Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 3.3.2 Luchtverversing
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
Deze paragraaf bevat de regels voor luchtverversing. De vereiste ventilatiecapaciteit wordt voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte berekend aan de hand van het aantal personen dat in een ruimte of een gebied aanwezig is. Dit geldt voor elke gebruiksfunctie behalve voor de woonfunctie. Zie voor een toelichting op deze personenbenadering het algemeen deel van de toelichting en de toelichting op artikel 2.11 (aantal personen in een bouwwerk).
Artikel 3.66 (aansturingsartikel)
De functionele eis van het eerste lid geeft aan dat een bouwwerk een voorziening voor luchtverversing moet hebben die voldoende is om het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht te voorkomen.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. De functionele eis geldt in deze paragraaf voor alle gebruiksfuncties.
Artikel 3.67 (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
Artikel 3.67 schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening voor luchtverversing (ventilatiemogelijkheid) waarmee een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en bijvoorbeeld kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Ook speelt luchtverversing een rol bij het afvoeren van eventuele in de binnenlucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie, fijnstof en radonstraling.
De benodigde hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bij de woonfunctie bepaald aan de hand van de vloeroppervlakte. Bij de utiliteitsfuncties wordt de benodigde hoeveelheid luchtverversing bepaald aan de hand van het aantal personen waarvoor de ruimte is bestemd (personenbenadering).
Het eerste lid gaat voor een verblijfsruimte van een woonfunctie uit van een voorgeschreven capaciteit van 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte. De capaciteit per verblijfsruimte mag echter niet kleiner zijn dan 7 dm3/s per verblijfsruimte, dus als de ruimte 10 m2 of kleiner is zal een ventilatiecapaciteit van ten minste 7 dm3/s moeten worden aangehouden. Daarmee is gewaarborgd dat er in elke verblijfsruimte, hoe klein ook, voldoende ventilatie voor één persoon is.
Het tweede lid heeft betrekking op utiliteitsfuncties met een verblijfsruimte. Dit lid geeft, gebaseerd op de personenbenadering, een minimumeis voor de luchtverversing in een verblijfsruimte.
De eis van het derde lid voor een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel is erop gericht dat geurstoffen en bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd. Met deze regel wordt ook voorzien in de toevoer van verbrandingslucht en afvoer van rookgas bij een open verbrandingstoestel voor warmwater (keukengeiser). Deze eis is echter niet bedoeld voor een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is. Voor die toestellen gelden afzonderlijke regels voor de afvoer van rookgassen en toevoer van verbrandingslucht (paragraaf 3.3.4).
Het uitgangspunt van het vierde lid is dat niet elke ruimte van een woning gelijktijdig wordt gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening moet voldoende zijn voor de verblijfsruimte met de grootste ventilatiecapaciteitsbehoefte die op die centrale ventilatievoorziening is aangesloten. De totaal benodigde ventilatiecapaciteit behoeft dus niet een optelsom te zijn van de in de verschillende verblijfsruimten benodigde capaciteit. Natuurlijk moet elke verblijfsruimte op enig moment kunnen beschikken over de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde capaciteit. Bij de wat oudere gebouwen kan dat in de regel gebeuren door hier en daar een ventilatietoevoeropening, zoals een ventilatierooster of klapraampje, te openen of te sluiten.
Het vijfde lid geeft een aanvulling op het vierde lid. Bij een gemeenschappelijk verblijfsgebied is het aannemelijk dat de daarin gelegen gemeenschappelijke verblijfsruimten gelijktijdig in volle bezetting worden benut. Als in een verblijfsgebied meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte is, dan zal de capaciteit van de luchtverversing in dat verblijfsgebied daarom voldoende moeten zijn bij gelijktijdig gebruik van die gemeenschappelijke verblijfsruimten. Dit wijkt af van een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie, omdat daarbij kan worden aangenomen dat bij volledige bezetting van de ene ruimte, bijvoorbeeld de woon- of eetkamer, de andere verblijfsruimten in de woning onbenut blijven, en zodoende de ventilatiecapaciteit van die andere ruimten ten goede kan komen aan die woon- of eetkamer.
Het zesde lid geeft aan dat zowel een toiletruimte als een badruimte een ventilatievoorziening moeten hebben. De capaciteit voor een toiletruimte moet zodanig zijn dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd. De voor een badruimte voorgeschreven capaciteit is afgestemd op het afvoeren van een overmaat aan waterdamp binnen zodanige tijd dat schimmelvorming wordt voorkomen. Is een ruimte bestemd als zowel toiletruimte als badruimte, dan moet voor die ruimte de zwaarste eis worden aangehouden, te weten 14 dm3/s.
In tabel 3.66 zijn de leden een tot en met vijf niet aangestuurd voor de overige gebruiksfunctie. Een parkeergarage of een andere overige gebruiksfunctie heeft namelijk geen verblijfsgebieden of verblijfsruimten maar alleen functiegebieden en functieruimten. De regels van artikel 3.67 die alleen betrekking hebben op verblijfsgebieden en verblijfsruimten zijn daarom niet van toepassing.
Artikel 3.68 (luchtverversing overige ruimten)
Ventilatie is niet alleen voor verblijfsruimten, toilet- en badruimten noodzakelijk maar ook voor sommige andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze overige ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen maar kunnen door de aard van hun gebruik zonder voldoende luchtverversing een verhoogde kans op gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd.
Het eerste lid bepaalt dat een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter moet worden geventileerd om te voorkomen dat in die ruimte door een eventueel gaslek een ontplofbaar gasmengsel kan ontstaan. Ook kan de ventilatie zorgen dat de aan de gaslucht verbonden geurstoffen zich snel door het gebouw verspreiden en een lekkage zodoende spoedig ergens in het gebouw wordt opgemerkt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook ruimte waar daadwerkelijk een gasmeter is geïnstalleerd een ruimte met een opstelplaats van een gasmeter is.
Voor een liftschacht van een personenlift geldt dat de ventilatievoorziening gewaarborgd moet zijn. Personen in een vastzittende lift zijn dikwijls afhankelijk van via de liftschacht aangevoerde verse lucht.
Het tweede lid stelt daarom een minimum ventilatie-eis aan de liftschacht. Voor de eisen aan de liftkooi zelf, dus ook aan de ventilatie in de liftkooi wordt naar het Besluit liften verwezen.
Het derde lid geeft een ventilatie-eis voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval, wanneer die ruimte een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft. Ventilatie is hier nodig om de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder ontstaat.
Opgemerkt wordt dat een opslagruimte voor huishoudelijk afval niet is voorgeschreven, maar dat de ventilatie-eis voor iedere vrijwillig aangebrachte opslagruimte geldt. Huishoudelijk afval is het reguliere afval dat bij de huishouding vrijkomt. Dit geldt zowel voor afval dat vrijkomt bij de huishouding van een gezin als van een bedrijf. Afval dat bij een productieproces vrij komt is geen huishoudelijk afval maar bedrijfsafval. Deze regel is niet van toepassing op een opslagruimte voor bedrijfsafval. De opslagruimte in dit lid moet niet verward worden met de verzamel-, opslag- of verwerkingsruimte voor (voormalig huishoudelijk) afval in een afvalverwerkingsbedrijf. In dit derde lid is aangegeven dat een capaciteit van 100 dm3/s altijd voldoende is, ongeacht de vloeroppervlakte (dus ook bij grotere vloeroppervlakte dan 10 m2).
Het vierde lid heeft betrekking op een stallingsruimte voor motorvoertuigen. De eisen aan de luchtverversing voor parkeergarages gelden ongeacht de omvang van de parkeergarage.
Het vijfde lid geldt voor tunnels of tunnelvormige bouwwerken. Het gaat om een functionele eis die op iedere tunnel en ieder tunnelvormig bouwwerk voor verkeer van toepassing is, dus bijvoorbeeld ook op spoortunnels. Er moet afhankelijk van het soort tunnel en de tunnellengte altijd voldoende luchtverversing zijn om de gezondheid van de gebruikers te kunnen waarborgen. Er moet rekening worden gehouden met de emissie van verontreinigende stoffen bij normaal verkeer, tijdens verkeerspieken en bij stilstand wegens een ongeval. Ook moet rekening worden gehouden met de beheersing van hitte en rook bij brand.
Bij kortere tunnels kan de natuurlijke ventilatie via de tunnelopeningen soms voldoende zijn. In die gevallen wordt door het rijdend verkeer een luchtstroming in de tunnelbuis opgewekt die in de meeste gevallen voldoende is voor verversing van de lucht. De schone lucht wordt dan aangevoerd via de ingang van de wegtunnelbuis en de vervuilde lucht verdwijnt via de uitgang. In sommige gevallen kan zelfs worden volstaan met de luchtbeweging door wind of tocht. In andere gevallen zijn aanvullende ventilatievoorzieningen nodig om voldoende ventilatiecapaciteit te waarborgen. Deze voorzieningen kunnen mechanisch zijn, maar dat hoeft niet. Bij een lange wegtunnelbuis kan niet worden vertrouwd op natuurlijke ventilatie. De laatste zin van dit vijfde lid bepaalt daarom dat de ventilatievoorziening bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m altijd mechanisch moet zijn.
Artikel 3.69 (luchtkwaliteit: plaats van de uitmonding)
In dit artikel zijn eisen gesteld aan de ventilatieopeningen bij een parkeergarage. Deze regels waren eerder opgenomen in artikel 3.27l van de Activiteitenregeling milieubeheer en zijn opgesteld ter voorkoming van ongezonde binnenlucht in gebouwen in nabijheid van een parkeergarage.
Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingsruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:
- a.
wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau ligt, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw, en
- b.
is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m per seconde.
Uit onderdeel a volgt dat moet worden uitgegaan van de feitelijk aanwezige bebouwing. Dat wil zeggen dat het nodig kan zijn de uitmonding van de bestaande parkeergarage aan te passen op het moment dat de omliggende bebouwing dichterbij komt of hoger wordt. Deze eis voor bestaande bouw is overigens gelijk aan de nieuwbouweis.
Artikel 3.70 (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
De locatie van de ventilatieopeningen kan een belangrijke rol spelen bij de luchtkwaliteit in een daarop aangesloten ruimte. Het artikel luchtkwaliteit uit het Bouwbesluit 2012 is in dit besluit gesplitst in twee delen, dit artikel (gericht op de toevoer van ventilatielucht) en artikel 3.71 (gericht op de afvoer van binnenlucht).
Dit artikel regelt dat de aanvoer van ventilatielucht zodanig moet zijn dat de toegevoerde lucht daadwerkelijk verse lucht is en dat de toegevoerde lucht niet kan leiden tot een voor de gezondheid schadelijk binnenmilieu.
Het eerste lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een brandweerlift de toevoer van ventilatielucht rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte moet plaatsvinden. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan, eventueel via een kanalensysteem. Deze regel beperkt de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte. Hoewel deze eis voor bestaande bouw is toegespitst op de veiligheid van personen is deze eis toch in deze vooral op de gezondheid van personen gerichte afdeling opgenomen omwille van voor de praktijk logisch groeperen van ventilatie-eisen. Zie voor een toelichting op het begrip brandweerlift de toelichting in bijlage I.
Het tweede lid geeft aan dat de toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval rechtstreeks van buiten moet plaatsvinden om de kans op vervuiling van de binnenlucht in andere ruimten, bijvoorbeeld door een onbedoelde terugstroom van ventilatielucht, zo veel mogelijk te beperken.
In het derde lid is geregeld dat de toevoer van verse lucht naar een wegtunnelbuis rechtstreeks van buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aan- en afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aan- en afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.
Artikel 3.71 (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
Dit artikel regelt dat de afvoer van ventilatielucht zodanig moet zijn dat deze afvoer de luchtkwaliteit in een gebouw niet op een voor de gezondheid nadelige wijze beïnvloedt. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 3.70.
Het eerste lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een brandweerlift de afvoer van ventilatielucht rechtstreeks naar buiten of via de liftmachineruimte plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan eventueel via een kanalensysteem. Deze regel beperkt de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte. Zie voor een toelichting op het begrip brandweerlift de toelichting in bijlage I. Hoewel deze eis voor bestaande bouw is toegespitst is op de veiligheid van personen is deze eis toch in deze vooral op de gezondheid van personen gerichte afdeling opgenomen omwille van voor de praktijk logisch groeperen van de ventilatie-eisen.
Het tweede lid geeft aan dat de afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte, een badruimte en een opslagruimte voor huishoudelijk afval rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden om de kans op vervuiling van de binnenlucht in andere ruimten zo veel mogelijk te beperken.
In het derde lid is geregeld dat de afvoer van binnenlucht van een wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.
De eis van het vierde lid heeft niet betrekking op alle afgevoerde binnenlucht uit de ruimte, maar op ten minste 21 dm3/s.
De capaciteit die hierbovenuit gaat mag via een andere ruimte worden afgevoerd.