Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.3.2
3.2 Is artikel 1:95 lid 1 BW van toepassing bij een gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten?
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948123:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/13.1.
Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/302; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 147; C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 118; T.H. Sikkema, ‘Zaaksvervanging bij gezamenlijke verkrijging door echtgenoten’, FTV 2020/28; R.E. Brinkman e.a., ‘Zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7198 en W.G. Huijgen, ‘Nieuw huwelijksvermogensrecht: opnieuw een aandachtspunt gesignaleerd’, JBN 2018/33.
Zie Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 9, p. 9.
Vgl. S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/13.1.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 33 987, nr. 17, p. 10.
Zie Kamerstukken II 2005/06, 28 867, nr. 9, p. 8-9.
Zie paragraaf 3.2 van hoofdstuk 7.
Zie paragraaf 3.3 van hoofdstuk 7.
Zie paragraaf 5.3 van hoofdstuk 3, en vgl. paragraaf 2.3 hiervóór.
442. Zoals in de inleiding van deze paragraaf reeds aangegeven, bestaat er in de literatuur geen eenduidige opvatting over de vraag of artikel 1:95 lid 1 BW überhaupt wel geldt wanneer een goed door de echtgenoten gezamenlijk wordt verkregen. Met name Perrick is van mening dat artikel 1:95 lid 1 BW in dat geval in het geheel niet van toepassing is.1 Anderen menen evenwel dat er geen goede reden is om bij een gezamenlijke verkrijging door de echtgenoten aan artikel 1:95 lid 1 BW haar werking te ontzeggen.2 In de tekst van artikel 1:95 lid 1 BW is geen directe aanwijzing voor de ene of de andere visie te vinden, terwijl beide kampen ter ondersteuning van hun standpunt een beroep kunnen doen op passages uit de parlementaire geschiedenis. Zo is in de toelichting op artikel 1:95 lid 1 BW het volgende te lezen (onderstreping en dikgedrukte passages TS):3
“[…] De regel van artikel 124, tweede lid, geldt immers niet in plaats van de Modehuis Nolly-regel maar slechts in aanvulling daarop, ter bepaling of een goed in de huwelijksgemeenschap valt. Primair geldt dus dat een huis door levering aan beide echtgenoten eigendom wordt van beide echtgenoten, en door levering aan één der echtgenoten van die ene echtgenoot. Artikel 124, tweede lid, speelt slechts een rol bij de vervolgvraag of een goed dat aan één echtgenoot is geleverd in de huwelijksgemeenschap valt. […]
Ten aanzien van het voorgestelde recht geven de beschouwingen van Breedveld-de Voogd en Huijgen aanleiding tot de volgende verduidelijking.
Het voorgestelde artikel 95, eerste lid, vindt geen toepassing in plaats van de regel van Modehuis Nolly, maar (evenals thans artikel 124, tweede lid) in aanvulling daarop. De bepaling doet derhalve niets af aan het uitgangspunt dat degene aan wie een (register)goed wordt geleverd daarvan ook eigenaar wordt. Levering aan beide echtgenoten leidt dus tot gezamenlijke eigendom. Slechts voor de vraag of een goed dat is geleverd aan één echtgenoot in de huwelijksgemeenschap valt, wordt het huidige recht (analoge toepassing van artikel 124, tweede lid) doorgetrokken.[…].”
Uit de woorden ‘aan één echtgenoot’ kan worden afgeleid dat de wetgever de regeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen alléén van toepassing heeft willen laten zijn wanneer het vervangende goed uitsluitend wordt geleverd aan de echtgenoot van wie het verloren goed daarvóór was, en dus niet in die gevallen dat het vervangende goed aan beide echtgenoten wordt geleverd.4 Eenzelfde aanwijzing kan worden gevonden in de parlementaire geschiedenis van de Wet beperking gemeenschap van goederen, waar de initiatiefnemers ingaan op de casus dat een vrouw reeds vóór het huwelijk een auto had die daardoor buiten de huwelijksgemeenschap viel, welke auto zij tijdens het huwelijk heeft ingeruild voor een andere auto, die zij voor meer dan de helft betaalde uit de inruilprijs van haar oude auto en voor de rest uit middelen van de huwelijksgemeenschap. De initiatiefnemers vervolgen dan (onderstreping en dikgedrukte passage TS):5
“Op grond van de zaaksvervangingsregeling (artikel 95 lid 1 ) is de auto (Alfa) gefinancierd voor meer dan de helft met privévermogen van de vrouw (de auto was immers voorhuwelijks vermogen) en wordt de aangekochte Alfa, voor zover die aan haar wordt geleverd, evenzo haar privévermogen, dan wel, indien aan de man of aan hen gezamenlijk wordt geleverd of indien dat niet meer kon worden vastgesteld (artikel 94 lid 8) een zaak die in de gemeenschap valt […].”
Voorstanders van de opvatting dat artikel 1:95 lid 1 BW onverkort geldt wanneer een goed gezamenlijk aan de beide echtgenoten wordt geleverd, verwijzen op hun beurt naar weer een andere passage uit de parlementaire toelichting bij artikel 1:95 lid 1 BW. Het gaat dan om de volgende passage, waarbij men zich dan beperkt tot de laatste twee zinnen (die in het citaat hieronder door mij onderstreept zijn), en waarbij de woorden ‘al dan niet’ (in het citaat hieronder door mij dikgedrukt) door de betreffende schrijvers worden uitgelicht:6
“Naar huidig recht is primair van belang aan wie het goed wordt geleverd. Uit het bekende arrest Modehuis Nolly (Hoge Raad 2 april 1976, NJ 1976, 450) vloeit voort dat wanneer een huis wordt geleverd aan de ene echtgenoot, die echtgenoot zelf eigenaar wordt. Hij kan niet bewerkstelligen dat in zijn plaats de andere echtgenoot eigenaar wordt: middellijke vertegenwoordiging is bij registergoederen en andere goederen op naam ingevolge genoemd arrest niet mogelijk. Wel zal het huis eventueel in de huwelijksgemeenschap vallen, zodat de andere echtgenoot mede-eigenaar wordt. Het bestaan van de huwelijksgemeenschap kan worden nagegaan aan de hand van het huwelijksgoederenregister. Niet steeds zal overigens zeker zijn dat het goed in de huwelijksgemeenschap valt (zoals niet het geval is bij verkrijging op grond van een schenking of making met uitsluitingsclausule). Wel staat vast wie eigenaar is in alle gevallen dat het goed niet is geleverd aan één der echtgenoten maar aan beide echtgenoten tezamen. Zij zijn dan samen eigenaar, ongeacht of het goed al dan niet in de huwelijksgemeenschap valt.”
De betreffende passage is wat ruimer geciteerd dan enkel de laatste twee zinnen, omdat daarmee duidelijk wordt in welke context die laatste twee zinnen moeten worden gelezen. Uit die context kan immers niet stellig worden afgeleid dat artikel 1:95 lid 1 BW ook bij een gezamenlijke verkrijging door de echtgenoten van toepassing zou zijn. Met de constatering dat ‘wanneer het goed aan beide echtgenoten is geleverd, zij samen eigenaar zijn, ongeacht of het goed al dan niet in de huwelijksgemeenschap valt’ lijkt niet specifiek op de regeling van zaaksvervanging te worden geduid. In de zin die onmiddellijk aan die passage voorafgaat, wordt namelijk geschreven (onderstreping TS):
“[…] Niet steeds zal overigens zeker zijn dat het goed in de huwelijksgemeenschap valt (zoals niet het geval is bij verkrijging op grond van een schenking of making met uitsluitingsclausule).[…].”
Dat een goed dat door de beide echtgenoten gezamenlijk is verkregen buiten de huwelijksgemeenschap valt, lijkt dus vooral in verband gebracht te worden met de titel van die verkrijging of met de aanwezigheid van een uitsluitingsclausule, en niet zozeer met artikel 1:95 lid 1 BW. Ten aanzien van artikel 1:95 lid 1 BW wordt aan het begin van de geciteerde passage alleen maar opgemerkt dat primair van belang is aan wie het goed wordt geleverd. Artikel 1:95 lid 1 BW is dus uitsluitend relevant voor de daaropvolgende vraag of het geleverde goed wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt. Voor het antwoord op die vraag zou dan overeind blijven dat een goed alléén buiten de huwelijksgemeenschap kan vallen, wanneer het uitsluitend is geleverd aan de echtgenoot uit wiens privévermogen de tegenprestatie is voldaan. Op grond van het voorgaande lijkt de parlementaire geschiedenis erop te duiden dat artikel 1:95 lid 1 BW niet van toepassing is wanneer het vervangende goed aan beide echtgenoten gezamenlijk wordt geleverd. De parlementaire geschiedenis heeft echter geen kracht van wet. Bovendien wordt in geen van de passages duidelijk gemaakt waaróm artikel 1:95 lid 1 BW niet bij een gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten zou gelden. In de kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht is daar eigenlijk geen goede reden voor. In de alternatieve opvatting is die reden er juist wél. Dit kan als volgt worden toegelicht.
443. In hoofdstuk 7 is uiteengezet dat de goederenrechtelijke rechtsbetrekking die de regeling van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen beoogt te beschermen, de enig eigendomspositie van een echtgenoot is.7 Die positie dreigt door de werking van boedelmenging aangetast te worden. Waar een echtgenoot enig eigenaar van het verloren goed was (het 'eigen vermogen'), wordt dat verloren goed vervangen door een goed dat door de werking van boedelmenging gemeenschappelijk eigendom dreigt te worden. Zaaksvervanging beoogt dat te voorkomen, en in die zin kwalificeert zaaksvervanging als een uitzondering op de werking van boedelmenging. In hoofdstuk 7 is echter óók uiteengezet dat voor het ingrijpen middels zaaksvervanging altijd een nadere rechtvaardiging nodig is.8 Die nadere rechtvaardiging is er onder meer in gelegen dat niet mag worden ingegrepen wanneer de door zaaksvervanging te beschermen rechtsbetrekking wordt aangetast door direct toedoen van het te beschermen rechtssubject zelf. Juist in dít criterium onderscheidt de kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht zich van de alternatieve opvatting daarover. Gaat men uit van de kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht, dan kwalificeert een aandeel in een gemeenschappelijk goed als een afzonderlijk goed. Wordt een goed aan de beide echtgenoten gemeenschappelijk geleverd, dan verkrijgt ieder van hen dus een eigen aandeel in dat goed, welk aandeel voor ieder van hen als afzonderlijk goed kwalificeert. Heeft een echtgenoot de tegenprestatie voor de verkrijging van zijn aandeel voor meer dan de helft ten laste van zijn eigen vermogen voldaan, dan is sprake van een situatie waarbij eigen vermogen van die echtgenoot wordt vervangen door een ander goed (het betreffende aandeel), welk vervangende goed uitsluitend aan hem is geleverd (en niet mede aan de andere echtgenoot). Dat vervangende goed dreigt vervolgens door de werking van boedelmenging gemeenschappelijk te worden. Daardoor dreigt de enig eigendomspositie van de betreffende echtgenoot aangetast te worden, en wel buiten toedoen van die echtgenoot om. Hij heeft het betreffende aandeel immers uitsluitend aan zichzelf laten leveren. De echtgenoot zélf heeft er dus niet direct de hand in dat het vervangende goed gemeenschappelijk dreigt te worden. Daarmee is aan alle voorwaarden voor toepassing van de regels voor zaaksvervanging voldaan, en is er geen goede reden om aan die regels hun werking te ontzeggen.
444. Volgt men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap, dan ligt dat anders. In die alternatieve opvatting kwalificeert een aandeel immers als de aanduiding per afzonderlijke deelgenoot van het absolute/exclusieve effect van ieders verkrijging van de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’).9 In de alternatieve opvatting heeft ieder van de deelgenoten derhalve iedere zaak of ieder vermogensrecht als geheel verkregen. Dat geldt dus óók als echtgenoten gemeenschappelijk een goed hebben verkregen. Ook in dat geval heeft ieder van hen de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogens als geheel (‘als zodanig’) verkregen. Heeft een echtgenoot in dat geval meer dan de helft van de tegenprestatie voor de verkrijging van (zijn ‘aandeel in’) het gemeenschappelijke goed ten laste van zijn eigen vermogen voldaan, dan kunnen de regels van zaaksvervanging niet meer in de daaropvolgende werking van boedelmenging ingrijpen. De betreffende echtgenoot heeft er immers zélf voor gezorgd dat het vervangende goed (i.e. de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht ‘als zodanig’) ook aan de andere echtgenoot is gaan toebehoren; hij heeft toegestaan dat de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht ook aan de andere echtgenoot is geleverd. Daarmee is het vervangende goed reeds vóór de werking van boedelmenging aan de beide echtgenoten gemeenschappelijk gaan toebehoren, en wel door toedoen van de betreffende echtgenoot zélf. De goederenrechtelijke rechtsbetrekking die artikel 1:95 lid 1 BW beoogt te beschermen (i.e. de enig eigendomspositie van een echtgenoot) is daarmee door eigen toedoen van de te beschermen echtgenoot aangetast reeds voor de werking van boedelmenging dat dreigt te doen. Voor ingrijpen via de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW bestaat dan geen rechtvaardiging meer.
445. De conclusie van dit alles is dat uit de parlementaire geschiedenis lijkt te volgen dat artikel 1:95 lid 1 BW niet van toepassing is wanneer het vervangende goed door de beide echtgenoten gezamenlijk wordt verkregen. Volgt men kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht, dan is daar eigenlijk geen goede reden voor. De meeste schrijvers gaan er dan ook van uit dat artikel 1:95 lid 1 BW óók van toepassing is wanneer het vervangende goed door de beide echtgenoten gemeenschappelijk wordt verkregen. Volgt men de kwalificatie van de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap naar geldend recht, dan lijkt mij dat juist. Volgt men daarentegen de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap, dan is er alle reden om aan te nemen dat bij een gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten artikel 1:95 lid 1 BW niet toegepast kan worden. In dat geval wordt het vervangende goed als geheel (‘als zodanig’) door beide echtgenoten afzonderlijk verkregen, zodat er in dat geval onvoldoende rechtvaardiging bestaat om middels zaaksvervanging in de werking van boedelmenging in te grijpen.