Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.2.8.2
5.2.8.2 Voorrang heeft bij uitwinning dezelfde werking als een voorrecht
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS592306:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Fesevur 1988, p. 189.
Fesevur 1992, p. 25, Suijling 1940, p. 425, annotatie E.M. Meijers onder HR 22 mei 1931, NJ 1931/1429, Meyjes 1931, p. 18. Niettemin wordt het voorrecht wel gezien als een ‘ouder recht op de zaak (mijn cursivering) in de zin van art. 3:90 lid 2 en 3:291 BW. Zie voor dit laatste par. 4.4.4.7. Art. 3:284 lid 1 BW drukt het zo uit, dat de vordering bevoorrecht is ‘op het goed’; art. 3:285 lid 1 BW stelt dat de vordering bevoorrecht is ‘op de zaak’.
Erasmus 1976, p. 28-29, Kisch 1932, p. 199.
Fesevur 1988, p. 190, Fesevur 2017/20.
Zie over het beginsel van paritas creditorum onder meer: Snijders 2003, p. 269-287, Van den Heuvel 2004, p. 61-64, Verstijlen 2006a, p., 1160-1171 en Wessels 2010, p. 334-340.
Verstijlen 2006a, p. 1159.
Overigens betekent dit nog niet dat het retentierecht in staat is om het door verschillende auteurs gesignaleerde verloren evenwicht tussen schuldeisers te herstellen. Zie over het verloren evenwicht onder meer Kaptein 2016, p. 277-294, Kortmann 1991, p. 131 en Mennens 2013, p. 216-219. Voor herstel van het evenwicht tussen schuldeisers komt het retentierecht vermoedelijk te incidenteel voor in het rechtsverkeer.
183. Hoewel de voorrang van de retentor niet voortvloeit uit een voorrecht, maar uit een andere in de wet aangegeven grond in de zin van art. 3:278 lid 1 BW,1 heeft de voorrang van de retentor in het kader van uitwinning dezelfde werking als een (bijzonder) voorrecht. Een voorrecht geeft het recht om met voorrang uit de opbrengst van een executoriale verkoop van het voorwerp, waar het voorrecht betrekking op heeft, te worden voldaan.2 De rang die is verbonden aan het voorrecht manifesteert zich pas op het moment dat er sprake is van verhaal op het vermogen van de schuldenaar en de opbrengst van dat verhaal onvoldoende is om de vorderingen van de verhaalzoekende schuldeisers te voldoen,3 mits de bevoorrechte schuldeiser beslag heeft gelegd. Voor de voorrang van de retentor geldt hetzelfde: de retentor heeft het recht om bij voorrang te worden voldaan uit de opbrengst van de executoriale verkoop van de teruggehouden zaak. De werking van de bijzondere voorrechten en de voorrang van de retentor is niet geheel identiek. Fesevur identificeert een aantal verschillen: onder meer gaat het retentierecht niet noodzakelijkerwijs mee over wanneer de retentor zijn vordering cedeert, terwijl het voorrecht als nevenrecht wel mee overgaat.4
Het verhaalsrecht (in de zin van: het objectieve recht) gaat uit van het beginsel van paritas creditorum: in beginsel hebben de schuldeisers een gelijk recht op voldoening van hun vordering (art. 3:277 BW). Al lange tijd relativeren de vele uitzonderingen op de paritas creditorum dit uitgangspunt echter in vergaande mate.5 Die relativering wordt onder meer veroorzaakt door figuren als pand, hypotheek, leasing en eigendomsvoorbehoud en – zij het in mindere mate – door voorrechten.6 Wel vormen de voorrechten een van de weinige gronden voor voorrang die de schuldeiser rang boven een pand- of hypotheekrecht kunnen geven. Behalve sommige voorrechten, kan ook het retentierecht de schuldeiser voorrang geven boven een pand- of hypotheekrecht.7