Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/7.4:7.4 Afsluitende beschouwing
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/7.4
7.4 Afsluitende beschouwing
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460912:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Bosch 21 maart 2013, r.o. 4.22 (ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ5455; NTFR 2013/854, met noot Jansen). Zie ook Hof Den Bosch 27 juni 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:2627).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het motiveren van de hoogte van de straf (het ‘weergeven’) is de derde en laatste fase van het besluitvormingstraject. Door de strafmaat zorgvuldig te motiveren wordt de betrokkene geïnformeerd over hoe de bestraffende instantie tot de betreffende straf is gekomen. Idealiter betekent dit dus ook dat inzicht wordt gegeven in de wijze waarop onderzoek is verricht naar relevante strafbeïnvloedende omstandigheden (het ‘weten’, fase 1) en hoe de afweging van de verschillende, tijdens het onderzoek achterhaalde, relevante factoren heeft plaatsgevonden (het ‘waarderen’ en ‘wegen’), fase 2.
Zowel in het fiscale boeterecht als in het strafrecht is de rechtsnormatieve uitwerking van het motiveringsbeginsel ten aanzien van de straftoemeting vrij gering. Althans, de lijnen die door de regelgevers zijn uitgezet vinden niet of nauwelijks hun weerslag in de rechtspraak (fiscale boeterecht), dan wel zijn ze door de zittende magistratuur met zachte hand consequent terzijde geschoven (strafrecht).
In zoverre lijken beide rechtsgebieden dus op elkaar; er is weinig concreet houvast voor betrokkenen om een motiveringsgebrek met succes aan de orde te stellen. En een enkele keer volgt uit de rechtspraak dat deze gelijkenis waarschijnlijk niet geheel op louter toeval berust. Zo overwoog de belastingkamer van Hof Den Bosch – toen het een boete van € 452 verminderde naar € 50 – dat deze ‘beslissing inzake de strafmaat […] door de belastingrechter niet gemotiveerd [behoeft] te worden’.1 Dit bracht de redactie van Vakstudie-Nieuws tot het volgende commentaar:
“Het hof neemt het ‘passend en geboden’-oordeel van de rechtbank niet over. Het stelt de boete vast op € 50 en voegt daaraan toe dat de beslissing over de strafmaat geen motivering behoeft. Zelfs als dat zo is – men kan daarover twisten – heeft een gemotiveerd oordeel over de hoogte van de boete, zoals de rechtbank dat geeft, onze voorkeur. Als de rechter niet verplicht is zijn oordeel over de hoogte van de boete te motiveren, wil dat niet zeggen dat hij zo’n motivering achterwege dient te laten. Niet alles wat onverplicht is, is immers verboden. Wij denken dat de motivering van het rechterlijk oordeel over de hoogte van de boete de acceptatie van dat oordeel door de betrokkenen bevordert.”2
Ik vermoed dat de belastingkamer van Hof Den Bosch zich heeft gevoegd naar de visie van de strafkamer van de Hoge Raad (zie onderdeel 7.3.3.1). Daar valt uit oogpunt van rechtseenheid en consistentie zeker wat voor te zeggen, maar dan had het het hof gesierd als meer tekst en uitleg daarbij was gegeven. Het motiveringsbeginsel is naar mijn mening simpelweg te belangrijk – en daar ben ik het eens met de redactie van Vakstudie-Nieuws – om zomaar aan voorbij te gaan.
In hoofdstuk 8 (onderdeel 8.4) is een uitgebreidere weergave van de conclusies opgenomen, inclusief een lijst met aanbevelingen.