Uit het mutatierapport (PL0600-2019111461-1, blad 5), dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, blijkt dat de klager in de samenhangende zaak 19/03454B, [betrokkene 1], de beslagene is.
HR, 29-09-2020, nr. 19/03452
ECLI:NL:HR:2020:1512
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-09-2020
- Zaaknummer
19/03452
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1512, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 29‑09‑2020; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:868
ECLI:NL:PHR:2020:868, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 30‑06‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1512
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2020-0308
Uitspraak 29‑09‑2020
Inhoudsindicatie
Beklag op auto met spullen onder ander dan klager (passagier auto) t.z.v. verdenking van heling, waarna auto en zich daarin bevindende spullen zijn teruggegeven aan Bulgaars autobedrijf en Rb klager n-o heeft verklaard in zijn beklag. Had Rb art. 116.3 Sv moeten toepassen? HR: Op redenen vermeld in CAG, leidt middel niet tot cassatie. CAG: Opvatting dat Rb, niettegenstaande teruggave van auto aan rechthebbende, klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat klaagschrift mede moet worden opgevat als beklag ex art. 116.3 Sv, is onjuist, nu die bepaling ziet op beklag van degene bij wie voorwerp in beslag is genomen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3106). Aangezien Rb niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat auto (met de zich daarin bevindende spullen) in beslag is genomen onder ander dan klager, heeft Rb klaagschrift terecht n-o verklaard. Het voorgaande brengt mee dat klager niet kan worden ontvangen in beroep, nu beslag op auto door teruggave inmiddels is beëindigd (art. 134.2.a Sv). Volgt n-o verklaring van beroep. Samenhang met 19/03454 B.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/03452 B
Datum 29 september 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 18 juli 2019, nummer RK 19/4626, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2020.
Conclusie 30‑06‑2020
Inhoudsindicatie
Beklag tegen beslag, art. 552a en 116.3 Sv. Ontvankelijkheid klager (niet zijnde beslagene) in klaagschrift. Rb heeft klager n-o verklaard omdat de onder een ander inbeslaggenomen auto – met de zich daarin bevindende spullen – is teruggeven aan de rechthebbende. HR verklaart klager n-o in het beroep onder verwijzing naar conclusie AG inhoudende: Het middel berust op de opvatting dat de rb, niettegenstaande de teruggave van de auto aan de rechthebbende, het klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat het klaagschrift mede moet worden opgevat als een beklag ex art. 116.3 Sv. Die opvatting is onjuist, in aanmerking genomen dat die bepaling ziet op een beklag van degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (ECLI:NL:HR:2014:3106). Nu de rb niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de auto - met de zich daarin bevindende spullen - in beslag is genomen onder een ander dan klager, heeft de rb het klaagschrift terecht n-o verklaard. Het voorgaande brengt mee dat klager niet kan worden ontvangen in het beroep, nu het beslag op de auto door teruggave inmiddels is beëindigd. Samenhang met 19/03454.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03452 B
Zitting 30 juni 2020
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de klager.
1. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft de klager bij beschikking van 18 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag gericht tegen de zich in de onder een ander1.inbeslaggenomen auto (Mercedes A180 met Bulgaars kenteken [kenteken]) bevindende goederen (rookwaren, kleding, schoeisel en papieren van de ING-bank).
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/03454B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.
4.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De procedure
Uit het politiedossier blijkt dat op 13 maart 2019 in beslag is genomen een Mercedes A180 met Bulgaars kenteken [kenteken]. Klager was passagier in deze auto.
Op 22 mei 2019 is bij deze rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klager ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, welk klaagschrift betrekking heeft op de verschillende goederen die zich in deze auto zouden bevinden, te weten rookwaren, kleding en schoeisel en papieren van de ING-bank.
Het onderzoek in raadkamer
In openbare raadkamer van 18 juli 2019 zijn gehoord:
- mr. S. van Minderhout, ter vervanging van mr. A.W.A.P. Doesburg;
- de officier van justitie.
De raadkamer deelt mee dat er twee aanvullende processen-verbaal van politie zijn binnengekomen, waaruit blijkt dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf [A].
Het standpunt van klager
In het klaagschrift heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de onder klager inbeslaggenomen goederen aan hem moeten worden geretourneerd. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd klager eigenaar is van de vermelde goederen. Hij heeft deze goederen niet door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan de rechthebbende. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en voortduring daarvan, om hij hierdoor in zijn eigendomsrecht wordt beperkt. Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave, nu immers de strafzaken tegen klager en (medeverdachte) [betrokkene 1] zijn geseponeerd.
Ter zitting heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de raadkamer.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, te weten een leasemaatschappij in Bulgarije. Het klaagschrift dient derhalve ongegrond verklaard te worden.
De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van die procedure, niet anders dan summier kan zijn.
Het is niet komen vast te staan dat het beslag onrechtmatig is.
Uit de aanvullende processen-verbaal is komen vast te staan dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf. Ingevolge artikel 134, lid 2, Sv wordt het beslag beëindigd doordat het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven. Door de teruggave van de auto is het beslag derhalve beëindigd. Nu er geen beslag meer ligt, dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn klaagschrift. Dit geldt ook voor de goederen die zich volgens klager in de auto bevonden.
De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.
De beslissing
De raadkamer
verklaart klager niet-ontvankelijk in het klaagschrift.”
4.3.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de klager ontvankelijk is in zijn beklag, omdat de auto is teruggegeven aan een ander dan de beslagene, terwijl art. 116, derde lid, Sv niet is toegepast, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof die teruggave nog niet had plaatsgevonden.
4.4.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de auto, waarin de goederen waarvan door de klager de teruggave wordt verzocht zich bevonden, op 13 maart 2019 in beslag is genomen en de klager passagier in deze auto was. Als gezegd blijk uit een zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindend mutatierapport dat de auto onder [betrokkene 1] (de bestuurder van de auto) in beslag is genomen. In het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 18 juli 2019 heeft de raadkamer opgemerkt dat er geen apart beslag is gelegd op de spullen in de auto. Voorts heeft de rechtbank in de bestreden beschikking vastgesteld dat de auto, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf [A].2.
4.5.
Het middel berust op de opvatting dat de rechtbank, niettegenstaande de teruggave van de auto aan de rechthebbende autobedrijf [A], het klaagschrift ontvankelijk had moeten achten, omdat het klaagschrift mede moet worden opgevat als een beklag in de zin van art. 116, derde lid, Sv. Die opvatting is onjuist, in aanmerking genomen dat die bepaling ziet op een beklag van degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (vgl. o.a. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106). In deze zaak is, zoals de rechtbank - in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, de auto - met de zich daarin bevindende spullen - in beslag genomen onder [betrokkene 1] en niet onder de klager. De Rechtbank heeft het klaagschrift dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.3.
4.6.
Het voorgaande brengt mee dat de klager, nu het beslag op de auto door de teruggave daarvan is beëindigd (art. 134, tweede lid, onder a Sv) niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep.4.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑06‑2020
Uit het aanvullende proces-verbaal d.d. 10 juli 2019 (PL0600-2019111461-23) blijkt dat de auto op 26 maart 2019 is overgedragen aan een speciaal naar Nederland afgereisde “vertegenwoordiger” van de in Bulgarije gevestigde leasemaatschappij.
Vgl. HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1017 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3106.
Vgl. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:756.