HR, 12-12-2025, nr. 24/02250
24/02250
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-12-2025
- Zaaknummer
24/02250
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑12‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1881, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑12‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1460
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/1956
Viditax (FutD) 2025121212
FutD 2025-2449
NTFR 2025/2038
NLF 2025/2602
V-N 2025/56.20 met annotatie van Redactie
Beroepschrift 12‑12‑2025
PER DIGITAAL LOKET
Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
[…] | 10 juni 2024 |
Uw ref(s). | - |
Onze ref(s) | [X] (graag ons kenmerk vermelden!) |
Onderwerp | cassatieberoepschrift |
Edelhoogachtbaar college,
Tot mij wendde zich [X] (hierna: belanghebbende) woonachtig aan de [a-straat 1] te [Z] met het verzoek haar bij te staan in diens procedure tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar). Alle producties, inclusief een volmacht, worden ommegaande per post bezorgd. Het versturen van het kruisjesformulier is niet nodig.
Het griffierecht kunt u ten laste brengen van onze rekening-courant (debiteurnummer [0001]).
Het cassatieberoepschrift richt zich tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 8 mei 2024, 23/386 (productie 1).
Middel I
1.
Schending van het recht en/of verkeerde toepassing van het recht, i.h.b. art. 1 van de Grondwet althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
Toelichting
1.
Ten onrechte heeft het Hof Amsterdam de waarde per punt vastgesteld op € 310.00 voor de fase in administratief beroep. Dit tarief is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zie in dit verband de conclusie van Koopman van 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:235, waarin Koopman1. adviseerde:
‘5.15
Ik ben geneigd de onderbouwing van de twee tarieven voor de bezwaarfase voldoende te achten om de toetsing aan het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel te doorstaan. Die onderbouwing biedt mijns inziens voldoende houvast om het tariefverschil van onderdeel B2 van de bijlage bij het BPB te kunnen toetsen aan het discriminatieverbod. Terzijde merk ik op dat dit in zekere zin een ‘left-handed compliment’ is. Ik prijs de onderbouwing omdat hij voldoet aan de formele rechtsbeginselen van zorgvuldigheid en motivering, maar hierna zal blijken dat diezelfde onderbouwing mij brengt tot het nog ernstiger verwijt dat de regeling strijdig is met het grondwettelijk discriminatieverbod. (…)
5.21
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van onderdeel B2 van de bijlage bij het BPB leid ik af dat de besluitgever het tariefverschil heeft gebaseerd op de veronderstelling dat de kosten in belasting- en premiezaken voor de bezwaarfase (gemiddeld genomen) lager zijn dan het destijds voor overige zaken vastgestelde forfaitaire tarief. Deze veronderstelling is gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst waarmee het forfaitaire tarief in belasting- en premiezaken uitvoerig is onderbouwd. Ik meen dat, op basis van de gegevens toegelicht in de antwoorden van de minister van Justitie, deze veronderstelling zo realistisch is dat de besluitgever deze op zichzelf bezien in redelijkheid aan het voor belasting- en premiezaken geldende tarief ten grondslag mocht leggen. Maar daarmee is niet verklaard waarom het tarief voor die overige zaken zoveel hoger is. Er wordt namelijk alleen een verschil verondersteld en verklaard tussen de gemiddelde werkelijke kosten in belasting- en premiezaken en het forfait in overige zaken. Daarmee is echter niet duidelijk waarom een verschil wordt verondersteld tussen de gemiddelde werkelijke kosten in belasting- en premiezaken en de gemiddelde werkelijke kosten in overige zaken. De gemiddelde kosten in overige gevallen zijn, voor zover uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt, niet nader bekeken. Zonder onderzoek is het forfait dat gold in beroep en hoger beroep overgenomen. De gehanteerde veronderstelling laat de mogelijkheid open dat in de overige gevallen het forfait (veel) hoger is dan de gemiddelde kosten. Niet wordt onderbouwd waarom in belasting- en premiezaken dan niet ook dat (veel hogere) forfait wordt toegepast. De stelling in de nota van toelichting inhoudende dat er thans geen gegevens voorhanden zijn of aanwijzingen bestaan dat in verband met de werkelijke kosten in andere belangrijke sectoren van het bestuursrecht een ander (lager) tarief is geboden, is wat mij betreft te summier. Ik meen daarom dat er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling.
5.22
Hiervoor in 5.14 van deze conclusie heb ik met enige goede wil in de onderbouwing van het tarief gelezen dat de Minister bedoelde te zeggen dat de andere bestuursrechtelijke bezwaarprocedures niet strekten tot ‘(herstel van) administratieve fouten en door de inspecteur aangebrachte correcties op posten’. Ik vraag mij echter af of dit een redelijke aanname is. Zal een bezwaarprocedure tegen een niet (geheel) toegekende aanvraag voor de een of andere vergunning niet ook vaak neerkomen op het herstel van administratieve fouten of tot het terugdraaien van door het bestuursorgaan aangebrachte wijzigingen ten opzichte van de aanvraag? En ligt het voorts niet erg voor de hand dat in het overige bestuursrecht het opstellen van een bezwaarschrift ook ‘meestal geschiedt door een adviseur die al bekend is met het dossier’ omdat hij of zij al betrokken is geweest bij de aanvraag of bij het indienen van zienswijzen? En ten slotte: is het redelijk te veronderstellen dat ‘administratiekantoren en (medewerkers van) belastingconsulenten en belastingadvieskantoren’ die in de bezwaarfase van een fiscaal geschil rechtsbijstand verlenen goedkoper zijn dan degenen die in overige bestuursrechtelijke geschillen hun cliënt bijstaan in de bezwaarfase? Afgezien van de no-cure-nopay-praktijk, kan ik mij hierbij weinig voorstellen. Ik meen daarom dat ook bij een welwillende lezing de onderbouwing van het tariefverschil tekort schiet.
5.23
Het middel van belanghebbende wordt naar mijn mening terecht voorgesteld. De vervolgvraag is welke consequentie daaraan verbonden moet worden. (…)
5.29
Mijn voorkeur gaat echter niet uit naar een beslissing langs laatstgenoemde lijn, omdat deze lijn belanghebbende — die terecht een beroep doet op art. 1 Grondwet — afhoudt van een eenvoudig te verlenen rechtsherstel, bestaande uit toepassing van het algemene tarief
5.31
Al met al meen ik dat het beroep van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard, de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en de proceskostenvergoeding moet worden vastgesteld met inachtneming van het tarief in onderdeel B2 punt 2 van de bijlage bij het BPB.’
2.
Anders dan het Hof overwoog, is de vraag of belanghebbende rechten kan ontlenen aan een advies van de Hoge Raad niet van belang. De rechtsvraag die ter beantwoording voor haar lag, luidde: is het onderscheid in procespuntwaarde in overeenstemming met het discriminatieverbod? Het Hof is op deze vraag niet ingegaan. Het Hof heeft de naar voren gebrachte grief afgedaan met de enkele overweging dat de conclusie van de A-G een advies en geen recht betreft. Dit werd ook niet ontkend in het beroepschrift. Hierin wordt gesteld dat de lagere procespuntwaarde in strijd is met het discriminatieverbod, waarbij de conclusie van de A-G ter ondersteuning wordt aangevoerd. Het Hof heeft dit miskend. Daarmee is het Hof in het geheel voorbijgegaan aan de rechtsvraag die werd voorgelegd.
3.
Ik concludeer tot cassatie vanwege de ontoereikende motivering van het Hof, alsmede dat het Hof blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting inzake art. 1 van de Grondwet. Uw Raad kan de zaak in mijn optiek zelf afdoen.
II. Petitum
Alles overwegende verzoekt belanghebbende uw Raad;
- —
de uitspraak waarvan cassatie te vernietigen;
- —
de zaak terug te verwijzen dan wel zelf af te doen;
- —
te bepalen dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt;
- —
de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die in deze procedure redelijkerwijs zijn gemaakt, waaronder door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑12‑2025
Uitspraak 12‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 7:15 Awb en Besluit proceskosten bestuursrecht; kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de bezwaarfase; differentiatie in vergoeding tussen belasting- en premiezaken enerzijds en overige zaken anderzijds; HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02250
Datum 12 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 mei 2024, nr. 23/3861., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (AMS 22/1382) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar) heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
2.2
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en daarbij de vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase vastgesteld op € 296, uitgaande van 2 punten, wegingsfactor 0,5, en een waarde per punt van € 296. De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten in beroep.
3. De oordelen van het Hof
3.1
In hoger beroep was onder meer de proceskostenvergoeding in beroep in geschil. Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard, omdat het met partijen van oordeel is dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase. In zoverre heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd.
3.2
Belanghebbende heeft zich verder, onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal R.J. Koopman van 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:235, op het standpunt gesteld dat voor de proceshandelingen in de bezwaarfase een kostenvergoeding van € 624 dient te worden toegekend. Het Hof heeft in deze conclusie geen aanleiding gezien een ander tarief toe te passen en heeft de proceskostenvergoeding in bezwaar daarom ongewijzigd gelaten.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel komt op tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel slaagt op de gronden vermeld in de rechtsoverwegingen 5.8.1, 5.8.2 en 6.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
4.2
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.3
De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar vast op € 647, uitgaande van 2 punten, wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest.2.Aangezien de Rechtbank de vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase heeft vastgesteld op € 296 en de uitspraak van het Hof hierin geen wijziging heeft gebracht, brengt dit mee dat aanvullend een bedrag van € 351 voor de kosten van de bezwaarfase moet worden vergoed.
5. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de beslissing over de vergoeding van de kosten van belanghebbende ter zake van de behandeling van het bezwaar,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 647 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑12‑2025
Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.