aantal respondenten.
Daarnaast zijn 1049 juristen benaderd die ofwel lid waren van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen (NGB) ofwel van de Nederlandse Vereniging van Ondernemingsrecht Advocaten (NeVOA). Hiervan hebben 245 bedrijfsjuristen daadwerkelijk gerespondeerd. Hun aantal maakt 45% uit van het totale aantal respondenten. Voor een klein gedeelte daarvan (39 gevallen of 15,8%) waren deze juristen tevens advocaat in dienstbetrekking. De hiervoor genoemde groep van 1049 juristen, die doorgaans werkzaam zijn ten behoeve van één onderneming of, voor wat betreft de leden die zijn aangesloten bij de NeVOA, werkzaam zijn in de ondernemingsrechtelijke adviespraktijk ten behoeve van één of meerdere ondernemingen, zullen in het hierna volgende aangeduid worden met de term "bedrijfsjuristen".
In het totaal heeft 16,3% van de aangeschreven advocaten en bedrijfsjuristen door middel van het volledig invullen van de vragenlijst aan het onderzoek meegewerkt.
Alle respondenten hebben per e-mail een verzoek ontvangen om een vragenformulier in te vullen. Door middel van een persoonlijke identificatiecode en een wachtwoord konden de respondenten toegang verkrijgen tot een (afgeschermde) web site waarop een aantal vragen stond vermeld dat ingevuld diende te worden. Indien er vragen werden overgeslagen, kwam de respondent niet verder in de vragenlijst en kon deze niet worden afgesloten en verzonden, zodat uiteindelijk alleen volledig ingevulde vragenlijsten zijn verwerkt.
Deze verwerking is gebeurd door i-link2 te Amsterdam, een organisatie die zich toelegt op het verzamelen en terugrapporteren van informatie die langs elektronische weg verkregen wordt. Alle reacties van de respondenten werden rechtstreeks door i-link2 ontvangen en verwerkt en vervolgens ook door i-link2 grafisch vormgegeven. Vervolgens zijn de betreffende onderzoeksgegevens aan mij kenbaar gemaakt op dezelfde wijze als waarop deze in de hierna te noemen bijlagen zijn weergegeven.
De vragenlijsten die de respondenten toegezonden hebben gekregen, waren onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: Inhoudelijke vragen (I), Voorbehouden (II), Afsluitende inhoudelijke vraag (III) en Profielschetsvragen (IV). Afgezien van de profielschetsvragen en enkele niet inhoudelijke tekstuele verschillen in hoofdstuk II van de vragenlijst waren de vragenlijsten die bestemd waren voor de advocaten identiek aan die welke bestemd waren voor de bedrijfsjuristen. De vragen zoals die zijn voorgelegd aan de geënquêteerden zijn direct kenbaar uit het overzicht van de onderzoeksresultaten. Dit overzicht (gecombineerd voor wat betreft de door de advocaten en bedrijfsjuristen gegeven antwoorden) is als bijlage in dit boek opgenomen.
De inhoudelijke vragen (hoofdstuk I) waren er met name op gericht om te onderzoeken in hoeverre de vigerende jurisprudentie aansluit op de wensen die de praktijk met betrekking tot het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen heeft en hoe die wensen luiden (de eerste doelstelling van het onderzoek). De vragen in hoofdstuk II waren er met name op gericht om te onderzoeken op welke wijze de praktijk invulling geeft aan en omgaat met de problematiek die met dit leerstuk samen hangt. De afsluitende inhoudelijke vraag (hoofdstuk III) bood de respondenten de gelegenheid om desgewenst nog opmerkingen te maken die in het kader van het onderzoek van belang werden geacht. De profielschetsvragen vervat in hoofdstuk IV tot slot waren er met name op gericht om meer te weten te komen over de achtergronden van de betreffende respondent, ook wanneer deze anoniem wenste te blijven.
Voor wat betreft de achtergrond van de respondenten geldt het volgende. 53,4% van de responderende advocaten gaf aan werkzaam te zijn in het ondernemingsrecht, direct gevolgd door 23,6% dat aangaf werkzaam te zijn binnen het aansprakelijkheidsrecht. 23,3% gaf aan werkzaam te zijn binnen het vastgoedrecht en 12,7% binnen het arbeidsrecht. Zoals reeds aangegeven, zijn alleen advocaten aangeschreven die werkzaam zijn bij — kort gezegd — middelgrote en grote kantoren (vanaf 25 advocaten). 70,9% van de advocaten gaf overigens wel aan voornamelijk werkzaam te zijn voor niet-beursgenoteerde ondernemingen tegen 13% dat aangaf voornamelijk werkzaam te zijn voor beursgenoteerde ondernemingen.
Van de bedrijfsjuristen was 67,9% werkzaam voor een niet-beursgenoteerde onderneming terwijl 32,1% liet weten werkzaam te zijn voor een beursgenoteerde onderneming. Van alle responderende bedrijfsjuristen gaf 15,8% aan tevens advocaat in dienstbetrekking te zijn. Voor alle geënquêteerden, zowel advocaten als bedrijfsjuristen, gold dat deze aangaven vaak tot heel vaak betrokken te zijn bij onderhandelingen over (de totstandkoming van) commerciële overeenkomsten.