Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.6.3:2.6.3 De straftoemetingsbepalingen, de wijze van (individuele) straftoemeting
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.6.3
2.6.3 De straftoemetingsbepalingen, de wijze van (individuele) straftoemeting
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS466897:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de boeten van de Registratiewet 1917 konden worden kwijtgescholden.1 In artikel 99 van de Registratiewet 1917 wordt de Kroon wederom de bevoegdheid gegeven om ‘in bijzondere gevallen’ kwijtschelding van boeten te verlenen. Overigens is opmerkelijk dat deze kwijtscheldingsbepaling, in tegenstelling tot eerdere kwijtscheldingsartikelen in andere materiewetten, niet de eis bevat dat het in dergelijke bijzondere gevallen moet gaan om ‘dwaling’ of ‘verschoonbaar verzuim’. Dat de regering in beginsel daarmee geen wezenlijk andere weg lijkt te willen bewandelen, volgt uit de reactie van de minister van Financiën Van Gijn op kritiek van enkele kamerleden:
“Het stelsel, dat in dit ontwerp – in navolging van de bestaande wet – ten aanzien van de boeten is gehuldigd, is onmisbaar voor eene voldoende verzekering van de naleving der voorschriften van de wet. Hierbij komt, dat artikel 99 de bevoegdheid geeft, kwijtschelding, vermindering of teruggave van verbeurde boeten te verleenen, eene bevoegdheid, waarvan in gevallen van onwillig verzuim of goede trouw een ruim gebruik mag worden verwacht.”2
De minister zegt echter vervolgens met betrekking tot de kwijtschelding van de hoge boeten op grond van artikel 87 Registratiewet 1917 het volgende:
“Ook ten aanzien van de in dit artikel bepaalde boete kan, door toepassing van artikel 99 de werking der strafbepaling worden getemperd, indien dit noodig of wenschelijk mocht zijn.”
Eerder had de minister al aangegeven met de boete van artikel 87 Registratiewet 1917 vooral een preventieve werking te beogen. De minister legt in bovenstaande passage mijns inziens een duidelijke relatie tussen het karakter van de boete (straf), het doel dat met het boetemiddel moet worden bereikt (een afschrikwekkende, preventieve werking) en wijze waarop dat doel in individuele gevallen (‘noodig of wenschelijk’) kan worden bereikt, namelijk door het ‘temperen’ van de straf.
Gezien het voorgaande en het feit dat reeds in 1831 de Koning de kwijtschelding van boeten voor wat betreft de registratiewetgeving aan de Minister van Financiën, en nog later aan de hoofdambtenaren der belastingen, had gedelegeerd3, kom ik tot de conclusie dat de kwijtscheldingsbepaling van artikel 99 Registratiewet 1917 een ruimere werking heeft dan de vergelijkbare kwijtscheldingsartikelen in andere materiewetten. De wetgeving lijkt op dit punt meer ruimte te creëren voor het bestuursorgaan om de boete, die overigens nog steeds vanuit de wet wordt belopen, af te stemmen op de ernst van het individuele geval.
Later heeft de regering ingezien dat de ruimere kwijtscheldingsbevoegdheid niet voorbehouden hoeft te blijven aan de uitvoering van de Registratiewet. Zo is in 1923 aan de Successiewet eenzelfde bepaling toegevoegd (artikel 82a SW), omdat ook ‘andere gevallen [zich] kunnen […] voordoen, waarin de toepassing van de letter der wet niet zou strooken met haar geest.”4