BR 2014/70
Bij de verlening van een vergunning op grond van art. 19d Nb-wet 1998 voor bestaand gebruik waarvoor niet eerder een vergunning op grond van die wet was verleend, moet worden uitgegaan van de depositie die de inrichting volgens de vergunning op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer (milieuvergunning) op de referentiedatum (in 1994 dan wel 2004) mocht veroorzaken, tenzij deze depositie in een nadien voor de inrichting verleende milieuvergunning is verlaagd. In dat geval moet voor de verlening van de vergunning op grond van de Nb-wet 1998 van de laagste depositiewaarde worden uitgegaan.
RvS 12-02-2014, ECLI:NL:RVS:2014:446, m.nt. H.E. Woldendorp
- Instantie
Raad van State
- Datum
12 februari 2014
- Magistraten
Mr. Th.C. van Sloten
- Zaaknummer
201306122/1/R2
- Noot
H.E. Woldendorp
- JCDI
JCDI:ADS918112:1
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Milieueffectrapportage
Bouwrecht / Veiligheid en milieu
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2014:446, Uitspraak, Raad van State, 12‑02‑2014
- Wetingang
Essentie
Bij de verlening van een vergunning op grond van art. 19d Nb-wet 1998 voor bestaand gebruik waarvoor niet eerder een vergunning op grond van die wet was verleend, moet worden uitgegaan van de depositie die de inrichting volgens de vergunning op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer (milieuvergunning) op de referentiedatum (in 1994 dan wel 2004) mocht veroorzaken, tenzij deze depositie in een nadien voor de inrichting verleende milieuvergunning is verlaagd. In dat geval moet voor de verlening van de vergunning op grond van de Nb-wet 1998 van de laagste depositiewaarde worden uitgegaan.