Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/29.3.3
29.3.3 Verduidelijking in de conclusie van AG Keus?
mr. dr. C.L.G.F.H. Albers, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. C.L.G.F.H. Albers
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de noot dzz. onder CBb 9 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:107, JB 2016/128.
Zie de conclusie van AG Keus van 14 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034.
Zie punt 4.7.2 e.v. van zijn conclusie.
ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1819, JB 2017/151 m.nt. C.L.G.F.H. Albers en ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1818, AB 2017/386 m.nt. R. Stijnen.
N.m.m. niet op alle punten even succesvol en helder (zie mijn noot onder ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1819, JB 2017/151). Zie daarover ook Y.E. Schuurmans, ‘Rechtsvorming bewijsrecht in bestuurlijke boetezaken’, JBPlus 2017/4, p. 273-287.
Zie r.o. 5.1. van ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1819, JB 2017/151 m.nt. C.L.G.F.H. Albers. Vgl. AG Keus in punt 4.7.8 en 4.7.10 van de conclusie.
Anders dan Schuurmans (Schuurmans 2017, p. 283) lijkt mij dat de Afdeling bestuursrechtspraak daarmee ook in essentie dezelfde lijn volgt als de strafrechter (vgl. bijv. HR 5 januari 2016, NJ 2016/74).
Het besef dat de bestuursrechter ten aanzien van bewijs, (waaronder begrepen het moment van) bewijslevering, bewijswaarding, bewijslast(verdeling) en bewijsstandaard) in boetezaken met het oog op de rechtsbescherming van de (vermoedelijke) overtreder een andere positie in moet nemen dan ten aanzien van het bewijs bij niet-bestraffende besluiten, alsmede het feit dat er toch nog wel wat nadere structurering en eenheid in rechtspraak op dit terrein gewenst was1 lijken mede aanleiding te hebben gegeven tot het verzoek van de Afdeling bestuursrechtspraak aan AG Keus om over deze materie een conclusie te nemen.2
Zowel in de conclusie van AG Keus3 als in de daarop volgende Afdelingsuitspraken van 5 juli 20174 is voor wat betreft het bewijsrecht een poging5 gedaan tot een verdere uitwerking/toelichting met betrekking tot de wijze waarop de rechter invulling moet geven aan het genoemde derde uitgangspunt; het moment van bewijslevering door het bestuursorgaan en de mogelijkheid tot (nadere) bewijslevering door middel van toepassing van de bestuurlijke lus.
Bestudering van de Afdelingsuitspraken leidt tot de conclusie dat deze derde regel inderdaad als vuistregel kan worden beschouwd. De Afdeling bestuursrechtspraak plaatst deze regel, in navolging van AG Keus, in de uitspraken van 5 juli 2017 wel duidelijk mede in de context van een goede procesorde. Uitgangspunt daarbij is, dat, als het bestuursorgaan eerst na de voltooiing van de besluitvorming nieuw bewijs inbrengt, terwijl het geen goede reden heeft kunnen geven waarom het dat niet eerder had kunnen doen, dat in strijd is met de goede procesorde. Dragend bewijs moet het bestuursorgaan (in redelijkheid) sowieso al in het stadium van de bestuurlijke besluitvorming aan de boeteoplegging ten grondslag (kunnen) leggen.6 Voor toepassing van de lus is er geen plaats voor zover het gaat om het alsnog leveren van dragend bewijs. Zo komen de jurisprudentielijn van de Afdeling bestuursrechtspraak en het College van beroep voor het bedrijfsleven weer min of meer bij elkaar en blijft de ‘derde vuistregel’ inzake bewijs bij bestuurlijke boeteprocedures nagenoeg ongewijzigd in stand.7