Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.4.1
4.4.4.1 De aard van de inrichtingsvrijheid
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368516:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2010, 228 m.nt. Van Ginneken (ASMI).
Zie Dijk/Van der Ploeg, par. 1.3, Van der Ploeg 2000, p. 90, Nowak en Van Duuren, p. 302. Vgl. Van der Ploeg 2013. Vgl. voorts Blanco Fernandez onder 2 van zijn noot bij JOR 2000/145 (HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439, Geestelijk Leider).
Zie hoofdstuk 6.
Zie R.C.J. Galle, De flexibele vereniging, WPNR 6621 (2005), p. 389 en Asser\Van der Grinten-Maeijer 2-II, nr. 318.
Zie over dit beginsel Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-III, nr. 41.
HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439, JOR 2000/145 m.nt. Blanco Fernandez (Geestelijk Leider). Zie ook Van Veen 2011, p. 116.
Zie Barkhuysen en Van Emmerik Preadvies p. 32 en 33.
Tegenover het dwingende recht van Boek 2 BW staat het rechtsbeginsel van de inrichtingsvrijheid. Deze vrijheid is onderkend in de ASMI-beschikking1 waarin de Hoge Raad overwoog dat iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten. Anders dan het dwingende recht heeft deze inrichtingsvrijheid geen grondbepaling, zoals art. 2:25 BW dat is voor het dwingende recht. De inrichtingsvrijheid volgt meer uit het stelsel van de wet, te weten: uit (i) de ruimte die op vele plaatsen in de wet expliciet wordt geboden voor eigen regelingen bij of krachtens de statuten en uit (ii) de impliciete ruimte die wordt geboden indien een wettelijke regeling ontbreekt. Daarmee heeft de inrichtingsvrijheid mijns inziens iets ongrijpbaars.
De inrichtingsvrijheid ligt aldus bezien meer in het toestaan van een afwijkende inrichting of het ontbreken van inrichtingsgeboden, dan in een (geschreven) regel dat alles mag “tenzij”. Dat wreekt zich juist in de gevallen dat het er toe doet. Indien de wet op een bepaald punt onduidelijk is over de mate van inrichtingsvrijheid, kan men wel zeggen dat de inrichtingsvrijheid moet prevaleren bij het ontbreken van duidelijke inrichtingsgeboden, maar dat is dan een cirkelredenering. De discussie gaat dan immers juist over de vraag of die inrichtingsvrijheid er is, of dat (het stelsel van) de wet en/of de redelijkheid en billijkheid toch zo moeten worden toegepast dat er toch inrichtingsgeboden gelden. Een concreet argument waarom de inrichtingsvrijheid in een dergelijk geval van onduidelijkheid zou moeten prevaleren, is niet hard te maken, althans niet zonder duidelijke grondslag voor de inrichtingsvrijheid.
Onder meer Van der Ploeg geeft de inrichtingsvrijheid een meer solide basis door deze te zien als een onderdeel van de vrijheid van vereniging.2 De inrichtingsvrijheid is daarmee meer dan een niet expliciet gecodificeerd rechtsbeginsel, namelijk een mensenrecht met alle daaraan verbonden waarborgen.3 Over de mensenrechtelijke status van de vrijheid van inrichting bestaat echter geen consensus in de literatuur.4 In hoofdstuk 6 zal ter sprake komen dat de jurisprudentie van het EHRM Van der Ploeg gelijk lijkt te geven in de zin dat de vrijheid van vereniging wel degelijk grenzen stelt aan de mogelijkheden van de overheid om zich te bemoeien met de inrichting van rechtspersonen. Evenwel zal daar ook blijken dat de in het EVRM gecodificeerde vrijheid van vereniging slechts een beperkte rol speelt binnen commerciële rechtspersonen. Daarnaast heeft Van der Ploeg zijn eigen opvatting in belangrijke mate gerelativeerd doordat hij de inrichtingseisen, die Boek 2 BW stelt, gelegitimeerd acht. Daardoor is de reikwijdte van de mensenrechtelijke inrichtingsvrijheid in feite even ongrijpbaar als die van het rechtsbeginsel.
In de literatuur wordt de grondslag van de inrichtingsvrijheid gezocht in het beginsel van de partijautonomie.5 Over de relatie tussen deze autonomie en de inrichtingsvrijheid stelt Blanco Fernandez het volgende in zijn noot bij de Geestelijk Leider-beschikking:6
“De beslissing van het hof, die door de Hoge Raad wordt gesanctioneerd, gaat impliciet ervan uit dat de oprichter van een stichting een ruime vrijheid heeft om de statuten naar eigen inzicht in te richten. Aangenomen moet worden dat de toekenning van belangrijke bevoegdheden aan bepaalde personen of instanties buiten de stichting binnen die vrijheid valt. De marges van de vrijheid van statutaire inrichting dienen zeer ruim te worden getrokken. In deze zaak berustte de statutaire inrichting grotendeels op overwegingen van religieuze aard, maar diezelfde vrijheid geldt ook buiten een religieuze context. Immers de reden waarom de rechtsorde de vrijheid van statutaire inrichting erkent, nl. de aanvaarding van de autonomie van de mens bij de invulling van zijn rechtsbetrekkingen, geldt ongeacht de aard van de overwegingen die bij de opstelling van de statuten spelen. Waar het om gaat is dat die overwegingen niet in strijd zijn met de rechtsorde.”
In hoofdstuk 6 zal ter sprake komen dat het vanuit art. 11 EVRM bezien wel degelijk uit kan maken of een statutaire inrichting berust op overwegingen van religieuze aard, of op commerciële overwegingen. Dat doet er niet aan af dat binnen de context van de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en/of de vrijheid van inrichting een ruimere betekenis kan toekomen aan de partijautonomie.7