Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.4.3
11.3.4.3 Aandachtspunten voor het vermoeden van acting in concert
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS365133:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Als gezegd verwijst art. 2 lid 2 Overnamerichtlijn naar de zeggenschapscriteria van art. 2 lid 1 sub f Transparantierichtlijn (zie eerder § 11.3.1); deze criteria gelden zonder uitzondering zowel voor natuurlijke personen als voor juridische entiteiten.
Wel staat vast dat een natuurlijke persoon een dochtermaatschappij kan hebben als aan deze de stemrechten als bedoeld in art. 2:24a lid 3 BW kunnen worden toegerekend op grond van het feit dat een tussenliggende rechtspersoon de stemrechten voor rekening van die natuurlijke persoon houdt en deze laatste bevoegd is te bepalen hoe het stemrecht wordt uitgeoefend, zie nader § 11.3.4.3 sub III hierna.
Anders: Josephus Jitta (T&C Ondernemingsrecht Effectenrecht), art. 5:71 Wft, aant. 1 sub h Wft.
Zie Kamerstukken II, 2007/08, 31 093, nr. 9, p. 2 (wetsvoorstel implementatie Transparantierichtlijn). Op 1 januari 2009 trad dit wetsvoorstel in werking, Stb. 2008/579.
In art. 1 lid 5 van de oude Wmz 1992, de voorloper van de definitie van gecontroleerde onderneming in art. 1:1 Wft, stond de fictie dat ook natuurlijke personen een dochtermaatschappij kunnen hebben. In de literatuur werden vraagtekens gezet bij de verhouding tussen die fictie en art. 2:24a BW, zie Roth 2003, p. 74 en 76.
Kamerstukken II, 2007/08, 31 093, nr. 9, p. 2 (wetsvoorstel implementatie Transparantierichtlijn).
Idem De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 1:1 Wft, aant. 546.8. Vgl. Beckman 2008, p. 1005 die het voor mogelijk houdt dat de relatie natuurlijk persoon-dochtermaatschappij niet geregeld is omdat dit naar de mening van de wetgever onder sub b (overheersende zeggenschap) valt.
Vgl. de parlementaire geschiedenis van art. 2:24a lid 2 BW, waaruit blijkt dat daaronder niet alleen Nederlandse personenvennootschappen vallen, maar ook soortgelijke buitenlandse contractuele vennootschappen waarvan de vennoten volledig aansprakelijk zijn, ongeacht of deze vennootschappen rechtspersoonlijkheid hebben, zie Kamerstukken II, 1986/87, 19 813, nr. 9, p. 3. Zie ook Bartman/Dorresteijn 2013, nr. II.2.2.; Van der Waal 1998, p. 176 en Dortmond 1996, p. 38 voor verwijzingen.
Afwijzend Bartman/Dorresteijn 2013, nr. II.2.2. en Dorresteijn, Rechtspersonen (Groene Serie), art. 2:24a BW, aant. 5.
Kamerstukken II, 1986/87, 19 813, nr. 3, p. 7-8 en 9 in het kader van de uitvoering van de zevende EEG-richtlijn inzake de geconsolideerde jaarrekening.
Zie Wouters 1998, p. 87.
Zie over 24a lid 3: Van den Ingh 1991, p. 125; Van den Ingh 2001, p. 103 en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/823.
Zie uitgebreid over beide regels Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/259 en 260.
Dat lijkt ook Beckman 2008, p. 1004 aan te nemen.
Datzelfde geldt in het kader van de meldingsplicht; art. 5:45 lid 3 Wft verwijst ook naar het begrip gecontroleerde onderneming. Zie de AFM-leidraad voor aandeelhouders, par. 3.5.3 en T&C Ondernemingsrecht Effectenrecht (Schreurs), art. 5:45 Wft, aant. 6 en Roth 2003, p. 76 e.v.
I. Dochtermaatschappijen van natuurlijke personen en vennootschappen
Het vermoeden van onderling overleg uit de Overnamerichtlijn geldt voor personen over wie een andere persoon de zeggenschap heeft (art. 2 lid 2 Overnamerichtlijn; § 11.3.2 sub I) ongeacht welke rechtsvorm deze persoon of deze personen hebben.1 Naar Nederlands recht is niet geheel duidelijk of het vermoeden van onderling overleg uit art. 1:1 Wft ook geldt voor dochtermaatschappijen van natuurlijke personen en vennootschappen omdat volgens art. 2:24a BW slechts rechtspersonen een dochtermaatschappij kunnen hebben.2
Aangenomen moet worden dat het vermoeden van onderling overleg ook geldt voor dochtermaatschappijen van natuurlijke personen en vennootschappen.3 Bij gebreke van duidelijke contra-indicaties moet ervan uit worden gegaan dat de wetgever richtlijnconform heeft willen implementeren. Voor die interpretatie biedt de tekst van het vermoeden van onderling overleg in art. 1:1 Wft ook ruimte. Gesproken wordt van “rechtspersonen, natuurlijke personen en vennootschappen en hun gecontroleerde ondernemingen”. Onder gecontroleerde onderneming vallen weliswaar behalve dochtermaatschappijen ook ondernemingen waarover een persoon overheersende zeggenschap heeft (zie § 11.3.5), maar dat staat bovengenoemde interpretatie niet in de weg. Een ander mogelijk tegenargument, dat niet opgaat, betreft het schrappen van het in het kader van de implementatie van de Overnamerichtlijn gecreëerde vermoeden van onderling overleg tussen “natuurlijke personen en hun dochtermaatschappijen als bedoeld in art. 5:33, eerste lid, sub c Wft”.4 Betoogd kan worden dat de wetgever aldus afscheid heeft willen nemen van de fictie dat een natuurlijke persoon of vennootschap een dochtermaatschappij kan hebben5. Echter, vermoedelijk houdt genoemde schrapping veeleer verband met het vervangen van het begrip “dochtermaatschappij” voor “gecontroleerde onderneming” in de meldingsregeling van hoofdstuk 5.3 Wft. Dit wordt bevestigd in de toelichting op het schrappen van genoemd vermoeden, waaruit volgt dat deze wijziging slechts technisch of redactioneel van aard is.6
In beginsel is het praktisch belang van het voorgaande voor de reikwijdte van de acting in concert-vermoedens zelf gering. In dit soort gevallen mag vrijwel steeds mag worden aangenomen dat de natuurlijke persoon of vennootschap ook overheersende zeggenschap heeft over haar dochtermaatschappij gelet op de zeer ruime reikwijdte van dat begrip; in dat geval is sprake van een “gecontroleerde onderneming” en is dientengevolge het vermoeden van onderling overleg van toepassing (zie nader § 11.3.5).7 Echter, in de vrijstelling van de biedplicht voor intra-groepstransacties (art. 5:71 lid 1 sub e Wft) is de bovengenoemde discussie wel van belang omdat daarin slechts melding wordt gemaakt van rechtspersonen en vennootschap en hun dochtermaatschappijen (§ 15.2.7).
II. Grensoverschrijdende moeder-dochterverhoudingen
Een andere toepassingsvraag die rijst naar aanleiding van de verwijzing naar art. 2:24a BW betreft de territoriale werking van dat artikel. De verplicht bod-regeling heeft extraterritoriale werking. Slechts van belang is, zoals art. 5:70 Wft ook duidelijk maakt, dat overwegende zeggenschap wordt verkregen in een naamloze vennootschap met zetel in Nederland waarvan aandelen zijn toegelaten op een gereglementeerde markt. Aangenomen moet worden dat de buitenlandse dochter van een Nederlandse moeder een dochtermaatschappij in de zin van art. 2:24a BW kan zijn (ervan uitgaande dat zij voor het overige aan de voorwaarden van art. 2:24a BW voldoet).8 Minder duidelijk is of art. 2:24a BW ook geldt ten aanzien van de Nederlandse dochter van een buitenlandse moeder.9 Ik ben van mening dat ook deze situatie wordt bestreken door art. 2:24aBW. In de eerste plaats omdat de wetgever zich in die richting heeft uitgelaten.10 In de tweede plaats omdat de Overnamerichtlijn, die op dit punt naar de Transparantierichtlijn verwijst, eveneens extraterritoriale werking heeft. Een derde (mogelijk) argument vormt de vestigingsvrijheid van art. 49 jo art. 54 VWEU.11Nederland handelt discriminatoir wanneer een onderscheid zou worden gemaakt tussen Nederlandse en niet-Nederlandse vennootschappen. Dit argument legt wat minder gewicht in de schaal omdat de uitleg van de terzake geldende Overnamerichtlijn een meer primaire bron vormt. Bovendien is onduidelijk wie zich zou moeten beroepen op schending van genoemde non-discriminatieregels.
III. Dochtermaatschappij en de toerekening van stemrechten ex art. 2:24a lid 3 en 4 BW
Art. 2:24a lid 3 en 4 BW geven nadere regels voor de toerekening van stemrechten in het kader van art. 2:24a lid 1 BW. Lid 3 regelt toerekening in situaties waarin aandelen voor rekening van iemand anders worden gehouden, bijvoorbeeld in geval van certificering,12 terwijl lid 4 een regeling geeft voor de toerekening van stemrechten indien er een pandrecht is gevestigd.13 Ik neem aan dat deze toerekeningsnormen ook gelden in het kader van het vermoeden van onderling overleg.14,15 Men bedenke wel dat zij slechts van belang zijn voor de vraag of er sprake is van een dochtermaatschappij en in het verlengde daarvan voor het vermoeden van onderling in dat geval. Buiten die context gelden enkel de toerekeningsregels uit de verplicht bod-regeling zelf (zie hoofdstuk 12).
IV. Dochtermaatschappijen worden niet vermoed met elkaar in onderling overlegte handelen
Opvallend is dat gecontroleerde ondernemingen, waarvan dochtermaatschappijen een subcategorie vormen, anders dan in de Overnamerichtlijn, naar Nederlands recht niet vermoed worden met elkaar in onderling overleg te handelen. Ter vergelijking: groepsmaatschappijen worden wel geacht met elkaar in onderling overleg te handelen (§ 11.3.3.3). Onduidelijk is wat de rechtvaardiging van dit verschil in behandeling is. Omdat Nederland de richtlijn hiermee onjuist heeft geïmplementeerd, lijkt in een voorkomend geval richtlijnconforme interpretatie van de Overnamerichtlijn aangewezen (§ 3.5.3.2).