Het verzoek tot aanhouding is gedaan tijdens de gelijktijdige, doch niet gevoegde, behandeling van de samenhangende zaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. Het verzoek tot aanhouding en de (motivering van de) afwijzende beslissing zijn echter gelijk aan elkaar.
HR, 24-03-2026, nr. 24/00732
ECLI:NL:HR:2026:480
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-2026
- Zaaknummer
24/00732
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:480, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:213
ECLI:NL:PHR:2026:213, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑03‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:480
- Vindplaatsen
Uitspraak 24‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. winkeldiefstal, art. 310 Sr. Aanhoudingsverzoek ttz. in hoger beroep door niet gemachtigde raadsman gedaan op de grond dat verdachte niet is verschenen terwijl zij aan raadsman had laten weten aanwezig te zullen zijn, door hof afgewezen o.g.v. overweging dat voortgang van zaak belangrijk is, verdachte kennelijk geen belangstelling had om aanwezig te zijn en er weinig kans bestaat dat zij op later moment alsnog zal verschijnen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/00729 en 24/00731.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00732
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2024, nummer 21-004027-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.F.J. Kramer bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De Hoge Raad acht geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Conclusie 03‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Middel over afwijzing aanhoudingsverzoek. Om redenen genoemd in vandaag eveneens genomen conclusie in samenhangende zaak 24/00731 faalt middel. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/00731 en 24/00729.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00732
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 28 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004027-23) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00731 en 24/00729. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel is gelijkluidend aan het eerste middel in de samenhangende zaak met nummer 24/00731 waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op hetzelfde aanhoudingsverzoek en dezelfde motivering van de afwijzende beslissing door het hof.1.In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie.
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan eveneens worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. Gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en de te verwachten overschrijding van de redelijke termijn, kan worden volstaan met een constatering van die overschrijding.2.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑03‑2026
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2.