CRvB, 27-08-2013, nr. 12-656 WWB
ECLI:NL:CRVB:2013:1541
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
27-08-2013
- Zaaknummer
12-656 WWB
- LJN
CA1948
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid bijstand (V)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2013:1541, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 27‑08‑2013; (Hoger beroep)
ECLI:NL:CRVB:2013:CA1948, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 04‑06‑2013; (Wraking)
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑08‑2013
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering (aanvullende) bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Eigendom woning, waarvan de waarde de geldende vermogensgrens overschrijdt, zodat geen recht op aanvullende bijstand bestond. Bovendien is appellante sinds 2011 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en niet meer woonachtig in Nederland. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Centrale Raad van Beroep
12/656 WWB, 12/4131 WWB
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van
22 december 2011, 11/4203 (aangevallen uitspraak 1) en van 13 juni 2012, 12/1198 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], Spanje, (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.I. Zaad, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
De Svb heeft verweerschriften ingediend en nadere stukken overgelegd.
De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2013. Voor appellante is mr. Zaad verschenen. De Svb heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1.
De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 22 september 2008 is aan appellante en [d. R.] ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 2 juli 2008 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (aanvullende bijstand) toegekend naar de norm voor gehuwden.
1.2.
[In] 2010 is [d. R.] overleden.
1.3.
Bij besluiten van 13 augustus 2010 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat, in verband met het overlijden van haar partner ([d. R.]) en het bereiken van de 65-jarige leeftijd van appellante, aan appellante over de maand juli 2010 een nabestaandenpensioen op grond van de Algemene Nabestaanden is toegekend en aan haar met ingang van augustus 2010 een ongehuwdenpensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) alsmede aanvullende bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de WWB is toegekend.
1.4.
Naar aanleiding van het overlijden van [d. R.] is een vermogensrechtelijk geschil ontstaan tussen appellante en C. [P.] ([P.]). Tussen [P.] en [d. R.] is in 1976 de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Op 4 februari 2011 heeft de advocaat van [P.] contact opgenomen met de Svb en onder meer meegedeeld dat appellante op [woonplaats] een woning heeft waarvan appellante en [d. R.] gezamenlijk eigenaar waren. Op 22 maart 2011 heeft een medewerker van de Svb bij mr. Zaad telefonisch navraag gedaan over de woning op [woonplaats]. Mr. Zaad heeft meegedeeld dat er een dispuut ontstaan is over de eigendom van de woning en dat appellante in elk geval voor de helft eigenaar is van de woning. Naar aanleiding van dit gesprek heeft appellante bij brief van 7 april 2011 diverse bescheiden over de eigendom van deze woning overgelegd. Daaruit blijkt dat appellante en [d. R.] reeds vanaf 1994 gezamenlijk eigenaar waren van een perceel grond met een woning op [woonplaats], met een geschatte waarde van € 195.000,- tot € 198.000,-.
1.5.
Bij besluit van 9 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2011 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de aanvullende bijstand van appellante en [d. R.] met ingang van 2 juli 2008 ingetrokken. Voorts heeft de Svb bij besluit van 1 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 januari 2012 (bestreden besluit 2), de over de periode van 2 juli 2008 tot en met juli 2010 aan appellante en [d. R.] betaalde aanvullende bijstand en de over de periode van augustus 2010 tot en met januari 2011 aan appellante betaalde aanvullende bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 8.758,24. Aan de bestreden besluiten ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellante en [d. R.] hebben in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting niet gemeld dat zij sinds 1994 een woning bezitten op [woonplaats], waarvan de waarde de geldende vermogensgrens overschrijdt, zodat geen recht op aanvullende bijstand bestond. Bovendien is appellante sinds 18 februari 2011 uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en niet meer woonachtig in Nederland. Recht op aanvullende bijstand kan alleen bestaan indien appellante in Nederland woont, zodat voor de periode vanaf 18 februari 2011 ook om die reden geen recht op aanvullende bijstand bestond.
2.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil dat appellante vanaf 18 februari 2011 geen recht op aanvullende bijstand had. Dit betekent dat ter beoordeling voorligt de periode van 2 juli 2008 tot 18 februari 2011.
4.2.
Appellante stelt dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hiertoe heeft zij, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij wist niet dat [d. R.] in 2008 aanvullende bijstand voor hen beiden heeft aangevraagd en dat zij gezamenlijk aanvullende bijstand hebben gehad. De aanvullende bijstand is alleen aan [d. R.] ten goede gekomen. Voorts heeft zij in de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding met [d. R.] gevoerd. Zij stond weliswaar ingeschreven op het uitkeringsadres, maar had daar niet haar hoofdverblijf, omdat zij grote delen van het jaar op [woonplaats] verbleef. Van wederzijdse zorg was evenmin sprake.
4.2.1.
De Raad acht niet geloofwaardig dat appellante niet op de hoogte is geweest van de verlening van de aanvullende bijstand aan haar en [d. R.]. Het toekenningsbesluit van
22 september 2008 is gericht aan beiden en gestuurd naar het uitkeringsadres waar [d. R.] tot zijn overlijden en appellante tot 18 februari 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven hebben gestaan. Ook de latere wijzigingsbesluiten en brieven van de Svb over de aanvullende bijstand zijn aan beiden gericht. Voorts heeft appellante de in het kader van de aanvullende bijstand verstuurde formulieren ‘inkomstenopgave’ in maart 2009 en mei 2010 mede ondertekend. Ook heeft de Svb appellante in verband met de aanvullende bijstand bij brief van 23 juni 2009 verzocht om inlichtingen te verstrekken over vakantie of verblijf buiten Nederland, aan welk verzoek zij op 21 juli 2009 heeft voldaan. Verder heeft de Svb appellante naar aanleiding van haar aanvraag om ouderdomspensioen bij brief van 26 februari 2010 meegedeeld dat zij met ingang van augustus 2010 pensioen ontvangt samen met haar aanvullende bijstand. Ten slotte kan worden gewezen op de brief van appellante van 11 augustus 2010, waarin zij schrijft dat de aanvullende bijstand tot nu toe op de ING-rekening werd gestort en waarin zij de Svb verzoekt dit voortaan op de Rabobank-rekening te doen.
4.2.2.
Nu op grond van 4.2.1 moet worden aangenomen dat appellante in de te beoordelen periode op de hoogte is geweest van de verlening van aanvullende bijstand en voorts niet in geschil is dat in die periode geen melding van de eigendom van de woning op [woonplaats] is gedaan, heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden. De stelling van appellante dat zij met [d. R.] geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, kan haar niet baten. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit tot verlening van de aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden en tegen de nadien genomen wijzigingsbesluiten. Zij heeft evenmin de Svb verzocht terug te komen van deze in rechte onaantastbare besluiten.
4.3.
Appellante heeft voorts aangevoerd dat de Svb op grond van dringende redenen van terugvordering had behoren af te zien, nu haar niet kan worden verweten dat zij niet eerder melding heeft gemaakt van de woning op [woonplaats] en zij het bedrag niet kan terugbetalen.
4.3.1.
De Svb voert beleid op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering van onverschuldigd betaalde inkomensvoorzieningen wordt afgezien indien dringende redenen aanwezig zijn. De Svb heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat wat appellante heeft aangevoerd, geen dringende redenen vormen. Anders dan appellante stelt, kan haar wel een verwijt worden gemaakt, nu zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De stelling dat zij het bedrag niet kan terugbetalen, is evenmin grond om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellante als schuldenaar de bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als opgenomen in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.4.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.
4.5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2013.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.J.M. Crombach
HD
Uitspraak 04‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Beslissing 1: De Raad is in beginsel onbevoegd om kennis te nemen van een hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank op een verzoek om wraking. Geen schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen. Beslissing 2: De Raad begrijpt dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om te wraken is gebaseerd op de omstandigheid dat voor de tweede maal een in wezen zelfde verzoek tot wraking is gedaan. Door in dit geval te oordelen dat met het tweede verzoek om wraking sprake is van misbruik van procesrecht is de rechtbank niet buiten het toepassingsbereik van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb getreden. Geen ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, dat reden bestaat voor doorbreking van het appelverbod.
Partij(en)
12/6567 WWB, 12/6568 WWB, 12/6569 WWB
13/613 WWB, 13/779 WWB en 13/780 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen van [A. ] te [B.] tegen de beslissingen van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2012, 407861 (beslissing 1) en van 18 december 2012, 413401 (beslissing 2) op verzoeken om wraking.
Datum uitspraak 4 juni 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.A. Bosch, advocaat, in beide zaken afzonderlijk hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 15 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bosch.
OVERWEGINGEN
Beslissing 1
- 1.
Bij beslissing 1 heeft de rechtbank het verzoek van appellant om wraking van mr. C.A. Schreuder (rechter) afgewezen. Volgens de rechtbank vormt de omstandigheid dat de rechter geen aanleiding heeft gezien om op de voet van artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getuigen op te roepen voor verhoor, geen grond voor wraking, ook niet indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat daarbij een beroep is gedaan op de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beslissing van de rechter is volgens de rechtbank ter zitting ten aanzien van iedere getuige gemotiveerd en die motiveringen hebben geen blijk gegeven van vooringenomenheid en roepen evenmin enige objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid op. De rechtbank heeft hieraan toegevoegd dat de beslissing over het horen van de getuigen is genomen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling en dat een in dat stadium genomen beslissing niet noodzakelijkerwijs impliceert dat de rechter niet in een later stadium, al dan niet na heropening van het onderzoek, alsnog kan en zal besluiten tot het horen van getuigen omtrent gemotiveerd bestreden en van belang zijnde feiten.
- 2.
Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat beslissing 1 de afwijzing van het verzoek om wraking niet kan dragen, omdat daaruit de gedachtegang van de rechtbank niet blijkt. Appellant blijft erbij dat de motivering van de beslissing van de rechter om de getuigen niet op te roepen blijk geeft van vooringenomenheid en dat deze beslissing als onbegrijpelijk moet worden beschouwd, nu de gronden om de getuigen te horen slechts gedeeltelijk zijn weerlegd. Appellant heeft een second opinion gevraagd aan mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat bestuursrecht, die tot dezelfde conclusie is gekomen. Appellant vindt voorts dat sprake is van strijd met de artikelen 6, eerste lid, en 13 van het EVRM.
- 3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
- 3.1.
Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ingevolge artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb staat geen rechtsmiddel open tegen de beslissing op het verzoek om wraking.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, dat bij de wet is ingesteld.
Ingevolge artikel 13 van het EVRM heeft een ieder wiens rechten en vrijheden die in het Verdrag zijn vermeld zijn geschonden, recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
- 3.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vijfde lid, van de Awb is de Raad in beginsel onbevoegd om kennis te nemen van een hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank op een verzoek om wraking. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich een zodanig ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen heeft voorgedaan, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek om wraking niet kan worden gesproken.
- 3.3.
Een zodanig ernstige schending doet zich in dit geval niet voor. Uit overweging 1 blijkt dat de rechtbank beslissing 1 heeft gemotiveerd. Dat appellant deze motivering onvoldoende vindt, is geen reden om het appelverbod te doorbreken.
Beslissing 2
- 4.
Bij beslissing 2 heeft de rechtbank een nieuw verzoek van appellant om wraking van de rechter niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de grondslag van het tweede wrakingsverzoek wezenlijk gelijk is aan de redenen die aan de eerdere wraking ten grondslag zijn gelegd en dat geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat volgende verzoeken om wraking in de aan de orde zijnde zaken 12/1975, 12/804 en 12/3108 niet in behandeling worden genomen. Volgens de rechtbank maakt appellant misbruik van de mogelijkheid om een rechter te wraken met als gevolg dat het niet tot een inhoudelijke behandeling van de voorliggende zaken kan komen.
- 5.
Appellant heeft daartegen aangevoerd dat in beslissing 2 niet inhoudelijk is ingegaan op de wrakingsgronden, zodat sprake is van een evidente schending van de goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen. Verder bestaat geen inzicht waarom de rechtbank heeft bepaald dat appellant misbruik maakt van het recht om te wraken.
- 6.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
- 6.1.
Voor de relevante wettelijke bepalingen wordt in de eerste plaats verwezen naar 3.1. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
Ingevolge artikel 8:16, vierde lid, van de Awb wordt een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden.
Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepaalt dat in geval van misbruik de rechtbank kan bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen, waarvan in de beslissing melding wordt gemaakt.
- 6.2.
De rechtbank is niet buiten het toepassingsbereik van artikel 8:16, vierde lid, van de Awb getreden door te oordelen dat sprake is van wezenlijk dezelfde wrakingsgronden en dat geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb, zodat niet inhoudelijk op de wrakingsgronden behoefde te worden ingegaan. Van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen als bedoeld in 3.2, wat zou leiden tot een doorbreking van het appelverbod, is hier dan ook geen sprake.
- 6.3.
De Raad begrijpt dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om te wraken is gebaseerd op de omstandigheid dat voor de tweede maal een in wezen zelfde verzoek tot wraking is gedaan. Door in dit geval te oordelen dat met het tweede verzoek om wraking sprake is van misbruik van procesrecht is de rechtbank niet buiten het toepassingsbereik van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb getreden. Dit betekent dat ook hier niet kan worden gesproken van een zodanig ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, dat reden bestaat voor doorbreking van het appelverbod.
- 7.
Uit 3.1 tot en met 3.3 en 6.1 tot en met 6.3 volgt dat de Raad onbevoegd is om van de hoger beroepen kennis te nemen.
- 8.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om van de hoger beroepen kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.J.M. Heijs en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.
(getekend) J.C.F. Talman
(getekend) V.C. Hartkamp
IJ