Einde inhoudsopgave
Werkgeverschap in concernverband (MSR nr. 82) 2023/5.3.1
5.3.1 Uitgangspunt: uitsluiting van intraconcerndetachering
Mr. M.A.N. van Schadewijk, datum 08-11-2022
- Datum
08-11-2022
- Auteur
Mr. M.A.N. van Schadewijk
- JCDI
JCDI:ADS681188:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat onder andere om een registratie- c.q. vergunningsplicht voor degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt (art. 7a Waadi resp. § 1 Abs. 1 AÜG), een recht van de gedetacheerde werknemer op gelijke behandeling ten opzichte van werknemers die bij de inlener in dienst zijn (art. 8 Waadi resp. § 8 AÜG), een recht op toegang tot bedrijfsvoorzieningen en diensten in de inlenende onderneming (art. 8b Waadi resp. § 13a AÜG) en om een verbod om stakingen te breken door middel van de uitzendformule (art. 10 Waadi resp. § 11 Abs. 5 AÜG). Zoals besproken in paragraaf 4.2, beperkt § 1 Abs. 1b AÜG de toegestane periode van tewerkstelling daarnaast tot een periode van maximaal achttien maanden.
De definitie maakt anders dan art. 7:690 BW geen melding van een opdracht, een arbeidskracht hoeft niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam te zijn en de terbeschikkingstelling hoeft ook niet bedrijfsmatig te geschieden. Ten aanzien van dit laatste verdient opmerking dat de Waadi echter niet van toepassing is op collegiale uitlening, hetgeen in art. 1 lid 3 onder b Waadi wordt gedefinieerd als ‘het bij wijze van hulpbetoon zonder winstoogmerk ter beschikking stellen van arbeidskrachten, die bij degene die hen ter beschikking stelt, ten behoeve van arbeid in diens onderneming in dienst zijn’. Deze uitzondering moet beperkt worden uitgelegd; Kamerstukken II 1963/64, 7737, 3, p. 6; HR 1 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AB7538, NJ 1983/484.
Kamerstukken II 1996/97, 25264, 5, p. 12; Kamerstukken II 2018/19, 35074, 3, p. 144.
De vereisten van integratie en instructies dienen ter onderscheiding van het begrip ‘contracting’. Het gaat met andere woorden, net als in art. 7:690 BW en art. 1 Waadi, om het werken onder toezicht en leiding van een derde (Schüren/Hamann/Hamann § 1 AÜG, rn. 114-115). Dat de uitzending moet geschieden in het kader van een economische activiteit van de werkgever dient ter implementatie van de corresponderende bepaling uit de Uitzendrichtlijn. De Duitse wetgever maakt (terecht, zie par. 2.7.2.1) duidelijk dat dit laatste criterium er niet toe kan leiden dat intraconcerndetachering buiten het AÜG valt; BT-Drs. 17/4804, p. 8.
De verwijzing naar art. 2:24a en 2:24b BW is toegevoegd met de inwerkingtreding van de WAB. Tot die tijd bepaalde art. 1 lid 3 onder c Waadi (oud) dat de Waadi niet van toepassing was op ‘het ter beschikking stellen van arbeidskrachten voor het verrichten van arbeid in een onderneming, die door dezelfde ondernemer in stand wordt gehouden als die de arbeidskrachten ter beschikking stelt’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ook met deze definitie het oog had op intraconcerndetachering en dat hij beoogde aan te sluiten bij het ondernemersbegrip van art. 1 lid 1 onder d WOR (Kamerstukken II 1996/97, 25264, 3, p. 18). Zwemmer (2012, p. 93-94) merkt terecht op dat art. 1 lid 3 onder c Waadi (oud) daardoor niet de door de wetgever beoogde lading dekte, aangezien de moedervennootschap in principe niet de ondernemer is die de ondernemingen van haar dochters in stand houdt in de zin van de WOR: dat zijn in principe de dochtervennootschappen zelf. Met de inwerkingtreding van de WAB heeft de wetgever dit gecorrigeerd door net als in art. 7:691 lid 6 BW aan te sluiten bij art. 2:24a en 2:24b BW. De verwijzing naar de onderneming die door dezelfde ondernemer in stand wordt gehouden is behouden om ook publiekrechtelijke concerns, die ex art. 2:1 lid 3 BW niet onder art. 2:24a en 2:24b BW vallen, onder het bereik van de uitzondering te brengen; Kamerstukken II 2018/19, 35274, 3, p. 10.
Kamerstukken II 1996/97, 25264, 3, p. 18; Kamerstukken II 1996/97, 25264, 5, p. 12; Kamerstukken II 2018/19, 35074, nr. 3, p. 144. Een aantal auteurs stelt dat deze benadering zijn oorsprong vindt in de voorganger van de Waadi, de Arbeidsvoorzieningswet (Francovich & Vos, SR 1991, p. 149; Zwemmer 2021, p. 470; Verhulp, T&C Arbeidsrecht, commentaar op art. 1 Waadi, aant. 3 (online, bijgewerkt 5 juni 2022)). In de memorie van toelichting bij de Arbeidsvoorzieningswet 1990 deelde de regering mee dat het concern in principe als één werkgever moest worden gezien (Kamerstukken II 1987/88, 20569, 3, p. 56-57 & 77). De betreffende passage zag evenwel op de definitie van arbeidsbemiddeling en niet op die van terbeschikkingstelling. Als gevolg was intraconcerndetachering onder de Arbeidsvoorzieningswet strikt genomen vergunningplichtig. Zie ook CBB 30 januari 1996, JAR 1996/65, r.o. 5.11; Van Hoogenbemt & Jansen 1996, p. 125.
BT-Drs. 10/3206, p. 33.
§ 1 Abs. 3 onder 2 AÜG, voorheen § 8 Abs. 1 Beschäftigungsförderungsgezetz 1985 (BGBl. I 1985, p. 710). Over het Konzernprivileg gaat de dissertatie van Sturm (2020).
Wijziging van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs in verband met de invoering van een certificeringsplicht voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, Ontwerp toelichting (te raadplegen op https://www.internetconsultatie.nl/wijzigingwaadi), p. 14.
Een ander verschil heeft betrekking op het concernbegrip. In art. 1 lid 3 onder c Waadi (en hetzelfde geldt voor art. 7:691 lid 6 BW) wordt aangesloten bij zowel het juridische concernbegrip van art. 2:24a BW als het economische concernbegrip van art. 2:24b BW. Het Konzernprivileg is daarentegen beperkt tot concerns in de zin van § 18 AktG. § 18 AktG omvat een economisch concernbegrip en vereist daarom de daadwerkelijke uitoefening van centrale leiding (zie par. 1.5). In de praktijk is het verschil echter van gering belang. Er is al snel sprake van een ‘Konzern’ in de zin van § 18 AktG. De aanwezigheid van juridische zeggenschap vormt hiervoor een (weerlegbaar) vermoeden (§ 18 Abs. 1, derde volzin AktG). De Duitse wetgever gaat ervan uit dat een moedervennootschap haar invloed daadwerkelijk uitoefent en in de praktijk leidt de aanwezigheid van juridische zeggenschap normaliter tot het bestaan van een Konzern (bijvoorbeeld Lennarts 1999, p. 57). Bovendien duidt de onderlinge uitwisseling van personeel tussen gelieerde rechtspersonen op de aanwezigheid van centrale leiding en dus van een concern in de zin van art. 2:24b BW (en § 18 AktG). Dit is met name het geval wanneer de detachering plaatsvindt door een centrale werkgever of op basis van een op centraal niveau vastgesteld employabilitybeleid (vgl. Laagland 2015b, p. 107; Braun/Wisskirchen/Fedder/Braner Konzernarbeitsrecht, Teil I Absch. 4, rn. 18; Schuren/Hamann/Hamann AÜG § 1, rn. 638). De verwijzing naar het juridische concernbegrip van art. 2:24a BW art. 1 lid 3 onder c Waadi heeft met andere woorden weinig toegevoegde waarde.
Niet vereist is dat het daadwerkelijk gaat om AG’s. Beslissend is dat sprake is van twee rechtspersonen onder centrale leiding; BT-Drs. 10/3206, p. 33; BAG 5 mei 1988, 2 AZR 795/87, BeckRS 1980/44750; Geschäftsanweisung der BA zum AÜG (versie augustus 2019), p. 30.
Geschäftsanweisung der BA zum AÜG (versie november 2010), p. 20; BAG 21 mei 1990, 7 AZR 198/89, AP AÜG § 1 nr. 15; BAG 18 juli 2012, 7 AZR 451/11, AP TzBfG § 14 nr. 98; LAG Hessen 26 mei 2000, 2 Sa 423/99, BeckRS 9998/20241.
BT-Drs. 10/3206, p. 33. Zie ook BT-Drs. 15/7008, p. 14; BAG 21 juli 2009, 1 ABR 35/08, AP AÜG § 3 nr. 4, m.nt. Boemke; BAG 20 april 2005, 7 ABR 20/04, BeckRS 2005/42429; BAG 9 februari 2011, 7 AZR 32/10, AP TzBfG § 14 nr. 80; BAG 18 juli 2012, 7 AZR 451/11, AP TzBfG § 14 nr. 98.
Zie ook paragraaf 4.2.
BT-Drs. 17/4804, p. 8.
Forst, ZESAR 2011, p. 319; Lembke, BB 2012, p. 2499; Meyer, NZA 2013, p. 1327; Braun/Wisskirchen/Fedder/Braner Konzernarbeitsrecht, Teil I Absch. 4, rn. 24; Schüren & Fasholz, DB 2016, p. 1378; Saager & Schmuck, NJOZ 2020, p. 419; Schüren/Hamann/Hamann AÜG § 1, rn. 617; BeckOK ArbR/Kock AÜG § 1, rn. 222 (online, bijgewerkt 1 juni 2022). Zo ook LAG Thüringen 23 november 2016, 6 Sa 283/15, BeckRS 2016/111694; ArbG Stuttgart 5 november 2014, 11 Ca 8426/13, BeckRS 2014/73578. Zie voor een andersluidende minderheidsopvatting Leuchten, NZA 2011, p. 609; MAH ArbR/Christ § 66, rn. 172 (alleen ‘toevallige’ intraconcerndetachering valt onder het Konzernprivileg).
Zie paragraaf 4.3.1. Overschrijdt de detachering de Überlassungshöchtsdauer, dan kan worden aangenomen dat de werknemer exclusief werkzaam is voor het inlenende concernonderdeel en dus geen arbeidsplaats (meer) heeft bij zijn werkgever; vgl. LAG Thüringen 23 november 2016, 6 Sa 283/15, BeckRS 2016/111694; BeckOK Arbr/Kock AÜG § 1, rn. 223 (online, bijgewerkt 1 juni 2022); Ulber/Ulber § 1, rn. 481. Het Konzernprivileg kan met andere woorden niet leiden tot omzeiling van de Überlassungshöchtsdauer. Zie voor een andersluidend betoog Schüren/Hamann/Hamann AÜG § 1, rn. 619.
Zowel de Waadi als het AÜG reguleert de arbeidsrechtelijke positie van gedetacheerde werknemers hoofdzakelijk vanuit het perspectief van de werknemersbescherming, en vormt de implementatie van de in paragraaf 2.7.2 besproken Uitzendrichtlijn. Zij relativeren het werkgeverschap van een uitlener ten behoeve van de werknemersbescherming.1 De Waadi is van toepassing op ‘het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid’.2 Deze definitie is ruimer dan die in art. 7:690 BW.3 De ruime definitie is gelegen in de normstelling van de Waadi: de Waadi legt gedragsnormen op aan degenen die arbeidskrachten aan anderen leveren. De aard van de arbeidsverhouding tussen arbeidskracht en uitlener is daarbij niet van belang. Het uitgangspunt van de Waadi is daarom een ruime formulering, met een uitzondering daarop wanneer de normstelling geen betekenis heeft.4 In vergelijkbare zin is het AÜG op grond van § 1 Absatz 1 van toepassing wanneer een werkgever in het kader van diens economische activiteit één of meerdere werknemers ter beschikking stelt aan een derde voor het verrichten van arbeid, waarbij de werknemer is geïntegreerd in de arbeidsorganisatie van de derde en aan diens instructies onderworpen is.5
Zowel de Waadi als het AÜG zondert intraconcerndetachering in principe uit van het toepassingsbereik. De relativeringen die de Waadi en het AÜG aanbrengen op het werkgeverschap van een uitlener zijn in principe dus niet van toepassing op intraconcerndetachering. Voor wat betreft Nederland bepaalt art. 1 lid 3 onder c Waadi dat de Waadi (grotendeels)6 niet van toepassing is op ‘het ter beschikking stellen van arbeidskrachten voor het verrichten van arbeid in een onderneming, die door dezelfde ondernemer in stand wordt gehouden als die de arbeidskrachten ter beschikking stelt, of waarbij degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt en de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt in een groep zijn verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de één een dochtermaatschappij is van de ander als bedoeld in artikel 24a van dit Boek’.7 Als toelichting stelt de Nederlandse wetgever dat de normstelling van de Waadi voor intraconcerndetachering geen betekenis zou hebben.8 Met andere woorden: volgens de Nederlandse wetgever gaat de ratio achter de verschillende bepalingen van de Waadi niet op voor intraconcerndetachering. In gelijke zin is de Duitse wetgever van mening dat het onverkort toepassen van de wettelijke vereisten voor uitzending voor concerns zou neerkomen op een bureaucratische formaliteit, aangezien intraconcerndetachering slechts de interne arbeidsmarkt van het concern betreft en de arbeidsrechtelijke positie van de werknemer niet in gevaar brengt.9 Als gevolg bevat ook het AÜG een uitzondering voor intraconcerndetachering, het zogenoemde ‘Konzernprivileg’.10
De Nederlandse regering werkt toe naar een certificeringsstelsel voor terbeschikkingstelling op de arbeidsmarkt. In de conceptmemorie van toelichting bij de voorgestelde regeling van 14 juli 2022 bevestigt de regering de voornoemde benadering van intraconcerndetachering. Volgens de regering doet de problematiek die zij met de certificeringsplicht beoogt te bestrijden (het aanpakken van malafide partijen en het beschermen van werknemers tegen misstanden) zich bij intraconcerndetachering niet op dezelfde schaal voor als bij reguliere vormen van terbeschikkingstelling. Hierdoor is een certificeringsplicht onnodig en onwenselijk. In lijn met de uitsluiting van intraconcerndetachering van de Waadi zal de certificeringsplicht daarom niet gelden voor intraconcerndetachering.11
Tussen de uitsluiting van het concern in de Waadi en in het AÜG bestaat een belangrijk verschil. Het Konzernprivileg is, anders dan art. 1 lid 3 onder c Waadi, beperkt tot specifieke vormen van intraconcerndetachering.12 Oorspronkelijk hield het Konzernprivileg in dat het AÜG niet van toepassing was op uitzending binnen een concern (in de zin van § 18 AktG13), op voorwaarde dat die uitzending tijdelijk van aard was. Van tijdelijke uitzending was sprake als het zwaartepunt van het dienstverband bij de contractuele werkgever lag. Daarvan was, kort gezegd, sprake als bij aanvang van de tewerkstelling het voornemen bestond dat de werknemer ook nog voor de contractuele werkgever werkzaam zou zijn.14 Met de tijdelijkheidsvoorwaarde beoogde de Duitse wetgever specifiek personeelsvennootschappen, die hun werknemers uitsluitend ter beschikking stellen aan andere concernvennootschappen, alsnog onder het bereik van het AÜG te brengen.15 Vervolgens heeft de Duitse wetgever tijdelijkheid in 2011 opgenomen als algemene voorwaarde voor uitzending, eerst via een abstracte tijdelijkheidseis en sinds 2017 via de Überlassungshöchtsdauer van achttien maanden.16 Om een ‘dubbele tijdelijkheidseis’ te voorkomen, kwam de tijdelijkheidsvoorwaarde in het Konzernprivileg te vervallen. In plaats daarvan verbond de Duitse wetgever aan het Konzernprivileg voortaan de voorwaarde dat de werknemer in het concern niet ‘zum Zweck der Überlassung eingestellt und beschäftigt wird’. De gedachte achter het gewijzigde Konzernprivileg bleef onveranderd: het doel is nog altijd om pure concerninterne uitzendbureaus onder het bereik van het AÜG te brengen.17 In lijn met deze doelstelling legt de literatuur de zinsnede ‘zum Zweck der Überlassung eingestellt und beschäftigt’ ruim uit: alleen werknemers die uitsluitend in dienst zijn om elders in het concern ingezet te worden, vallen buiten het bereik van het Konzernprivileg en dus onder het bereik van het AÜG. Werknemer die mede in dienst zijn om elders in het concern ingezet te worden, maar die ook werkzaam zijn voor hun contractuele werkgever (zoals bijvoorbeeld voorkomt bij een employabilitybeleid), vallen daarentegen – net als onder het oude recht – buiten het bereik van het AÜG. Kortom: alleen intraconcern gedetacheerde werknemers die bij de werkgever geen ‘eigen’ arbeidsplaats hebben, maken aanspraak op de bescherming van het AÜG.18
Uit het voorgaande vloeit voort dat, hoewel beide wetgevers starten vanuit de gedachte dat het onverkort toepassen van de Waadi dan wel het AÜG op intraconcerndetachering onwenselijk is, de Duitse wetgever deze gedachte minder ver doorvoert dan de Nederlandse. Buiten dit verschil valt op dat de benadering van intraconcerndetachering in de Waadi en (zij het dus in mindere mate) het AÜG gelijk is aan die in art. 7:691 BW: intraconcerndetachering is uitgesloten van de reikwijdte, met als reden dat sprake is van een interne vorm van terbeschikkingstelling. Tussen de benadering van het concern in art. 7:691 BW enerzijds en de Waadi en het AÜG anderzijds bestaat echter een belangrijk verschil. Waar het concern in art. 7:691 lid 6 BW wordt uitgesloten van het verlichte uitzendregime, leidt de uitsluiting van de Waadi en het AÜG juist tot minder werknemersbescherming. Via dezelfde techniek (aanknopen bij het interne karakter van de terbeschikkingstelling) wordt een tegenovergesteld resultaat bereikt. Dit verschil ontstaat doordat de Nederlandse wetgever van mening is dat de bepalingen uit de Waadi voor intraconcern gedetacheerde werknemers geen betekenis hebben. De Duitse wetgever gaat uit van eenzelfde gedachte, maar in Duitsland leidt deze gedachte niet tot inconsistenties, omdat ze niet zoiets hebben als een verlicht uitzendregime. Bovendien is het Konzernprivileg beperkt tot specifieke vormen van intraconcerndetachering en heeft de intraconcern gedetacheerde werknemer vanwege de Überlassungshöchtsdauer na achttien maanden sowieso dezelfde rechten als een werknemer van de inlener, aangezien hij dan van rechtswege in dienst komt bij de inlener.19
Voor sommige verplichtingen, zoals het registratievereiste uit de Waadi en de voorgestelde certificeringsplicht, is inderdaad verdedigbaar dat de ratio daarvan niet of onvoldoende opgaat voor intraconcerndetachering en de keuze om intraconcerndetachering uit te sluiten logisch is. Dit geldt echter niet voor alle bepalingen van de Waadi en het AÜG. Meer concreet rijst voor twee bepalingen uit de Waadi en het AÜG de vraag of de uitsluiting van intraconcerndetachering aansluit bij de ratio daarvan en – dus – of de afwijkende benadering ten opzichte van het uitzendregime in Boek 7 BW te verklaren is. Het gaat om het zogenoemde onderkruipersverbod en de gelijkebehandelingsnorm. Beide bepalingen komen hierna afzonderlijk aan bod.