vgl. de beslissing van de ABRvS van 24 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5114, r.o. 5.
Rb. Den Haag, 05-08-2025, nr. NL24.38560
ECLI:NL:RBDHA:2026:3264
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
05-08-2025
- Zaaknummer
NL24.38560
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:3264, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 19‑02‑2026; (Geheimhoudingsbeslissing)
ECLI:NL:RBDHA:2025:14544, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 05‑08‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
JV 2025/217 met annotatie van mr. J. ten Cate
Uitspraak 19‑02‑2026
Inhoudsindicatie
8:29 Awb beslissing, visum kort verblijf, algoritme IOB, wijst het verzoek toe
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL 24.38560
beslissing van de enkelvoudige kamer (geheimhoudingskamer) van 19 februari 2026 op het verzoek tot toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. T. Gillhaus)
in het beroep van
[naam] , eiseres,
van Marokkaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse).
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2023 heeft de minister de in 2023 gedane aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf afgewezen. Bij besluit van 5 september 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Op 5 augustus 2025 is een tussenuitspraak gedaan. Bij brief van 29 augustus 2025 is door verzoeker een reactie gegeven en zijn diverse stukken als bijlagen toegevoegd.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres behandeld op de zitting van 24 november 2025. Op deze zitting is afgesproken dat "de gemachtigde van de minister eind december 2025 het te verwachten IAMA-rapport, alle nog niet overgelegde stukken en documentatie van het algoritme IOB en de individuele toets in de zaak van eiseres aan de rechtbank stuurt."
Bij brief van 6 januari 2026 zijn stukken overgelegd en is door de minister ten aanzien van
een aantal passages verzocht om beperkte kennisneming ex artikel 8:29 van de Algemene
wet bestuursrecht, zodat alleen de rechtbank van deze stukken kan kennisnemen.
Bij bericht van 22 januari 2026 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld om te reageren op de mededeling inzake de beperking van de kennisneming. Op 5 februari 2026 is door de gemachtigde van eiseres een reactie gegeven.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan een partij die verplicht is stukken over te leggen, weigeren aan deze verplichting gevolg te geven, dan wel de rechtbank mededelen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken. Op grond van het derde lid beslist de rechtbank of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
2. Op 6 januari 2026 heeft de minister de verzochte documenten overgelegd en daarbij onderscheid gemaakt tussen de (niet-vertrouwelijke, gelakte) A-stukken en de (vertrouwelijke, ongelakte) B-stukken. In de brief van 6 januari 2026 is toegelicht waarom de minister aanleiding ziet om ten aanzien van een beperkt aantal passages in de
onder bijlage 1 opgenomen A-stukken een verzoek om beperkte kennisneming ex art. 8:29 Awb te doen. Daarbij is verzocht het verzoek om beperkte kennisneming toe te wijzen op grond van artikel 8:29, eerste en tweede lid, van de Awb jo. artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en i, van de Wet open overheid (Woo) en artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.
2.1.
De gemachtigde van eiseres heeft in zijn reactie van 5 februari 2026 meegedeeld dat geen bezwaar bestaat om ten aanzien van de in de A-stukken gelakte passages toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb.
3. De rechtbank stelt voorop dat de verwijzing naar een of meer weigeringsgronden in de Woo geen voldoende motivering is. Voor de toepassing van artikel 8:29 van de Awb is een afzonderlijke toets vereist of gewichtige redenen als bedoeld in dit artikel aanwezig zijn. Daarbij speelt het belang van partijen bij kennisneming van processtukken, mede in het licht van het fair trial-beginsel, anders dan bij de Woo waar het belang van openbaarmaking wordt voorondersteld, een rol.1.De verzoeker moet duidelijk maken waarom volgens hem het belang bij beperkte kennisneming zwaarder weegt dan het belang dat de andere partij(en) van het stuk kennisnemen.2.
3.1.
De minister heeft niet alleen verwezen naar bepalingen in de Woo, maar ook toegelicht waarom beperkte kennisneming in onderhavige procedure gerechtvaardigd is.
3.2.
Zo is toegelicht waarom persoonsgegevens, zoals naam en contactgegevens, zijn gelakt. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder dan het belang van eiseres om kennis te nemen van die persoonsgegevens. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de reactie van eiseres niet blijkt dat zij zonder die persoonsgegevens in haar procesvoering wordt belemmerd of zodanig in haar belangen wordt geschaad, dat haar belang zwaarder dient te wegen. De rechtbank acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming hier gerechtvaardigd.3.
3.3.
De twee adviezen uit respectievelijk 2018 en 2021 (B10 en B13) zijn niet openbaar. In de tussenuitspraak is overwogen dat de rechtbank een ambtshalve toetsing van het algoritme IOB aangewezen acht en nader onderzoek op zijn plaats. Door toewijzing van het verzoek kan de rechtbank wel kennisnemen van deze adviezen en eiseres niet. De rechtbank leest in de motivering van de minister het belang terug dat dergelijke adviezen vertrouwelijk kunnen worden gegeven. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaren geuit of belangen opgevoerd waaruit blijkt dat zij zonder deze adviezen in haar procesvoering wordt belemmerd of in haar belangen wordt geschaad. Alles overziend ziet de rechtbank ook hier geen grond om te oordelen dat beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek toe.
Deze beslissing is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie
op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder beroep worden ingesteld, dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑02‑2026
vgl. de beslissing van de ABRvS van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 11.
vgl. de beslissing van de ABRvS van 3 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2972
Uitspraak 05‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Visum kort verblijf. Tussenuitspraak. De rechtbank oordeelt dat het standpunt van de minister in het bestreden besluit dat op grond van artikel 32, tweede lid, van de Visumcode, afwijzende beslissingen en de redenen voor de afwijzing enkel kenbaar hoeven te worden gemaakt door een standaardformulier zonder nadere motivering, niet deugdelijk is. Een besluit tot afwijzing van een aanvraag visum kort verblijf moet voldoen aan de motiveringsvereisten van artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb. Verder oordeelt de rechtbank dat de motivering van de minister om geen hoorzitting te houden, niet deugdelijk is. Bij het indienen van de aanvraag heeft eiseres bewijsstukken ingebracht, en in bezwaar zijn nadere bewijsstukken overgelegd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in het primaire besluit niet is aangegeven dat bij de boordeling van de visumaanvraag het algoritme Informatie Ondersteund Beslissen (IOB) is gebruikt, en dat dit ook niet blijkt uit het bestreden besluit. De rechtbank oordeelt dat een ambtshalve toetsing en een nader onderzoek naar het algoritme IOB is aangewezen. Uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming, dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM, is noodzakelijk dat besluitvorming transparant is en dat dit vereiste ook van toepassing is op het gebruik van algoritmes door bestuursorganen. Uit het Algoritmeregister kan niet worden opgemaakt of de minister al een onderzoek naar IOB heeft laten uitvoeren waarin is onderzocht of er al dan niet sprake is van een inbreuk op mensenrechten. In het Algoritmeregister staat enkel dat een Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA) volgt. De rechtbank stelt de minister in staat het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen. Verder verzoekt de rechtbank de minister schriftelijke inlichtingen te geven over de inhoud en het gebruik van het algoritme IOB. Ook verzoekt de rechtbank de minister om een nadere motivering waaruit blijkt op welke wijze dit algoritme als ook de genoemde ‘hits’ in het geüploade document in het dossier van eiseres, van betekenis zijn geweest bij de weigering om aan eiseres een visum kort verblijf te verlenen. De rechtbank verzoekt de minister voorts aan te geven of er al een IAMA is uitgevoerd en zo ja, wie dit heeft uitgevoerd en wat de inhoud en de conclusies van dit assessment zijn. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan en heropent het onderzoek.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38560 T
tussenuitspraak van 5 augustus 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister,
(gemachtigde: mr. J.D. Alberda).
Samenvatting
1. Deze tussenuitspraak wordt gedaan hangende het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een visum kort verblijf. De rechtbank stelt in deze tussenuitspraak vast dat de minister bij haar besluitvorming gebruik heeft gemaakt van het algoritme Informatie Ondersteund Beslissen (IOB), maar dat dit niet uit de motivering van de besluiten blijkt. De rechtbank stelt de minister in staat dit motiveringsgebrek te herstellen. Verder verzoekt de rechtbank de minister schriftelijke inlichtingen te verschaffen over de inhoud en het gebruik van het algoritme IOB, zoals over de exacte gegevensverwerking en risicoprofilering. Ook verzoekt de rechtbank de minister om een nadere motivering waaruit blijkt op welke wijze dit algoritme als ook de genoemde ‘hits’ in het geüploade document in het dossier van eiseres, van betekenis zijn geweest bij de weigering om aan eiseres een visum kort verblijf te verlenen. De rechtbank verzoekt de minister voorts aan te geven of er al een Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA) is uitgevoerd en zo ja, wie dit heeft uitgevoerd en wat de inhoud en de conclusies van dit assessment zijn.
Procesverloop
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] , heeft de Marokkaanse nationaliteit, een Egyptische verblijfsvergunning geldig tot 24 april 2026 en woont in Egypte bij de familie van haar echtgenoot. Eiseres verblijft soms bij haar familie in Marokko, vanwege haar vader die ziek is. Eiseres en haar echtgenoot zijn op [datum huwelijk] met elkaar getrouwd en hebben geen kinderen. De echtgenoot van eiseres heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit en woont in [plaats] , gemeente [gemeente] . Eiseres heeft verzocht om afgifte van een visum kort verblijf, omdat haar echtgenoot in Nederland een hartaanval heeft gehad en zij voor enige tijd bij hem in [plaats] wil zijn om hem te steunen en te verzorgen.
2.1.
Eiseres heeft op 6 september 2023 de aanvraag visum kort verblijf ingediend en ter onderbouwing van haar aanvraag documenten overgelegd. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 29 september 2023 afgewezen. In dit besluit zijn drie afwijzingsgronden aangekruist: (2) eiseres heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aangetoond; (3) eiseres heeft niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar eiseres met zekerheid zal worden toegelaten; (13) er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseres het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt en daarbij een door de echtgenoot ingevulde vragenlijst en aanvullende documenten overgelegd. Met het bestreden besluit van
5 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft geen hoorzitting gehouden en in het bestreden besluit het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.1.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
2.5.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:80a in samenhang met artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten tot het doen van deze tussenuitspraak en daarmee het onderzoek heropend. De rechtbank overweegt in deze tussenuitspraak welke gebrek hiertoe aanleiding heeft gegeven, op welke wijze dit gebrek kan worden hersteld en hoe het onderzoek zal worden voortgezet.
Overwegingen
3. Eiseres voert, kort samengevat, aan dat het bestreden besluit, net als het primaire besluit, onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres stelt dat zij, hoewel de motivering van het primaire besluit anders doet voorkomen, documenten ter onderbouwing van haar aanvraag heeft overgelegd. Het gaat om identiteitsdocumenten van eiseres en haar echtgenoot, hun huwelijksakte, de BRP registratie van de echtgenoot, medische informatie over de hartproblemen van de echtgenoot en een ingevuld en (mede) door de gemeente getekend ‘bewijs van garantstelling’. In de bezwaarfase zijn overgelegd: een door de echtgenoot ingevulde vragenlijst, stortingsbewijzen van bedragen op de bankrekening van eiseres met daarop ongeveer 1300 euro, de voor- en achterzijde van de bankpas van eiseres, documenten die verband houden met de ziekte van haar vader in Marokko en enkele foto’s. Eiseres voert aan dat de minister deze documenten niet op zorgvuldige en deugdelijke wijze in de besluitvorming heeft betrokken en dat de minister, gelet op de in bezwaar overgelegde documenten en de inhoud van haar bezwaarschrift, ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden. Eiseres voert verder aan dat de drie weigeringsgronden, gelet op wat eiseres heeft betoogd en de documenten die zij heeft overgelegd, ten onrechte aan haar zijn tegengeworpen en dat het bestreden besluit niet volledig, kenbaar en deugdelijk is gemotiveerd.
4. De minister heeft op zitting desgevraagd aangegeven dat de motivering van het bestreden besluit niet duidelijk is en zich onder verwijzing naar de overwegingen in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat weigeringsgrond 3 is komen te vervallen en alleen de weigeringsgronden 2 en 13 aan eiseres worden tegengeworpen. Deze weigeringsgronden acht de minister kenbaar en deugdelijk gemotiveerd.
4.1.
De minister stelt zich verder op het standpunt dat er geen sprake is van zorgvuldigheidsgebreken en dat op basis van de door eiseres overgelegde documenten, in het primaire besluit terecht is geoordeeld dat niet aan de voorwaarden voor visumverlening is voldaan. Verder heeft de minister aangegeven dat zij de overweging in het bestreden besluit, dat bij afwijzende beslissingen de redenen voor de afwijzing slechts kenbaar gemakt worden door middel van een standaardformulier en dat een nadere motivering niet is vereist, ongelukkig vindt. De minister heeft op zitting naar voren gebracht dat in het primaire besluit wel een nadere motivering is gegeven en dat deze volledig en deugdelijk is. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat, voor zover er motiveringsgebreken aan het primaire besluit zouden kleven, deze in het bestreden besluit zijn hersteld.
4.2.
De minister verwijst ten aanzien van het niet houden van een hoorzitting naar het bestreden besluit waarin ter onderbouwing daarvan is overwogen dat een hoorzitting niet tot een ander oordeel zal leiden, omdat met een hoorzitting niets zal veranderen aan de vastgestelde sociale en economische binding van eiseres met Egypte of Marokko.
5. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister in het bestreden besluit dat op grond van artikel 32, tweede lid, van de Visumcode, afwijzende beslissingen en de redenen voor de afwijzing enkel kenbaar hoeven te worden gemaakt door middel van een standaardformulier zonder nadere motivering, niet deugdelijk is. In artikel 32, tweede lid, van de Visumcode is bepaald dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de aanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI. Dit ontslaat de minister echter niet om op concrete wijze kenbaar en deugdelijk te motiveren waarom de door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden en overgelegde documenten niet tot visumverlening kunnen leiden. De minister heeft op zitting gewezen op de nadere motivering van het primaire besluit, maar de rechtbank ziet in die motivering enkele algemene overwegingen waarin niet concreet wordt ingegaan op de door eiseres gestelde feiten en omstandigheden en overgelegde documenten. In de Visumcode is niet geregeld dat een concrete en op de zaak toegespitste motivering niet nodig is. Naar het oordeel van de rechtbank moet een besluit tot afwijzing van een aanvraag visum kort verblijf dan ook voldoen aan de motiveringsvereisten van artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb. De rechtbank wijst in dit verband ook op artikel 41, tweede lid, van het Handvest van de Europese Unie, dat tezamen met het EVRM2.blijkens overweging 29 van de Visumcode in acht moet worden genomen. Artikel 41, tweede lid, van het Handvest bepaalt dat het recht op behoorlijk bestuur de plicht omvat van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden. Door de motivering in het primaire besluit niet concreet toe te spitsen op de feiten en omstandigheden van eiseres en daarbij bovendien, zonder nadere onderbouwing, aan te geven dat eiseres heeft nagelaten (aanvullende) documenten ter onderbouwing van de visumaanvraag te overleggen, hetgeen gelet op de stukken die eiseres heeft overgelegd onjuist is, heeft de minister dat besluit in strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 van de Awb en artikel 41, tweede lid, van de Handvest genomen. De motivering in het bestreden besluit hierover is derhalve niet juist en daardoor in strijd met het motiveringsvereiste van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het standpunt van de minister dat, voor zover er motiveringsgebreken zouden zijn, deze in het bestreden besluit zijn hersteld, ontslaat de minister immers niet om al in de primaire besluitvormingsprocedure een op de zaak toegespitste en concrete kenbare en deugdelijke motivering te geven, en wanneer dit niet is gebeurd dit in het bestreden besluit te onderkennen.
6. De rechtbank is ook van oordeel dat de motivering van de minister om geen hoorzitting te houden, niet deugdelijk is. Uitgangspunt is dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarfase. Daarvan kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Eiseres heeft bij het indienen van de aanvraag verschillende bewijsstukken ingebracht. In bezwaar heeft eiseres nadere bewijsstukken overgelegd en een schriftelijk betoog gehouden waarom het primaire besluit volgens haar feitelijk en juridisch geen stand kan houden. Eiseres heeft daarbij expliciet verzocht om uitgenodigd te worden op een hoorzitting om haar bezwaar nader toe te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank was gelet op wat eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht op voorhand niet vanzelfsprekend dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De enkele motivering van de minister dat een hoorzitting tot geen ander oordeel zal leiden, omdat een hoorzitting niets zal veranderen aan de vastgestelde sociale en economische binding van eiseres met Egypte of Marokko, is gelet op het voorgaande en het toetsingscriterium van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, dan ook niet deugdelijk. Het bestreden besluit is gelet daarop niet alleen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, maar ook met artikel 7:3, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:2 van de Awb.3.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat aan het bestreden besluit nog een motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit niet is aangegeven dat bij de boordeling van de visumaanvraag het algoritme Informatie Ondersteund Beslissen (IOB) is gebruikt. Dit blijkt ook niet uit het bestreden besluit. Voor de rechtbank is, gelet op zowel informatie uit het dossier van eiseres als uit het Algoritmeregister4.en het daarin genoemde Factsheet Informatie Ondersteund Beslissen (IOB)5., duidelijk dat de minister in de primaire besluitvormingsprocedure het algoritme IOB gebruikt heeft. In het Algoritmeregister wordt dit immers in algemene zin aangegeven. Verder blijkt uit het door de minister geüploade document met titel ‘ [naam titel] ’ in het digitale dossier van eiseres, dat er sprake is geweest van een hit op 5A en 5B (waarbij wordt verwezen naar een lijstmededeling) en dat pas daarna de VA gegevens zijn verzonden en ontvangen door BAO voor onderzoek. Vervolgens staat er vermeld: “File has been checked, applicant is a FTT, has invitation letter from her husband in the NL, he will be sponsoring her.”
7.1.
De gemachtigde van de minister kon over het gebruik van het IOB op de zitting geen inzicht geven en heeft daarbij aangegeven dat dit ook niet als een beroepsgrond is aangevoerd.
7.2.
De gemachtigde van eiseres heeft erkend dat er geen beroepsgrond over het algoritme IOB is aangevoerd en heeft de rechtbank desgevraagd op zitting verzocht onderzoek naar dit algoritme te doen.
8. De rechtbank is van oordeel dat een ambtshalve toetsing en een nader onderzoek naar het algoritme IOB is aangewezen en overweegt daartoe het volgende.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming, dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM, noodzakelijk is dat besluitvorming transparant is en dat dit vereiste ook van toepassing is op het gebruik van algoritmes door bestuursorganen. Hieruit volgt dat bij afwijzingen van aanvragen om een visum kort verblijf uit het primaire besluit moet blijken dat het algoritme IOB is gebruikt en, wanneer dit niet uit de motivering van het primaire besluit blijkt, moet dit motiveringsgebrek in het besluit op bezwaar worden hersteld. Dit is in deze zaak niet gebeurd. De motivering in het primaire besluit en het bestreden besluit is derhalve ook in dit verband niet volledig en in strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 respectievelijk artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Vanwege dit motiveringsgebrek heeft eiseres niet de benodigde informatie en uitleg gekregen over het gebruik van het algoritme IOB en kan haar het niet aangevoerd hebben van een beroepsgrond in dit verband, niet worden tegengeworpen. Verder heeft ook de rechtbank geen inzicht gekregen in hoeverre dit algoritme alsmede de genoemde hits in het geüploade document in het dossier van eiseres, van betekenis zijn geweest bij de weigering om aan eiseres een visum kort verblijf te verlenen.
8.2.
De rechtbank acht voor het ambtshalve toetsen en het nadere onderzoek naar het algoritme IOB eveneens het volgende van belang. De rechtbank is ambtshalve bekend met openbaar gemaakte rapporten van gerenommeerde organisaties en instanties waarin wordt aangegeven dat het algoritme IOB mogelijk discriminerend is en dat er mogelijk sprake kan zijn van etnisch profileren. In een rapport van Amnesty International (Amnesty)6.wordt aangegeven dat Amnesty vermoedt dat sprake is van geautomatiseerd etnisch profileren, respectievelijk discriminatie op grond van ras. Amnesty wijst daarbij onder andere op de kenmerken waarop wordt geprofileerd, waaronder het kenmerk nationaliteit, en het toekennen van risicoscores. Verder heeft de Algemene Rekenkamer in een rapport7.zijn zorgen geuit over het gebruik van een algoritme als IOB, omdat bij dergelijke ondersteunende algoritmes voor een risicovoorspelling het risico bestaat dat de uitgangspunten van het risicoprofiel strijdig zijn met de geldende wet- en regelgeving dan wel een (ongewenste) afwijking gaan vertonen op basis van de verborgen beperkingen van de inputdata. Daarbij kan worden gedacht aan discriminatie of het gebruik van bijzondere persoonsgegevens. Ook bestaat de kans dat het advies van het algoritme de uiteindelijke beslissing van de medewerker beïnvloedt. In een ander rapport van de Algemene Rekenkamer wordt in meer algemene zin gewaarschuwd voor bias, dat wil zeggen voor onwenselijke systematische afwijkingen van de uitkomsten van een algoritme voor de gehele groep of voor specifieke personen of deelgroepen. Als voorbeeld van bias door data wordt genoemd een algoritme dat gebruik maakt van historische gegevens waarbij sprake is geweest van specifiek beleid op specifieke groepen.8.Deze vorm van bias leidt dan tot een intensievere controle, wat kan leiden tot meer afwijzingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit ook aan de hand zijn bij de beoordeling van aanvragen om een visum kort verblijf van personen die tot een specifieke groep behoren. Dat zou een vorm van discriminatie kunnen zijn.
8.3.
De bestuursrechtspraak heeft lessen geleerd uit de kinderopvangtoeslagenaffaire9., waarin achteraf onder meer is komen vast te staan dat een algoritme discriminerend is geweest.10.De rechtbank wil in deze zaak dan ook het zekere voor het onzekere nemen. De rechtbank acht onder al deze omstandigheden een ambtshalve toetsing van het algoritme IOB aangewezen en het doen van nader onderzoek naar IOB op zijn plaats. Uit het Algoritmeregister kan niet worden opgemaakt of de minister al een onderzoek naar IOB heeft laten uitvoeren waarin is onderzocht of er al dan niet sprake is van een inbreuk op mensenrechten. In het Algoritmeregister staat enkel dat een Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA)11.volgt. De rechtbank acht een IAMA van belang en wenst op de hoogte te worden gebracht van de uitkomsten hiervan. Alleen dan is een daadwerkelijk inhoudsvolle rechterlijke toetsing mogelijk, welke van wezenlijk belang is voor een effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op wat onder 7 en 8 is overwogen stelt de rechtbank de minister schriftelijk in de gelegenheid het motiveringsgebrek zoals beschreven onder rechtsoverweging 8.1 te herstellen. De minister wordt verder verzocht de rechtbank schriftelijk te informeren over de inhoud en het gebruik van het algoritme IOB, zoals over de exacte gegevensverwerking en risicoprofilering. Ook verzoekt de rechtbank de minister om een nadere motivering waaruit blijkt op welke wijze dit algoritme als ook de genoemde ‘hits’ in het geüploade document in het dossier van eiseres, van betekenis zijn geweest bij de weigering om aan eiseres een visum kort verblijf te verlenen. De rechtbank verzoekt de minister voorts aan te geven of er al een IAMA is uitgevoerd en zo ja, wie dit heeft uitgevoerd en wat de inhoud en de conclusies van dit assessment zijn.
9.1.
De minister hoeft de in rechtsoverweging 5 en 6 genoemde gebreken niet te herstellen. De rechtbank zal nog niet beoordelen welke gevolgen deze gebreken hebben en of de minister weigeringsgronden 2 en 13 aan eiseres heeft mogen tegenwerpen.
10. Eiseres zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk te reageren. Daarna zal de rechtbank partijen uitnodigen voor een tweede zitting. Tot die tijd wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Er wordt nu dus ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten en het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
- -
stelt de minister in de gelegenheid om, binnen vier weken na bekendmaking van deze tussenuitspraak, het motiveringsgebrek te herstellen en schriftelijk inlichtingen te verschaffen als omschreven in rechtsoverweging 8;
- -
zal eiseres in de gelegenheid stellen om daarop te reageren;
- -
zal daarna partijen benaderen voor het houden van een nadere zitting;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is op 5 augustus 2025 gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze tussenuitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑08‑2025
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De rechtbank wijst hierbij tevens op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Informatie Ondersteund Beslissen - Kort Verblijf (Schengen) Visum (KVV) - Ministerie van Buitenlandse Zaken (https://algoritmes.overheid.nl/nl/algoritme/mnre1013/94596537/informatie-ondersteund-beslissen-kort-verblijf-schengen-visum-kvv).
Factsheet Informatie Ondersteund Beslissen, Ministerie van Buitenlandse zaken, maart 2023.
Amnesty International, ‘Etnisch Profileren is overheidsbreed probleem’ 2024, p. 29-30, Amnesty NL 2024 Etnisch profileren is overheidsbreed probleem (https://www.amnesty.nl/content/uploads/2024/04/Amnesty-2024-Rapport-Etnisch-profileren-is-overheidsbreed-probleem-2.pdf?x55122).
Algemene Rekenkamer, ‘Aandacht voor algoritmes’ 2021, p. 20, Aandacht voor algoritmes | Rapport | Algemene Rekenkamer (https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2021/01/26/aandacht-voor-algoritmes).
Algemene Rekenkamer, ‘Algoritmes getoetst’ 2022, p. 25, Algoritmes getoetst | Rapport | Algemene Rekenkamer (https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2022/05/18/algoritmes-getoetst).
Recht vinden bij de rechtbank (https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/PublishingImages/WRT%20rapport%20Recht%20vinden%20bij%20de%20rechtbank%20DEF%20051021.pdf).
Boete Belastingdienst voor discriminerende en onrechtmatige werkwijze | Autoriteit Persoonsgegevens (https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/actueel/boete-belastingdienst-voor-discriminerende-en-onrechtmatige-werkwijze).
Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes | Rapport | Rijksoverheid.nl.