Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/9.9
9.9 Bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving?
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS499954:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie De Hulk, Materieel strafrecht (2009), p. 530-532.
Zie art. 257a e.v. Sv voor de strafbeschikking. De strafbeschikking is ingevoerd bij de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330). Voorzien wordt in een zelfstandige sanctiebevoegdheid voor het OM. Het OM heeft de bevoegdheid zelfstandig, zonder tussenkomst van de rechter, een sanctie op te leggen ter zake van overtredingen en misdrijven waarop een gevangenisstraf is gesteld van maximaal zes jaar. Indien de verdachte zich niet kan verenigen met de door het OM opgelegde strafbeschikking kan hij hiertegen verzet aantekenen bij de strafrechter. Wanneer de verdachte dit doet, herneemt het strafproces zijn normale gang. De strafrechter beoordeelt het onderliggende strafbare feit, niet de ter zake daarvan door het OM opgelegde strafbeschikking.
Doorenbos plaatst een aantal kritische kanttekeningen indien een dergelijke switch in een laat stadium wordt gemaakt. Zie Doorenbos, Serie OO&R, deel 40(2007), p. 548-549.
Zie Stcrt. 2009, 9.
Zie hiervoor Kamerstukken II, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 19. Met het instellen van het Functioneel Parket is beoogd de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door het OM op een hoger peil te brengen, onder meer door expertise op bijzondere handhavingsterreinen — zoals op het gebied van economie en milieu — te bundelen.
Zie voor het Tripartiete Overleg ook Kamerstukken H, 2004-2005, 29 827, nr. 3, p. 19.
In het Convenant wordt in art. 3 lid 1 onderdeel b nog verwezen naar art. 5:59 Wft, welke bepaling met ingang van 1 januari 2009 is vervangen door art. 5:25i Wft.
Zie Kamerstukken H, 2003-2004, 29 370, nis. 1-2 voor een evaluatie van de Wet tot invoering van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete in de financiële wetgeving (ook wel bekend als de Wet IDBB). De uitkomst van deze evaluatie was dat de doelstellingen van de Wet IDBB grotendeels waren gerealiseerd, maar dat er nog wel enige uitdagingen resteerden. Zie Hartmann, NJB 2004, p. 1068-1073.
Zie Kamerstukken II, 2003-2004, 29 708, nr. 3, p. 18.
Zie Kamerstukken II, 2004-2005, 30 125, nr. 2, p. 4.
Onder omstandigheden zou in dat geval ook een strafvervolging kunnen worden ingesteld op grond van overtreding door de uitgevende instelling van het verbod van marktmanipulatie (art. 5:58 lid 1 onderdeel d Wft) (zie § 9.9.1).
Zie Kamerstukken H, 2007-2008, 31 458, nr. 3, p. 3. Hoewel in de aangehaalde passage gesproken wordt over 'financiële instellingen' (en de wetgever wederom miskent dat de Wet op het financieel toezicht niet uitsluitend over financiële instellingen handelt) is er mijns inziens geen reden anders te oordelen over door uitgevende instellingen begane wetsovertredingen.
De verjaringstermijn van een overtreding van de openbaannakingsplicht is drie jaar (in geval van een overtreding) of zes jaar (in geval van een misdrijf). Zie hiervoor art. 1 onderdeel 2°, art. 2 lid 1 en art. 6 lid 1 WED j° art. 70 lid 1 onderdeel 1° en 2° Sr. Aan deze overweging komt minder betekenis toe nu de vervaltermijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als gevolg van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht vijf jaar is geworden (art. 5:45 lid 1 Awb).
De wetgever heeft zowel in bestuursrechtelijke als in strafrechtelijke handhaving van de voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie voorzien. Samenloop van beide wegen is niet mogelijk. Het una via-beginsel noopt namelijk tot het maken van een keuze tussen ofwel bestuursrechtelijke handhaving van een overtreding door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete ofwel strafrechtelijke handhaving van die overtreding. Het una via-beginsel is een verbijzondering van het ne bis in idem-beginsel, dat inhoudt dat iemand maar eenmaal gestraft mag worden ter zake van hetzelfde feit.1 Die straf kan een bestuursrechtelijke of een strafrechtelijke zijn, maar niet beide. Om die reden zal in geval van samenloop afstemming moeten plaatsvinden tussen de voor handhaving verantwoordelijke instanties over de weg die in een concreet geval gevolgd zal worden.
Het una via-beginsel is tot uitdrukking gebracht in art. 5:44 Awb en art. 243 lid 2 Sv. Aangegeven wordt wanneer de toegang tot een bepaalde weg wordt afgesneden, omdat handhaving langs de andere weg reeds te ver is doorgezet. Zo bepaalt art. 5:44 lid 1 Awb dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.2 Omgekeerd geldt ingevolge art. 243 lid 2 Sv dat de strafrechtelijke weg pas is afgesloten als de bestuurlijke boete is opgelegd of indien aan de overtreder is medegedeeld dat geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd (art. 5:50 lid 2 onderdeel a Awb). Deze bepalingen impliceren dat van een aanvankelijk ingeslagen weg nog in een zeer laat stadium kan worden afgeweken.3
In één bijzonder geval voert de strafrechtelijke weg de boventoon. Een reeds opgelegde bestuurlijke boete wegens een gedraging die tevens een strafbaar feit is, komt te vervallen indien het gerechtshof met toepassing van art. 12i Sv de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt (art. 5:47 Awb). Een dergelijk bevel kan door het gerechtshof aan het OM worden gegeven indien een klacht wegens niet-vervolging van een strafbaar feit door een rechtstreeks belanghebbende met succes is ingediend (art. 12 Sv).
Verder is bepaald dat indien een bepaalde overtreding tevens een strafbaar feit is, die overtreding door het bestuursorgaan aan de officier van justitie wordt voorgelegd, tenzij met het OM is overeengekomen dat daarvan kan worden afgezien (art. 5:44 lid 2 Awb). Ook is bepaald dat het bestuursorgaan voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd slechts een bestuurlijke boete oplegt indien: (i) de officier van justitie aan het bestuursorgaan heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien of (ii) het bestuursorgaan niet binnen 13 weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen.
Hoewel art. 5:44 Awb aan het OM een doorslaggevende stem lijkt toe te kennen bij het maken van de keuze voor de wijze van handhaving zal afstemming daarover tussen het OM en de AFM niettemin wenselijk zijn. Over die afstemming en het tijdig daartoe in overleg met elkaar treden, zijn dan ook afspraken gemaakt. Die afspraken zijn opgenomen in het Convenant ter voorkoming van ongeoorloofde samenloop van bestuurlijke en strafrechtelijke sancties 4 De afstemming tussen de AFM en het OM vindt op grond van art. 5 van het Convenant zo veel mogelijk plaats in het kader van het zogenaamde Tripartiete Overleg tussen het Functioneel Parket, een landelijk opererende organisatorische eenheid binnen het OM,5 de AFM en de Belastingdienst/FIOD-ECD.6 Het Tripartiete Overleg vindt periodiek plaats, waarbij de behandeling van gedane aangiftes door de AFM structureel op de agenda blijft staan. Ingeval de situatie dat naar het oordeel van de betrokken partijen vereist, kan bovendien buiten het Tripartiete Overleg om op ad hoc-basis afstemming plaatsvinden.
Verkort weergegeven, zal het OM in beginsel met de AFM dienen te overleggen als hij bekend is met feiten, omstandigheden of gedragingen die duiden op een overtreding van de openbaarmakingsplicht door een uitgevende instelling (art. 2). De AFM moet op haar beurt het OM inlichten als zij het voornemen heeft een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van de openbaarmakingsplicht door een uitgevende instelling met het oog op de afstemming over de wijze van afdoening (art. 3 lid 1 onderdeel b).7 Ingeval een voornemen bestaat een bestuurlijke boete wegens een overtreding van de openbaarmakingsplicht op te leggen, moet het OM door de AFM daarvan in kennis worden gesteld indien sprake is van samenloop met één of meer afzonderlijke gedragingen waarvoor uitsluitend strafrechtelijke afdoening openstaat (bijvoorbeeld valsheid in geschrifte (art. 225 Sr) of bedrog met de jaarrekening (art. 336 Sr)). Ook als sprake is van een herhaling van een overtreding (recidive) moet het OM daarover geïnformeerd worden.
In het Convenant wordt overigens niet aangegeven op grond van welke criteria de keuze voor bestuursrechtelijke dan wel strafrechtelijke handhaving van een overtreding van de openbaarmakingsplicht wordt gemaakt. Aangenomen mag worden dat de inzet van het strafrecht voor de handhaving van de openbaarmakingsplicht door uitgevende instellingen als een ultimum remedium wordt gezien. Dit stemt ook overeen met de wens van de wetgever om voor onder meer de financiële toezichtswetgeving een accentverschuiving van strafrechtelijke naar bestuursrechtelijke handhaving te bewerkstelligen.8 Met de totstandkoming van de Wet op het fmancieel toezicht is in die beleidskeuze geen verandering gekomen. Als uitgangspunt is nog steeds gekozen voor bestuursrechtelijke handhaving van de financiële toezichtswetgeving.9 Het heeft de voorkeur van de wetgever dat de AFM overtredingen zoveel mogelijk bestuursrechtelijk handhaaft en dat het strafrecht als ultimum remedium pas in beeld komt indien bestuursrechtelijke handhaving niet toereikend moet worden geacht. Zo geeft de wetgever10 aan:
"In gevallen waarbij normen worden overtreden die elementaire belangen betreffen en de rechtsorde ernstig is geschokt, kan het nodig zijn om een gevangenisstraf op te leggen of andere strafrechtelijke dwangmiddelen te gebruiken."
Het voorgaande betekent mijns inziens dat strafrechtelijke handhaving vermoedelijk pas in het vizier zal komen in het geval een uitgevende instelling meerdere keren de openbaarmakingsplicht heeft overtreden (recidive) dan wel in het geval de overtreding van de openbaarmakingsplicht gepaard gaat met het plegen van andere strafbare feiten (zoals bijvoorbeeld handel met voorwetenschap (art. 5:56 Wft)). Ook is voorstelbaar dat wordt gekozen voor strafrechtelijke handhaving in het geval een uitgevende instelling zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige overtreding van de openbaarmakingsplicht en daarbij calculerend gedrag heeft vertoond.11 Zo lezen wij bijvoorbeeld in de wetsgeschiedenis:12
"Bestuursrechtelijke handhaving volstaat in de meeste gevallen van wetsovertreding door financiële instellingen. Het wordt evenwel anders indien bij de toezichthouder (dan wel bij opsporingsinstanties, wanneer zij daar in strafrechtelijk onderzoek op zouden stuiten) vermoedens bestaan van opzettelijke of stelselmatige overtredingen. Indien de overtreder willens en wetens schade toebrengt aan de integriteit van het financieel stelsel kan in gezamenlijk overleg tussen het OM en de toezichthouders de strafrechtelijke handhaving in aanmerking komen."
Daarnaast kunnen andere factoren een rol spelen bij het maken van een keuze door de AFM om aangifte te doen bij het OM. Gewezen kan worden op de iets langere verjaringstermijn die voor economische delicten geldt, zodat het OM nog een strafvervolging kan instellen in een geval waarin de AFM niet langer bevoegd is een bestuurlijke boete op te leggen.13 Ook kan het bij het maken van deze keuze een rol spelen dat de strafrechter de mogelijkheid heeft een vrijheidsbenemende straf aan een of meer feitelijk leidinggevers aan de overtreding op te leggen (zie § 9.10.4 en § 9.10.5).