Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 07-11-2024, nr. C-291/23
ECLI:EU:C:2024:938
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
07-11-2024
- Magistraten
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
- Zaaknummer
C-291/23
- Roepnaam
Hantoch
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Erfrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:938, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑11‑2024
Uitspraak 07‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Rechterlijke bevoegdheden in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 650/2012 — Artikel 10, lid 1 — Subsidiaire bevoegdheid op het gebied van erfopvolging — Erflater die op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats in een derde staat had — Criterium van de plaats van goederen van de nalatenschap in een lidstaat — Beslissend moment — Beoordeling op het tijdstip van overlijden
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-291/23 [Hantoch]i., *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 27 april 2023, ingekomen bij het Hof op 8 mei 2023, in de procedure
LS
tegen
PL,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias en E. Regan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door I. Herranz Elizalde als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Hohenecker en W. Wils als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LS en PL betreffende de nalatenschap van een in Egypte overleden persoon.
Toepasselijke bepalingen
3
De overwegingen 7, 23, 30 en 37 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt:
- ‘(7)
De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.
[…]
- (23)
Gelet op de toenemende mobiliteit van burgers en teneinde de goede rechtsbedeling in de Europese Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat er een echte band bestaat tussen de erfopvolging en de lidstaat waar de bevoegdheid wordt uitgeoefend, moet deze verordening erin voorzien dat de gewone verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden als algemeen aanknopingspunt geldt voor het bepalen van zowel de bevoegdheid als het toepasselijke recht. Om de gewone verblijfplaats vast te stellen, dient de aangezochte autoriteit zich een oordeel te vormen over alle aspecten die het leven van de erflater in de jaren voor zijn overlijden en op het tijdstip van overlijden hebben gekenmerkt, en daarbij alle relevante feitelijke elementen in beschouwing te nemen, in het bijzonder de duur en de regelmatigheid van de aanwezigheid van de erflater in de betrokken staat en de omstandigheden van en de redenen voor het verblijf. De aldus vastgestelde gewone verblijfplaats moet, uit het oogpunt van de specifieke doelstellingen van deze verordening, duiden op een nauwe en duurzame band met de betrokken staat.
[…]
- (30)
Om ervoor te zorgen dat de gerechten van alle lidstaten op dezelfde gronden bevoegdheid inzake de erfopvolging kunnen uitoefenen in gevallen waarin de erflater op het tijdstip van overlijden niet zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat had, dient deze verordening limitatief, in een hiërarchische volgorde, de gronden op te sommen, op grond waarvan deze subsidiaire bevoegdheid kan worden uitgeoefend.
[…]
- (37)
Om burgers zonder verlies aan rechtszekerheid te laten profiteren van de voordelen van de interne markt, moet deze verordening het hun mogelijk maken van tevoren het recht te kennen dat op hun nalatenschap van toepassing zal zijn. Geharmoniseerde collisieregels moeten worden vastgesteld om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. De hoofdregel moet ervoor zorgen dat de erfopvolging op voorzienbare wijze wordt beheerst door een recht waarmee het nauw verbonden is. Dat recht moet, ter wille van de rechtszekerheid en om versnippering van de nalatenschap te voorkomen, de gehele erfopvolging beheersen, dat wil zeggen alle bestanddelen ervan, ongeacht hun aard en ongeacht de vraag of deze zich in een andere lidstaat dan wel in een derde staat bevinden.’
4
Hoofdstuk II (‘Bevoegdheid’) van deze verordening bevat onder meer de artikelen 4 en 10.
5
Artikel 4 (‘Algemene bevoegdheid’) van die verordening bepaalt:
‘De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.’
6
In artikel 10 (‘Subsidiaire bevoegdheid’) van dezelfde verordening staat te lezen:
- ‘1.
Indien de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat had, zijn de gerechten van een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden toch bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel voor zover:
- a)
de erflater op het tijdstip van overlijden de nationaliteit van die lidstaat had; of, als dat niet het geval is,
- b)
de erflater zijn vorige gewone verblijfplaats in deze lidstaat had, mits er op het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt een termijn van niet meer dan vijf jaar is verstreken sedert deze gewone verblijfplaats is gewijzigd.
- 2.
Indien geen enkel gerecht in een lidstaat op grond van lid 1 bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden ter zake van die goederen toch bevoegd.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
7
De erflater is geboren in Egypte en heeft jarenlang in Duitsland gewoond en gewerkt, waar hij ook een gezin heeft gesticht. Op het tijdstip van zijn overlijden in Egypte, te weten 18 maart 2017, had hij zowel de Duitse als de Egyptische nationaliteit.
8
Nadat de erflater in Duitsland was gestopt met werken verbleef hij voornamelijk in Egypte. Hij genoot er een Duitse ziektekostenverzekering en een Duits ouderdomspensioen, waarbij hij door middel van periodieke overschrijving de uitkeringen overmaakte van een speciaal hiervoor aangehouden Duitse bankrekening naar zijn Egyptische bankrekening. Daar hij zijn ouderdomspensioen uit hoofde van de Duitse pensioenregeling voor artsen ontving, was hij ook belastingplichtig in Duitsland.
9
LS en PL zijn de bloedverwanten in neergaande lijn van de erflater. PL is de enige erfgenaam krachtens testament.
10
LS heeft bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland), de verwijzende rechter, een verzoek ingediend om van PL bepaalde informatie te verkrijgen alsmede de betaling van een som geld uit hoofde van een recht op een wettelijk erfdeel. Volgens haar is deze rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van haar verzoek. Zij stelt dat de erflater op het tijdstip van het openvallen van de nalatenschap beschikte over goederen van de nalatenschap in Duitsland, waarbij deze naast de aangehouden tegoeden bij de Duitse bank met name bestonden in schuldvorderingen jegens de belastingdienst en jegens een particuliere ziektekostenverzekeraar.
11
PL betwist de internationale bevoegdheid van de verwijzende rechter.
12
Volgens de verwijzende rechter had de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats, in de zin van artikel 4 van verordening nr. 650/2012, in Egypte. Subsidiair kan de bevoegdheid van deze rechter evenwel worden gebaseerd op artikel 10, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012, omdat goederen van de nalatenschap zich in Duitsland bevinden. Deze rechter heeft echter twijfels over de uitlegging van deze bepaling.
13
De verwijzende rechter merkt namelijk op dat de Duitse rechtsleer verdeeld is over de vraag op welk tijdstip de voorwaarde dient te worden beoordeeld dat goederen van de nalatenschap zich in de lidstaat van het aangezochte gerecht bevinden in de zin van artikel 10, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012. Volgens sommigen is het tijdstip van overlijden bepalend, terwijl anderen van oordeel zijn dat moet worden uitgegaan van het tijdstip van het instellen van de rechtsvordering.
14
Volgens deze rechter is het antwoord op deze vraag doorslaggevend, aangezien in casu op het tijdstip van overlijden van de erflater zijn Duitse bankrekening, als goed van de nalatenschap dat zich in Duitsland bevindt, een positief saldo vertoonde, maar deze rekening al was opgeheven toen het beroep in het hoofdgeding werd ingesteld.
15
Tegen deze achtergrond heeft het Landgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet bij de uitlegging van artikel 10 van verordening nr. 650/2012 met betrekking tot de vraag of goederen van de nalatenschap zich in de lidstaat van het aangezochte gerecht bevonden, worden uitgegaan van het tijdstip van het openvallen van de nalatenschap of van het tijdstip van het instellen van de rechtsvordering?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
16
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 1, van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of de subsidiaire bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar goederen van de nalatenschap zich bevinden kan worden uitgeoefend teneinde uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel, moet worden nagegaan of die goederen zich in die lidstaat bevinden op het tijdstip waarop de zaak bij die gerechten aanhangig wordt gemaakt dan wel op het tijdstip van overlijden.
17
Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 1 augustus 2020, Sea Watch, C-14/21 en C-15/21, EU:C:2022:604, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 650/2012 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling een bevoegdheidsregel bevat die voorschrijft dat indien de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat had, de gerechten van een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden toch bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel, voor zover de erflater op het tijdstip van overlijden de nationaliteit van die lidstaat had of, als dat niet het geval is, zijn vorige gewone verblijfplaats in die lidstaat had.
19
Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 650/2012 verduidelijkt weliswaar niet welk tijdstip in aanmerking moet worden genomen om te bepalen of goederen van de nalatenschap zich in een lidstaat bevinden, maar artikel 10, lid 1, onder a), van deze verordening bepaalt uitdrukkelijk dat ‘het tijdstip van overlijden’ het relevante tijdstip is voor de vaststelling van zowel de lidstaat waar de belanghebbende zijn gewone verblijfplaats had als de nationaliteit van laatstgenoemde. Wat artikel 10, lid 1, onder b), van deze verordening betreft, moet rekening worden gehouden met de ‘vorige’ gewone verblijfplaats van de erflater wanneer hij op het tijdstip van overlijden niet de nationaliteit van de betrokken lidstaat had.
20
Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 650/2012 baseert de subsidiaire bevoegdheid van de lidstaat waar goederen van de nalatenschap zich bevinden dus op voorwaarden waaraan uiterlijk op het tijdstip van overlijden moet zijn voldaan.
21
Wat in de tweede plaats de context van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 650/2012 betreft, blijkt zowel uit de artikelen 4 en 10 als uit de overwegingen 23 en 30 ervan dat, om te bepalen of is voldaan aan de criteria voor algemene bevoegdheid of subsidiaire bevoegdheid, volgens die verordening in het algemeen moet worden uitgegaan van het tijdstip van overlijden.
22
Deze omstandigheid lijkt ook aan te tonen dat, tenzij anders is bepaald, op dit tijdstip moet worden beoordeeld of is voldaan aan een van deze bevoegdheidscriteria, in casu het criterium inzake het bestaan van goederen van de nalatenschap in de lidstaat van het aangezochte gerecht zoals bepaald in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 650/2012.
23
Die bevoegdheidscriteria hebben trouwens tot doel de aanknopingspunten vast te stellen tussen de erflater en de lidstaat die de bevoegdheid uitoefent. In deze omstandigheden is het logisch dat er rekening wordt gehouden met de situatie van de goederen op het tijdstip van overlijden van de erflater die er de eigenaar van was.
24
In de derde plaats wordt deze uitlegging bevestigd door de door deze verordening nagestreefde doelstellingen die, zoals blijkt uit de overwegingen 7 en 37, met name erin bestaan te verzekeren dat burgers in volle rechtszekerheid en op voorzienbare wijze op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren alsmede de rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap daadwerkelijk te garanderen.
25
De verwezenlijking van deze doelstellingen zou namelijk in het gedrang worden gebracht indien de rechterlijke bevoegdheid kan afhangen van omstandigheden die zich voordoen na het overlijden, zoals de vereffening of de overdracht van de goederen van de nalatenschap naar een andere lidstaat na het overlijden.
26
Hieruit volgt dat, om te bepalen of krachtens artikel 10, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012 de subsidiaire bevoegdheid van het aangezochte gerecht kan worden uitgeoefend gelet op het bestaan van goederen van de nalatenschap in de lidstaat van dit gerecht, moet worden uitgegaan van het tijdstip van overlijden en niet van het tijdstip waarop de zaak bij dat gerecht aanhangig wordt gemaakt.
27
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 10, lid 1, van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of de subsidiaire bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar goederen van de nalatenschap zich bevinden kan worden uitgeoefend teneinde uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel, moet worden nagegaan of die goederen zich in die lidstaat bevinden op het tijdstip van overlijden, en niet op het tijdstip waarop de zaak bij die gerechten aanhangig wordt gemaakt.
Kosten
28
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 10, lid 1, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring
moet aldus worden uitgelegd dat
om te bepalen of de subsidiaire bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar goederen van de nalatenschap zich bevinden kan worden uitgeoefend teneinde uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel, moet worden nagegaan of die goederen zich in die lidstaat bevinden op het tijdstip van overlijden, en niet op het tijdstip waarop de zaak bij die gerechten aanhangig wordt gemaakt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑11‑2024
Procestaal: Duits.