Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.6.1
4.6.1 Tussenconclusie
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368517:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Waaronder mede dient te worden verstaan dat (de voorgeschreven meerderheid van) de organen van de rechtspersoon geen gebruik maken van hun bevoegdheden om de rechtspersoon zelf zo te reorganiseren dat ingrijpen door de ondernemingskamer niet nodig is. Zie par. 8.3.3.4.
Ook onder 4.15 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 18 november 2005, NJ 2006, 173, m.nt. Maeijer, JOR 2005, 295 m.nt. Brink (Unilever) wordt een verband gelegd tussen redelijkheid en billijkheid en het enquÊterecht, zij het op andere gronden.
Zie par. 2.4.2.
Zie par. 4.5.1.4. In dezelfde zin Willems 2016, par. 4.
Vgl. hetgeen wordt opgemerkt over het voorzien bij wet vereiste in par. 5.4.1.
Par. 4.5.2 en 4.5.3.
Par. 2.2.1 en 2.4.2 bespraken dat het enquéterecht dient om onverantwoord gedrag – ook wel bestempeld als wanbeleid – van rechtspersonen tegen te gaan. In dit hoofdstuk is uiteengezet hoe dat onverantwoorde gedrag tot stand kan komen. Dat gedrag is steeds een resultante van een combinatie van regels en personen. De wetgever en gebruikers van rechtspersonen hebben deze regels zo geformuleerd dat het gedrag van de rechtspersoon in een bepaalde richting wordt geduwd, althans om te voorkomen dat zich onwenselijke situaties voordoen binnen de rechtspersoon. Daarnaast bepalen deze regels ook welke personen zitting hebben in de organen van de rechtspersoon en zo wie het gedrag van rechtspersonen mede bepaalt. De ratio van al deze regels loopt uiteen, maar duidelijk is dat steeds één of meer gedachtes schuilen achter deze regels.
Feit is echter dat deze regels niet altijd kunnen voorkomen1 of zelfs juist kunnen bewerkstelligen dat de rechtspersoon zich dusdanig onverantwoord gedraagt dat ingrijpen geboden is. In die gevallen is het onverkort toepassen van (louter) deze regels niet aanvaardbaar. In plaats daarvan ontstaat de mogelijkheid dat de ondernemingskamer in aanvulling en/of in afwijking van deze regels maatregelen van reorganisatorische aard neemt. Aldus vertoont het enquéterecht grote gelijkenissen met (aanvullende en beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid.2
Die vergelijking past te meer, omdat er een hoge drempel geldt voor het oordeel dat sprake is van wanbeleid. Zelfs de elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap zijn niet in acht genomen door de rechtspersoon. In dergelijke omstandigheden is het al snel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar3 om regels toe te passen die het verhelpen van het wanbeleid in de weg staan. Bovendien speelt de redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol bij de beoordeling van het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap.4
Als deze vergelijking wordt doorgetrokken, zou de ondernemingskamer bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen moeten nalaten wat art. 2:8 BW te buiten gaat en zich moeten beperken tot het bereiken wat reeds op grond van art. 2:8 BW tussen partijen gold of zou moeten gelden.5 Een eerste voordeel daarvan is dat dit de rechtszekerheid bevordert. In dat geval komt iemand die zich in zijn materiële positie binnen de rechtspersoon heeft verdiept, of zich daarover heeft laten adviseren – en dus weet dat zijn rechten, bevoegdheden en plichten zijn, maar ook dat deze aan banden worden gelegd door de redelijkheid en billijkheid – niet voor lelijke verrassingen te staan bij de ondernemingskamer.6 Ten tweede zorgt dit er voor dat, indien de ondernemingskamer regels aan de kant zet, dit gebeurt met oog voor de rechtsbeginselen, rechtsovertuigingen en maatschappelijke en persoonlijke belangen die achter deze regels schuil gaan.7
In hoofdstuk par. 8.3.2.4, 9.2.1.5, 10.3.1.2 en 11.2 wordt teruggekomen op de gelijkenissen tussen de werking van (onmiddellijke) voorzieningen en de redelijkheid en billijkheid. In par. 1.2.3.1 is reeds uiteengezet waarom in dit onderzoek niet de vraag wordt gesteld of (onmiddellijke) voorzieningen wellicht een verschijningsvorm van de redelijkheid en billijkheid vormen.