Procestaal: Litouws.
HvJ EU, 15-10-2026, nr. C-203/25
ECLI:EU:C:2026:863
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
15-10-2026
- Magistraten
I. Jarukaitis, R. Frendo, N. Jääskinen, M. Condinanzi, A. Kornezov
- Zaaknummer
C-203/25
- Roepnaam
Neo Group
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:863, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑10‑2026
Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑05‑2026
Uitspraak 15‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Fiscale bepalingen — Richtlijn 2011/96/EU — Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten — Vrijstelling van bronbelasting voor dividenden die door een ingezeten dochteronderneming worden uitgekeerd aan een niet-ingezeten moedermaatschappij — Artikel 1, leden 2 en 3 — Antimisbruikbepaling — Kunstmatige constructie — Stappen van een constructie — Keten van transacties — Objectieve analyse van alle relevante feiten en omstandigheden — Uiteindelijke dividendgerechtigde — Belastingvoordeel — Irrelevantie van de lidstaat of de fase waarin dit voordeel wordt verkregen — Subjectief element — Bewijs van het bestaan ervan ten aanzien van een van de deelnemers aan de betrokken keten van transacties — Evenredigheidsbeginsel — Bilaterale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belastingheffing
I. Jarukaitis, R. Frendo, N. Jääskinen, M. Condinanzi, A. Kornezov
Partij(en)
In zaak C-203/25*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor fiscale geschillen bij de regering van de Republiek Litouwen) bij beslissing van 26 februari 2025, ingekomen bij het Hof op 17 maart 2025, in de procedure
‘NEO GROUP’ UAB
tegen
Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, R. Frendo (rapporteur), N. Jääskinen, M. Condinanzi en A. Kornezov, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 februari 2026,
gelet op de opmerkingen van:
- —
‘NEO GROUP’ UAB, vertegenwoordigd door P. Likša en A. Medelienė, advokatai, en A. Venius, advokato padėjėjas,
- —
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Pérez Zapico en A. Torró Molés als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door P. P. Huurnink en J. Langer als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė en W. Roels als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 mei 2026,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, leden 2 en 3, en artikel 5 van richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PB 2011, L 345, blz. 8), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 (PB 2015, L 21, blz. 1) (hierna: ‘moeder-dochterrichtlijn’), en het evenredigheidsbeginsel.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ‘NEO GROUP’ UAB, een vennootschap naar Litouws recht (hierna: ‘NEO’), en de Valstybinė mokesčių inspekcija prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (nationale belastinginspectie bij het ministerie van Financiën van de Republiek Litouwen; hierna: ‘belastinginspectie’) over de heffing van belasting over de dividenden die door NEO zijn uitgekeerd aan haar in Cyprus geregistreerde moedermaatschappij Retal Industries Limited (hierna: ‘Retal’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 3 tot en met 6 van de moeder-dochterrichtlijn luiden als volgt:
- ‘(3)
Deze richtlijn strekt ertoe dividenden en andere winstuitkeringen van dochterondernemingen aan hun moedermaatschappijen vrij te stellen van bronbelasting en dubbele belastingheffing van zulke inkomsten op het niveau van de moedermaatschappij te elimineren.
- (4)
Hergroeperingen van vennootschappen uit verschillende lidstaten kunnen noodzakelijk zijn teneinde in de [Europese] Unie soortgelijke voorwaarden te scheppen als op een binnenlandse markt en daardoor de goede werking van de interne markt te verzekeren. Deze transacties mogen niet worden belemmerd door beperkingen, nadelen of distorsies die met name voortvloeien uit de fiscale voorschriften van de lidstaten. Er moet bijgevolg voor deze hergroeperingen in concurrentie-neutrale belastingvoorschriften worden voorzien om de ondernemingen in staat te stellen zich aan te passen aan de eisen van de interne markt, hun productiviteit te vergroten en hun concurrentiepositie op de internationale markt te versterken.
- (5)
Deze hergroeperingen kunnen leiden tot de vorming van groepen van moeder- en dochtermaatschappijen.
- (6)
Voor de inwerkingtreding van richtlijn 90/435/EEG [van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PB 1990, L 225, blz. 6)] vertoonden de fiscale voorschriften betreffende de betrekkingen tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten van land tot land aanzienlijke verschillen en waren deze in het algemeen minder gunstig dan de voorschriften voor de betrekkingen tussen moedermaatschappijen en dochterondernemingen van dezelfde lidstaat. De samenwerking tussen vennootschappen van verschillende lidstaten werd hierdoor benadeeld ten opzichte van de samenwerking tussen vennootschappen van dezelfde lidstaat. Deze benadeling moest worden opgeheven door invoering van een gemeenschappelijke regeling teneinde hergroeperingen van vennootschappen op Unieniveau aldus te vergemakkelijken.’
4
De overwegingen 1, 2 en 4 tot en met 8 van richtlijn 2015/121 luiden als volgt:
- ‘(1)
Richtlijn [2011/96] stelt dividenden en andere uitkeringen van winst van dochterondernemingen aan hun moedermaatschappijen vrij van bronbelasting en elimineert dubbele belasting van zulke inkomsten op het niveau van de moedermaatschappij.
- (2)
Er moet op worden toegezien dat richtlijn [2011/96] niet wordt misbruikt door belastingplichtigen die onder de toepassing ervan vallen.
[…]
- (4)
[De] [nationale of verdragsrechtelijke] bepalingen [die, in algemene of specifieke zin, gericht zijn op de bestrijding van belastingfraude of misbruik] zijn […] wellicht niet even strikt en zijn hoe dan ook toegesneden op de specifieke kenmerken van het belastingstelsel van iedere lidstaat. Bovendien zijn er lidstaten die geen nationale of verdragsrechtelijke bepalingen ter bestrijding van misbruik hebben.
- (5)
Het zou dan ook zeer nuttig zijn om in richtlijn [2011/96] een gemeenschappelijke minimumbepaling ter bestrijding van misbruik op te nemen teneinde misbruik van de richtlijn te bestrijden en een consistentere toepassing in de verschillende lidstaten te bewerkstelligen.
- (6)
De toepassing van antimisbruikregels moet evenredig zijn en moet specifiek gericht zijn op het aanpakken van een constructie of een reeks van constructies die kunstmatig is, met andere woorden, die de economische realiteit niet weerspiegelt.
- (7)
Daartoe moeten de belastingdiensten van de lidstaten bij het beoordelen van de vraag of er bij een constructie of een reeks constructies sprake is van misbruik, een objectieve analyse maken van alle relevante feiten en omstandigheden.
- (8)
Hoewel de lidstaten gebruik moeten maken van de antimisbruikbepaling om constructies aan te pakken die in hun geheel kunstmatig zijn, kunnen zich ook gevallen voordoen waarin slechts bepaalde stappen of onderdelen van een constructie kunstmatig zijn. De lidstaten moeten de antimisbruikbepaling eveneens kunnen toepassen om die specifieke stappen of onderdelen aan te pakken, waarbij de stappen of onderdelen van de constructie die wel authentiek zijn, ongemoeid worden gelaten. Aldus zou de antimisbruikbepaling zo doeltreffend mogelijk en op evenredige wijze worden toegepast. […]’
5
Artikel 1 van de moeder-dochterrichtlijn bepaalt:
- ‘1.
Elke lidstaat past deze richtlijn toe:
[…]
- b)
op winst die door vennootschappen van die lidstaat is uitgekeerd aan vennootschappen van andere lidstaten, waarvan zij dochterondernemingen zijn;
[…]
- 2.
De lidstaten kennen de voordelen van deze richtlijn niet toe voor een constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is.
Een constructie kan uit verscheidene stappen of onderdelen bestaan.
- 3.
Voor de toepassing van lid 2 wordt een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
- 4.
Deze richtlijn vormt geen beletsel voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke bepalingen ter bestrijding van belastingontduiking, belastingfraude en misbruik.’
6
Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn:
- a)
wordt de hoedanigheid van moedermaatschappij toegekend:
- i)
aan ten minste iedere vennootschap van een lidstaat […] die een deelneming van ten minste 10 % bezit in het kapitaal van een vennootschap van een andere lidstaat […];
[…]
- b)
wordt onder ‘dochteronderneming’ verstaan de vennootschap in het kapitaal waarvan de onder a) bedoelde deelneming wordt gehouden.’
7
Artikel 5 van deze richtlijn luidt als volgt:
‘De door een dochteronderneming aan de moedermaatschappij uitgekeerde winst wordt vrijgesteld van bronbelasting.’
LT-CY-verdrag
8
Het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting en ter bestrijding van belastingfraude dat op 21 juni 2013 tussen de Litouwse en de Cypriotische regering is gesloten (hierna: ‘LT-CY-verdrag’), regelt in artikel 10, leden 1 en 2, de verdeling van de bevoegdheden inzake de belastingheffing op dividenden tussen de twee verdragsluitende staten.
9
Artikel 10, lid 1, bepaalt dat dividenden die door een in een van de verdragsluitende staten gevestigde vennootschap worden uitgekeerd aan een ingezetene van de andere verdragsluitende staat, mogen worden belast in die andere staat.
10
Artikel 10, lid 2, van dit verdrag bepaalt dat deze dividenden eveneens overeenkomstig de wetgeving van de verdragsluitende staat waar de vennootschap die deze dividenden uitkeert, gevestigd is, in die staat mogen worden belast. Indien de uiteindelijke dividendgerechtigde echter gevestigd is in de andere verdragsluitende staat, mag de aldus geheven belasting niet meer bedragen dan 0 % van het brutobedrag van die dividenden, wanneer de uiteindelijk gerechtigde een vennootschap is die rechtstreeks ten minste 10 % van het kapitaal bezit van de vennootschap die deze dividenden uitkeert, of niet meer dan 5 % van dat bedrag in alle andere gevallen.
Litouws recht
11
De Lietuvos Respublikos pelno mokesčio įstatymas nr. IX-675 (wet nr. IX-675 van de Republiek Litouwen inzake de vennootschapsbelasting) van 20 december 2001, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: ‘wet inzake de vennootschapsbelasting’), definieert in artikel 2, punt 3, de ‘buitenlandse belastingplichtige entiteit’ (hierna: ‘buitenlandse entiteit’) als een buitenlandse rechtspersoon of organisatie waarvan de zetel in een buitenlandse staat is gevestigd en die overeenkomstig de wetgeving van die buitenlandse staat is opgericht of anderszins is georganiseerd, alsmede elke andere belastingplichtige entiteit die in het buitenland is opgericht, rechtspersoonlijkheid heeft of anderszins is georganiseerd, met inbegrip van instellingen voor collectieve belegging.
12
Artikel 3, lid 1, van de wet inzake de vennootschapsbelasting bepaalt dat Litouwse entiteiten en buitenlandse entiteiten vennootschapsbelasting verschuldigd zijn.
13
Artikel 4, lid 3, punt 2, van deze wet bepaalt dat de belastinggrondslag van een buitenlandse entiteit bestaat uit inkomsten uit Litouwen die door deze entiteit op een andere wijze dan via vaste inrichtingen op Litouws grondgebied worden ontvangen.
14
Volgens artikel 4, lid 4, punt 2, van deze wet omvatten inkomsten uit Litouwen die door een buitenlandse entiteit op een andere wijze dan via vaste inrichtingen op het grondgebied van die staat worden ontvangen, ook inkomsten uit uitgekeerde winsten.
15
Artikel 34, lid 1, van de wet inzake de vennootschapsbelasting bepaalt dat dividenden die buitenlandse entiteiten ontvangen op aandelen, kapitaalaandelen of andere rechten in een Litouwse entiteit, onderworpen zijn aan een vennootschapsbelasting van 15 %.
16
Artikel 34, lid 2, van deze wet bepaalt dat dividenden die door een Litouwse entiteit worden uitgekeerd aan een buitenlandse entiteit die gedurende een ononderbroken periode van ten minste twaalf maanden, met inbegrip van de datum van uitkering van de dividenden, ten minste 10 % van de aandelen van de Litouwse entiteit in bezit heeft, van belasting zijn vrijgesteld.
17
Artikel 32, lid 6, van deze wet (hierna: ‘Litouwse antimisbruikbepaling’) bepaalt dat de voorschriften betreffende de vrijstelling van dividenden in met name artikel 34, lid 2 van deze wet niet van toepassing zijn op een constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van richtlijn 2011/96 ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is. Deze bepaling verduidelijkt dat een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan en dat een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
Het kapitaal van NEO is sinds 10 augustus 2008 tot op de datum van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing voor 100 % in handen van Retal.
19
Retal bezit tevens 100 % van het kapitaal van een andere Litouwse vennootschap, ‘Retal Lithuania’ UAB (hierna: ‘Retal LT’).
20
In 2016 en 2017 ontving Retal dividenden van NEO ten bedrage van 15 000 000 EUR en van Retal LT ten bedrage van 13 485 032 EUR, wat neerkomt op een totaalbedrag van 28 485 032 EUR.
21
NEO was van mening dat de dividenden die zij aan Retal had uitgekeerd, niet onderworpen waren aan de vennootschapsbelasting zoals bedoeld in artikel 34, lid 1, van de wet op de vennootschapsbelasting, aangezien deze dividenden op grond van artikel 34, lid 2, van die wet van bronbelasting waren vrijgesteld.
22
Na een belastingcontrole voor de jaren 2016 en 2017 heeft de belastinginspectie op 30 oktober 2024 een besluit vastgesteld (hierna: ‘litigieus besluit’), waarin in wezen is vastgesteld dat er sprake was van een keten van transacties, waarna PG, een in Cyprus woonachtige natuurlijke persoon, de ‘uiteindelijk gerechtigde’ was van de dividenden die NEO en Retal LT aan Retal hadden uitgekeerd, zonder de bronheffing toe te passen waarin artikel 34, lid 2, van de wet op de vennootschapsbelasting voorziet. Volgens de belastingdienst vormt deze keten van transacties een constructie die tot doel heeft het fiscale voordeel te verkrijgen dat erin bestaat de vennootschapsbelasting over de door Retal ontvangen dividenden te ontwijken, en valt zij dus onder de Litouwse antimisbruikbepaling.
23
Bijgevolg heeft de belastingdienst NEO bij het litigieuze besluit een naheffing ter zake van de vennootschapsbelasting ten bedrage van 2 250 000 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, alsook een geldboete opgelegd.
24
NEO is tegen het litigieuze besluit opgekomen bij de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės (commissie voor fiscale geschillen bij de regering van de Republiek Litouwen), de verwijzende rechter.
25
Deze rechterlijke instantie is van oordeel dat de antimisbruikbepaling van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn (hierna: ‘antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn’) moet worden uitgelegd om te bepalen of de Litouwse antimisbruikbepaling van toepassing is op een situatie zoals die welke aan haar is voorgelegd.
26
De verwijzende rechter wijst erop dat het Hof met name in het arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark (C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135) reeds situaties heeft onderzocht die verband houden met kunstmatige constructies waarbij doorstroomvennootschappen worden gebruikt die de winst die zij ontvangen, doorsluizen naar een andere vennootschap van de groep, die de uiteindelijk gerechtigde is. Volgens hem vertoont de zaak die aan hem is voorgelegd echter kenmerken die het noodzakelijk maken om de reikwijdte van deze bepaling op andere dan de in dat arrest toegelichte punten te verduidelijken.
27
In dit verband volgt volgens de verwijzende rechter in de eerste plaats uit het in het vorige punt genoemde arrest dat het feit dat de vennootschap die dividenden ontvangt geen daadwerkelijke economische activiteit uitoefent, maar een doorstroomvennootschap is waarvan de enige activiteit erin bestaat deze dividenden te innen en door te sluizen naar de uiteindelijk gerechtigde of naar andere doorstroomvennootschappen, relevant is voor de vaststelling dat er sprake is van misbruik.
28
In casu heeft de belastinginspectie volgens de verwijzende rechter echter niet betwist dat Retal een daadwerkelijke economische activiteit uitoefent, maar heeft zij haar vaststelling dat misbruik is gepleegd gebaseerd op het bestaan van een kunstmatige constructie die blijkt uit verschillende elementen.
29
De verwijzende rechter merkt met name op dat de belastinginspectie de keten van transacties waarbij de in Belize geregistreerde vennootschap Clendon Holdings Inc., die 100 % van het kapitaal van Retal in handen had, alle aandelen daarvan voor een bedrag van 310 400 000 EUR heeft verkocht aan de Cypriotische vennootschap PPH Polymer Products Holding Ltd (hierna: ‘PPH’), die minder dan drie maanden eerder was opgericht, als een kunstmatige constructie heeft aangemerkt.
30
De verwijzende rechter merkt op dat volgens de belastinginspectie de betaling van de aankoopprijs van het kapitaal van Retal is uitgesteld tot 2027 en dat de daaruit voortvloeiende vordering door Clendon Holdings is overgedragen aan PG, die reeds de uiteindelijk gerechtigde was van zowel Clendon Holdings als PPH. Zo is er een schuld van PPH jegens PG ontstaan. Ten slotte heeft PG na al deze transacties een aanzienlijk geldbedrag van PPH in de vorm van leningen en een overdracht van rechten ontvangen, dat afkomstig was van de door de Litouwse vennootschappen uitgekeerde dividenden en dat is gebruikt om de schuld van PPH aan PG af te lossen. In deze context is de belastinginspectie van mening dat deze transacties wijzen op het bestaan van een kunstmatige constructie die tot doel heeft het fiscale voordeel te verkrijgen dat erin bestaat de belasting over deze dividenden in Litouwen te ontwijken.
31
De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat NEO met name aanvoert dat Retal als onderneming die een daadwerkelijke economische activiteit uitoefent, de uiteindelijk gerechtigde is in de zin van met name het LT-CY-verdrag, dat is gebaseerd op het modelverdrag ter voorkoming van dubbele belasting op inkomsten en vermogen, dat is opgesteld door het Comité voor fiscale aangelegenheden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (hierna: ‘OESO-modelverdrag’).
32
Volgens de verwijzende rechter moet in dit verband worden nagegaan of de nationale praktijk waarbij de Litouwse antimisbruikbepaling wordt toegepast op dividenden die weliswaar zijn uitgekeerd aan een vennootschap die daadwerkelijk een economische activiteit uitoefent, maar vervolgens worden gebruikt om kunstmatige transacties te verrichten, verenigbaar is met de doelstellingen van de moeder-dochterrichtlijn.
33
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat de belastingdienst in het litigieuze besluit heeft aangegeven dat het grootste deel van de door Retal in 2016 en 2017 ontvangen dividenden bestond uit dividenden die waren uitgekeerd door NEO en Retal LT. Bovendien heeft de belastinginspectie zich gebaseerd op de gelijkenis tussen, enerzijds, de bedragen van de door NEO en Retal LT aan Retal uitgekeerde dividenden en, anderzijds, de bedragen van de door Retal aan PPH uitgekeerde dividenden, alsook op de overeenstemming tussen het bedrag van de schuld van PPH aan PG en het bedrag van de schuld van PPH aan Clendon Holdings.
34
De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de overeenstemming tussen de bedragen van de dividenden die in verschillende stappen van een keten van transacties zijn overgedragen, het vermoeden rechtvaardigt dat er sprake is van een ‘keten van dividendoverdrachten’.
35
In de derde plaats merkt de verwijzende rechter op dat de belastinginspectie de Litouwse antimisbruikbepaling op NEO heeft toegepast omdat buiten Litouwen kunstmatige transacties zijn verricht tussen natuurlijke personen en rechtspersonen die niet in Litouwen zijn gevestigd.
36
Hij wil in wezen weten of een dergelijke toepassing van deze bepaling verenigbaar is met de doelstellingen van de moeder-dochterrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel.
37
In de vierde plaats wijst de verzoekende rechter erop dat een van de voorwaarden voor de toepassing van zowel de Litouwse antimisbruikbepaling als de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn is dat een belastingvoordeel wordt verkregen. Hij vraagt zich dan ook af of NEO kan worden geacht een dergelijk voordeel te hebben verkregen, terwijl aan het einde van de keten van transacties waaraan zij heeft deelgenomen, PG, een natuurlijke persoon die niet in Litouwen woont, een fiscaal voordeel heeft verkregen door gebruik te maken van de door NEO uitgekeerde dividenden.
38
In de vijfde plaats zet de verwijzende rechter uiteen dat volgens het arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark (C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135, punt 101), het feit dat de vennootschap die de dividenden heeft ontvangen deze dividenden zeer snel na de ontvangst ervan volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar entiteiten die niet voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van deze richtlijn, een aanwijzing vormt voor het bestaan van een constructie die erop gericht is een entiteit ten onrechte te laten profiteren van de vrijstelling waarin artikel 5 van de moeder-dochterrichtlijn voorziet.
39
Volgens de verwijzende rechter moet dan ook worden nagegaan of het voor de beoordeling van het bestaan van een kunstmatige constructie van belang is dat de dividenden van Retal niet in één keer, maar gedurende een ononderbroken periode zijn uitgekeerd.
40
In de zesde en laatste plaats merkt de verwijzende rechter op dat de belastinginspectie niet heeft onderzocht of NEO als dochteronderneming die deel uitmaakt van een groep van vennootschappen en afhankelijk is van de beslissingen van haar aandeelhouder, op de hoogte was of kon zijn van het bestaan van kunstmatige transacties binnen die groep. Hij vraagt zich dan ook af in hoeverre deze kennis van invloed is op de toepassing van de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn op een dergelijke dochteronderneming.
41
In deze omstandigheden heeft de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Is het in omstandigheden als die van het hoofdgeding verenigbaar met de doelstellingen van de antimisbruikregel van [de moeder-dochterrichtlijn] dat een nationale praktijk in de staat van de dividendbetaler de mogelijkheid van vrijstelling van bronbelasting op dividenden uitsluit, wanneer de dividenden worden uitgekeerd aan een daadwerkelijk in een andere lidstaat van de Unie actieve moedermaatschappij die als zodanig geen kunstmatige entiteit is, aangezien zij zakelijke activiteiten uitoefent, en de dividenden aan haar als uiteindelijk gerechtigde worden uitgekeerd, maar die moedermaatschappij door de belastingdienst wordt aangeduid als deelnemer in een keten van kunstmatige transacties omdat de dividenden via haar worden uitgekeerd/overgedragen aan de uiteindelijk gerechtigde van de gehele groep van ondernemingen?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan uit de overeenstemming tussen de (soortgelijke of identieke) dividendbedragen in een keten van transacties worden geconcludeerd dat er sprake is van een overdracht van dividenden binnen die keten?
- 3)
Is in omstandigheden als die van het hoofdgeding een nationale praktijk waarbij de belastingdienst de antimisbruikregel toepast in de staat waarin de dividenden worden uitgekeerd, ook al zijn de overeenkomsten op grond waarvan de keten van transacties als een constructie is aangemerkt (en die de belastingdienst als kunstmatig beschouwt), in een andere lidstaat van de Unie uitgevoerd door fiscaal ingezetenen in die andere lidstaat, verenigbaar met de doelstellingen van de antimisbruikregel van [de moeder-dochterrichtlijn], met inbegrip van het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in de overwegingen van richtlijn [2015/121]?
- 4)
Heeft de staat van de dividendbetaler op grond van de antimisbruikregel het recht om bronbelasting op dividenden te heffen wanneer in enige fase van de keten van transacties een belastingvoordeel ontstaat? Kan verzoekster worden geacht een belastingvoordeel te hebben verkregen dat het doel of de toepassing van [de moeder-dochterrichtlijn] ondermijnt, wanneer de uiteindelijk gerechtigde als gevolg van de totstandbrenging van een dergelijke keten van transacties een belastingvoordeel geniet en daartoe de door verzoekster uitgekeerde dividenden gebruikt?
- 5)
Kan artikel 1, lid 2, van [de moeder-dochterrichtlijn] in omstandigheden als die van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat de toepassing van de regel inzake ‘deelnemingsvrijstelling’, waarmee artikel 5 van richtlijn 2011/96 in nationaal recht is omgezet, wegens rechtsmisbruik kan worden uitgesloten op basis van het gebruik van de ontvangen dividenden, wanneer de ontvangst en het gebruik van de dividenden (de verdere winstuitkering) gedurende een ononderbroken periode hebben plaatsgevonden?
- 6)
Is in omstandigheden als die van het hoofdgeding een nationale praktijk waarbij de belastingdienst maatregelen toepast op een dividendbetaler zonder na te gaan of deze op de hoogte was en/of had kunnen zijn van het bestaan van een keten van kunstmatige transacties, verenigbaar met de doelstellingen van de antimisbruikregel van [de moeder-dochterrichtlijn]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
42
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, omdat deze moedermaatschappij deelneemt aan een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig zijn en deze dividenden aan het einde daarvan worden overgedragen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die direct of indirect de zeggenschap heeft over alle betrokken vennootschappen, ook al oefent deze moedermaatschappij daadwerkelijk een economische activiteit uit en is zij dus geen doorstroomvennootschap.
43
Vooraf moet worden opgemerkt dat de moeder-dochterrichtlijn volgens de overwegingen 3 tot en met 6 ervan ertoe strekt om dividenden en andere winstuitkeringen van dochterondernemingen aan hun moedermaatschappijen vrij te stellen van bronbelasting en dubbele belastingheffing van zulke inkomsten op het niveau van de moedermaatschappij te elimineren teneinde hergroeperingen van vennootschappen op Unieniveau te vergemakkelijken (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C-257/20, EU:C:2022:125, punt 59).
44
Deze richtlijn beoogt aldus de fiscale neutraliteit van de winstuitkering door een in een lidstaat gelegen onderneming aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij te verzekeren (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C-257/20, EU:C:2022:125, punt 60).
45
Daartoe bepaalt artikel 1, lid 1, onder b), van deze richtlijn dat deze van toepassing is op de uitkeringen van winst die een moedermaatschappij in een grensoverschrijdende relatie van haar dochteronderneming ontvangt, en bepaalt artikel 5 ervan dat die winst wordt vrijgesteld van bronbelasting.
46
Volgens een algemeen beginsel van het Unierecht kunnen justitiabelen zich echter niet door middel van fraude of misbruik beroepen op het Unierecht. Krachtens dit beginsel moet een lidstaat de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen weigeren indien zij niet worden ingeroepen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze bepalingen, maar om een Unierechtelijk voordeel te verkrijgen, terwijl slechts formeel aan de voorwaarden daarvoor is voldaan (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark, C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135, punten 70–72).
47
Zoals blijkt uit de overwegingen 1, 2 en 5 van richtlijn 2015/121, heeft de Uniewetgever de antimisbruikbepaling in de moeder-dochterrichtlijn opgenomen om de naleving van dat beginsel te waarborgen.
48
Krachtens deze bepaling mogen de lidstaten de voordelen van deze richtlijn niet toekennen voor een constructie of een reeks van constructies die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, en die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig is. Deze bepaling verduidelijkt dat een constructie of een reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
49
Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 30 april 2025, Generalstaatsanwaltschaft Frankfurt am Main (Uitvoer van liquide middelen naar Rusland), C-246/24, EU:C:2025:295, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50
Uit de bewoordingen van de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn blijkt dat aan twee voorwaarden moet worden voldaan om een onderneming van de voordelen van deze richtlijn te kunnen uitsluiten. Ten eerste moet de betrokken constructie kunstmatig zijn in de in deze bepaling omschreven zin. Ten tweede moet deze constructie zijn opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel van die richtlijn ondermijnt (arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 45).
51
Deze tweede voorwaarde zal worden getoetst in het kader van de antwoorden die ten eerste op de derde en de vierde vraag en ten tweede op de zesde vraag zullen worden gegeven.
52
Wat de eerste in de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn gestelde voorwaarde betreft, dat een keten van transacties als een ‘kunstmatige constructie’ wordt aangemerkt, blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling niet dat deze uitsluitend van toepassing is op specifieke situaties of soorten constructies. Integendeel, die bewoordingen gaan eerder uit van een globale benadering die erin bestaat aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden te onderzoeken of een constructie kunstmatig is omdat zij wordt gekenmerkt door het ontbreken van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 25).
53
Wat betreft de context en het doel van de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn, blijkt uit de overwegingen 4 en 5 van richtlijn 2015/121 dat deze bepaling, met name gezien de diversiteit van de nationale belastingstelsels, zeer nuttig is om elk misbruik van de moeder-dochterrichtlijn te voorkomen. Vastgesteld moet worden dat deze bepaling, zowel gezien de plaats die zij inneemt — namelijk in het eerste artikel van richtlijn 2011/96 — als gezien het daarmee uitgedrukte doel, een transversaal karakter heeft, hetgeen pleit voor een uitlegging die de toepassing ervan mogelijk maakt ongeacht de omstandigheden waarin het misbruik plaatsvindt. Een engere uitlegging zou niet in overeenstemming zijn met het doel om misbruik te bestrijden (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 26).
54
Bovendien moet worden opgemerkt dat de belastingdiensten van de lidstaten volgens overweging 7 van richtlijn 2015/121 bij het beoordelen van de vraag of er bij een constructie of een reeks constructies sprake is van misbruik, een objectieve analyse moeten verrichten van alle relevante feiten en omstandigheden. Die formulering wordt in essentie herhaald in artikel 1, lid 2, van richtlijn 2011/96, dat bepaalt dat de voordelen van deze richtlijn niet worden toegekend voor constructies die, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, kunstmatig zijn (arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 39).
55
Hieruit volgt dat in een situatie waarin een constructie uit meerdere stappen bestaat, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen of een of meer van deze stappen kunstmatig zijn. Niets in de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn wijst erop dat de daartoe te onderzoeken relevante feiten en omstandigheden beperkt zijn tot de situatie die bestaat op het moment waarop een van de stappen van de betrokken constructie plaatsvindt (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 41).
56
Uit de letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn volgt dus dat deze bepaling algemeen van toepassing is op elke soort kunstmatige constructie, en niet alleen op constructies met specifieke kenmerken.
57
Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om aan de hand van alle in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten na te gaan of de bestanddelen van misbruik in casu aanwezig zijn (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punten 30 en 40).
58
Hoewel het niet aan het Hof is om de feiten van het hoofdgeding te beoordelen, kan het niettemin in het kader van een prejudiciële verwijzing aanwijzingen geven aan de nationale rechter om hem te begeleiden bij de beoordeling van de concrete zaak die aan hem is voorgelegd (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark, C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135, punt 99).
59
In dit verband dient er vooraf aan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de bewijslast voor het bestaan van de bestanddelen van misbruik rust op de belastingdienst van de lidstaat die voornemens is de in artikel 5 van de moeder-dochterrichtlijn bedoelde vrijstelling te weigeren aan een vennootschap die dividenden heeft uitgekeerd aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap. Van deze belastingdienst kan echter niet worden verlangd dat hij bewijzen overlegt die hij niet kan leveren (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark, C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135, punten 117 en 118).
60
Voorts moet in de eerste plaats met de verwijzende rechter worden opgemerkt dat het Hof bij de beoordeling van een vrijstelling van de bronbelasting zoals die waarin artikel 5 van de moeder-dochterrichtlijn voorziet, een constructie die niet is opgezet om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, een zuiver formele structuur heeft en als hoofddoel of een van haar hoofddoelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt, stellig als een kunstmatige constructie heeft beschouwd. Het Hof heeft verduidelijkt dat met name sprake is van een dergelijke constructie wanneer de betaling van belasting over dividenden wordt vermeden doordat aan de structuur van de groep een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de vennootschap die de uiteindelijke dividendgerechtigde is (arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark, C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135, punt 100).
61
Uit deze overwegingen kan echter niet worden afgeleid dat de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn uitsluitend van toepassing zou zijn op constructies waarbij doorstroomvennootschappen betrokken zijn en dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie daar niet onder zou vallen, voor zover er geen doorstroomvennootschap bij de betrokken keten van transacties betrokken is. Uit punt 100 van het arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark (C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135), volgt integendeel dat het geval van een doorstroomvennootschap slechts een van de voorbeelden is waarin het principiële verbod van rechtsmisbruik wordt toegepast, hetgeen wordt aangegeven door het gebruik van de uitdrukking ‘met name’ (arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 28).
62
Het feit dat in een constructie die uit meerdere stappen bestaat, de eerste handeling bestaat in de uitkering van dividenden door een dochteronderneming aan een moedermaatschappij die een daadwerkelijke economische activiteit uitoefent, is dan ook op zichzelf geen grond om te concluderen dat er geen misbruik is. Het zou immers niet in overeenstemming zijn met de noodzaak om een alomvattend onderzoek te verrichten in de zin van de in de punten 52 tot en met 55 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, om uitsluitend de economische activiteit van deze moedermaatschappij te analyseren zonder rekening te houden met de andere relevante elementen.
63
Tot deze andere te beoordelen elementen behoren die welke door de belastinginspectie voor de verwijzende rechter zijn aangevoerd, namelijk de verkoop van aandelen van een vennootschap, het sluiten van leningsovereenkomsten en de overdracht van schuldvorderingen, zoals blijkt uit de punten 29 en 30 van dit arrest.
64
In de tweede plaats moet met betrekking tot het door de verwijzende rechter genoemde LT-CY-verdrag worden opgemerkt dat het Hof volgens de rechtspraak niet bevoegd is om uitspraak te doen over de vraag of een lidstaat de bepalingen heeft geschonden van een overeenkomst die hij met een of meer andere lidstaten heeft gesloten om de nadelige gevolgen van de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheid door twee lidstaten weg te werken of te verminderen. Evenmin kan het Hof onderzoeken hoe een nationale maatregel zich verhoudt tot de bepalingen van een verdrag ter vermijding van dubbele belasting, aangezien deze kwestie niet de uitlegging van het Unierecht betreft (arrest van 12 maart 2026, Marhaux, C-150/25, EU:C:2026:188, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Dit neemt niet weg dat het Hof in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van een bepaling van Unierecht in het licht van de feitelijke en juridische situatie die de verwijzende rechter in zijn verzoek heeft beschreven (arrest van 12 maart 2026, Marhaux, C-150/25, EU:C:2026:188, punt 23).
66
Wanneer een verwijzende rechter aangeeft dat een verdrag ter vermijding van dubbele belasting onderdeel vormt van het relevante regelgevingskader, moet het Hof dus rekening houden met dat verdrag en met de uitlegging ervan door de verwijzende rechter, teneinde die rechter een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te geven (arrest van 12 maart 2026, Marhaux, C-150/25, EU:C:2026:188, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67
In het onderhavige geval volgt uit artikel 10, leden 1 en 2, van het LT-CY-verdrag dat, wanneer een dochteronderneming dividenden uitkeert aan haar moedermaatschappij, de belastingdienst van de staat waar deze dochteronderneming is gevestigd, deze dividenden niet mag belasten indien deze moedermaatschappij de ‘uiteindelijk gerechtigde’ is.
68
In dit verband is de verwijzende rechter, die bevoegd is om het nationale recht en het LT-CY-verdrag uit te leggen, van oordeel dat dit verdrag moet worden uitgelegd in het licht van de toelichting bij het OESO-modelverdrag. Uit punt 12.5 van de toelichting bij artikel 10 van het OESO-modelverdrag blijkt dat het feit dat de ontvanger van de dividenden de ‘uiteindelijk gerechtigde’ is, niet betekent dat de in artikel 10, lid 2, van dat modelverdrag bedoelde belastingvermindering automatisch verschuldigd is. Deze vermindering mag namelijk niet worden toegekend indien de in dat lid vervatte bepaling wordt misbruikt.
69
Hoe dan ook volgt uit de rechtspraak dat verdragen tussen lidstaten, zelfs wanneer deze zijn gesloten op basis van het OESO-modelverdrag, niet kunnen worden ingeroepen om tot een resultaat te komen dat in strijd is met het Unierecht (zie in die zin de arresten van 14 december 2006, Denkavit Internationaal en Denkavit France, C-170/05, EU:C:2006:783, punt 53, en 29 juli 2024, Keva e.a., C-39/23, EU:C:2024:648, punt 48).
70
Gelet op bovenstaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij in beginsel niet in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, omdat deze moedermaatschappij deelneemt aan een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig zijn en deze dividenden aan het einde daarvan worden overgedragen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die direct of indirect de zeggenschap heeft over alle betrokken vennootschappen, ook al oefent deze moedermaatschappij daadwerkelijk een economische activiteit uit en is zij dus geen doorstroomvennootschap.
Tweede en vijfde vraag
71
Met zijn tweede en vijfde vraag, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de bedragen die binnen een keten van transacties, waarvan alle of sommige kunstmatig zijn, zijn overgedragen, vergelijkbaar zijn met of zelfs gelijk zijn aan de bedragen van de dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming zijn uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, en het feit dat deze overdrachten niet kort na de uitkering van deze dividenden, maar gedurende een ononderbroken periode hebben plaatsgevonden, relevante aanwijzingen vormen op grond waarvan de belastingdienst van een lidstaat kan vaststellen dat er sprake is van een kunstmatige constructie.
72
Aangezien NEO de door de verwijzende rechter vastgestelde feiten betwist, moet om te beginnen worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak uitsluitend de nationale rechter bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. Het Hof is dus uitsluitend bevoegd om zich over de uitlegging of geldigheid van een rechtsvoorschrift van de Unie uit te spreken tegen de achtergrond van de feitelijke en juridische situatie zoals die door de verwijzende rechter is beschreven, om deze laatste de elementen te verschaffen die nuttig zijn voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding. Zelfs wanneer de feiten in de verwijzingsbeslissing door een partij in het hoofdgeding worden betwist, moeten de gestelde vragen dus worden beantwoord op basis van de door de verwijzende rechter vermelde gegevens (arrest van 5 juni 2025, Elektrorazpredelitelni mrezhi Zapad, C-310/24, EU:C:2025:406, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Gelet op de in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing verstrekte gegevens, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat het feit dat de dividenden die een dochteronderneming aan de moedermaatschappij heeft uitgekeerd, zeer snel na de ontvangst ervan volledig of nagenoeg volledig door de vennootschap die deze heeft ontvangen worden doorgesluisd naar entiteiten die niet voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn, volgens de rechtspraak een aanwijzing vormt dat er sprake is van een constructie die ertoe strekt ten onrechte de vrijstelling te verkrijgen waarin artikel 5 van deze richtlijn voorziet (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark, C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135, punten 101 en 103).
74
Bijgevolg kan de verwijzende rechter bij zijn beoordeling of er sprake is van misbruik, het feit dat de bedragen van de door de moedermaatschappij ontvangen dividenden en de bedragen die aan het einde van de betrokken keten van transacties ten goede komen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over de bij deze keten van transacties betrokken vennootschappen, met elkaar overeenstemmen, als aanwijzing voor het bestaan van misbruik in aanmerking nemen.
75
In navolging van de Europese Commissie moet echter worden verduidelijkt dat dergelijke elementen niet kunnen leiden tot een algemeen vermoeden van misbruik.
76
In de tweede plaats kan het feit dat de moedermaatschappij de dividenden die zij van haar dochteronderneming heeft ontvangen, binnen een korte termijn aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen doorsluist, weliswaar eveneens een relevante aanwijzing voor het bestaan van misbruik vormen, maar daaruit volgt niet dat een dergelijke korte termijn vereist is om misbruik aan te tonen.
77
Het feit dat er binnen een groep van vennootschappen waarover dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon direct of indirect zeggenschap uitoefent, gedurende een bepaalde tijd met regelmatige tussenpozen vermogenstransacties hebben plaatsgevonden, sluit namelijk niet uit dat er sprake is van een kunstmatige constructie die is opgezet om deze persoon in staat te stellen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van de moeder-dochterrichtlijn ondermijnt. In dit verband dient te worden opgemerkt dat een kunstmatige constructie waarvan de gevolgen gedurende een bepaalde periode herhaaldelijk optreden, dit doel of deze toepassing niet minder ondermijnt dan een eenmalige constructie.
78
Wil de belastingdienst van de lidstaat waar de dochteronderneming die dividenden uitkeert, is gevestigd, een objectieve analyse van alle relevante feiten en omstandigheden kunnen verrichten, dan kan hij dus niet worden verplicht slechts een korte periode te onderzoeken. Integendeel, wanneer de constructie die kan leiden tot misbruik van een door de moeder-dochterrichtlijn verleend recht, zoals in casu inhoudt dat de structuur van de groep waartoe deze dochteronderneming behoort, wordt aangepast en dat diverse juridische transacties plaatsvinden waarbij leningen worden verstrekt, moet deze belastingdienst in zijn onderzoek alle elementen betrekken die een rol spelen bij de totstandkoming van dit mogelijke misbruik.
79
Gelet op bovenstaande overwegingen dient op de tweede en de vijfde vraag te worden geantwoord dat de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de bedragen die binnen een keten van transacties, waarvan alle of sommige kunstmatig zijn, zijn overgedragen, vergelijkbaar zijn met of zelfs gelijk zijn aan de bedragen van de dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming zijn uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, en het feit dat deze overdrachten niet kort na de uitkering van deze dividenden, maar gedurende een ononderbroken periode hebben plaatsgevonden, relevante aanwijzingen vormen op grond waarvan de belastingdienst van een lidstaat kan vaststellen dat er sprake is van een kunstmatige constructie, zonder dat dit afbreuk doet aan de noodzaak voor de belastingdienst om een objectieve analyse van alle relevante feiten en omstandigheden te verrichten teneinde na te gaan of de bestanddelen van misbruik aanwezig zijn.
Derde en vierde vraag
80
Met zijn derde en vierde vraag, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, wanneer de kunstmatig geachte transacties niet in de eerste lidstaat hebben plaatsgevonden, maar zijn verricht door natuurlijke personen of rechtspersonen die daar niet gevestigd zijn, onder meer door de persoon die aan het einde van alle betrokken transacties een belastingvoordeel geniet dankzij de vrijstelling van deze dividenden, ongeacht in welke fase van de transactieketen het belastingvoordeel wordt verkregen.
81
In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de moeder-dochterrichtlijn betrekking heeft op grensoverschrijdende situaties, waarbij steeds vennootschappen betrokken zijn die in verschillende lidstaten zijn gevestigd. Derhalve moeten situaties die mogelijk onder de antimisbruikbepaling van deze richtlijn vallen, worden onderworpen aan een alomvattend onderzoek, waarbij ook rekening wordt gehouden met transacties die plaatsvinden buiten de lidstaat waarvan de belastingdienst overweegt het bestaan van rechtsmisbruik in de zin van deze richtlijn vast te stellen en daartegen op te treden.
82
In de tweede plaats kan volgens de rechtspraak, met name gelet op overweging 8 van richtlijn 2015/121, waaruit blijkt dat het mogelijk is dat slechts bepaalde stappen of onderdelen van een constructie kunstmatig zijn en dus onder de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn vallen, niet worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om geldige zakelijke redenen die de economische werkelijkheid weerspiegelen, als kunstmatig moet worden beschouwd vanaf het moment dat deze in stand wordt gehouden ondanks een wijziging in de omstandigheden waardoor blijkt dat deze constructie niet langer door deze redenen wordt gerechtvaardigd (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Nordcurrent Group, C-228/24, EU:C:2025:239, punten 34–36).
83
Bijgevolg moet de mogelijkheid om de antimisbruikbepaling toe te passen op kunstmatige stappen van een constructie in die zin worden begrepen dat omstandigheden die zich na de totstandkoming van de constructie voordoen in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of de betrokken stap van de constructie kunstmatig is (arrest van 3 april 2025, Nordcurrent Group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 37).
84
Bijgevolg moet de belastingdienst van de lidstaat waar de dochteronderneming is gevestigd, zoals de advocaat-generaal in wezen in punt 56 van haar conclusies heeft opgemerkt, mede gelet op het feit dat het bestaan van misbruik, zoals blijkt uit punt 56 van het onderhavige arrest, moet worden vastgesteld aan de hand van een objectieve analyse van alle relevante feiten en omstandigheden, een alomvattend onderzoek verrichten dat ook de transacties omvat die — voor of na de uitkering van dividenden door de dochteronderneming aan de moedermaatschappij — buiten die lidstaat zijn verricht.
85
De antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn vereist namelijk niet het bewijs dat een belastingvoordeel dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, wordt verkregen door de dochteronderneming die de dividenden aanvankelijk heeft uitgekeerd en die de vrijstelling van bronbelasting heeft trachten te verkrijgen. Een dergelijk voordeel kan worden verkregen door de natuurlijke persoon die zeggenschap uitoefent over de groep van vennootschappen waarbinnen de keten van transacties ter verkrijging van dit voordeel plaatsvindt en die woonachtig is in een andere lidstaat dan die van de dochteronderneming die deze dividenden aanvankelijk heeft uitgekeerd. In dit verband dient te worden opgemerkt dat dergelijke ongerechtvaardigde voordelen niet zouden kunnen worden opgeheven indien de lidstaat die een ingezeten dochteronderneming heeft vrijgesteld van bronbelasting op deze dividenden, niet tevens rekening kon houden met de transacties die buiten die lidstaat zijn verricht met behulp van de bedragen die uit hoofde van die dividenden zijn ontvangen.
86
Wat het door de verwijzende rechter vermelde evenredigheidsbeginsel betreft, dient te worden opgemerkt dat dit wordt genoemd in overweging 6 van richtlijn 2015/121 en tevens een algemeen beginsel van het Unierecht is, dat is vastgelegd in artikel 5, lid 4, VEU. De eerbiediging van dit beginsel vereist dat de door de lidstaten vastgestelde maatregelen geschikt zijn om hun doel te verwezenlijken en niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken (arrest van 20 december 2017, Deister Holding en Juhler Holding, C-504/16 en C-613/16, EU:C:2017:1009, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve moeten de maatregelen die de nationale autoriteiten nemen om fraude en misbruik van de door de moeder-dochterrichtlijn verleende rechten te voorkomen, aan deze voorwaarden voldoen.
87
Een uitlegging van de antimisbruikbepaling van deze richtlijn op grond waarvan het bestaan van misbruik kan worden vastgesteld door middel van een analyse waarbij ook de transacties buiten de lidstaat van vestiging van de dochteronderneming worden meegenomen, is duidelijk geschikt om bovengenoemd doel te verwezenlijken. Voorts is deze uitlegging onontbeerlijk voor de bestrijding van constructies waarvan pas na een dergelijke analyse kan worden vastgesteld dat zij misbruik vormen.
88
Wat voorts het argument van NEO betreft dat deze uitlegging leidt tot een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal, volgt uit de rechtspraak dat een in een lidstaat gevestigde vennootschap zich, gelet op het in punt 46 van dit arrest genoemde algemene beginsel dat rechtsmisbruik verbiedt, niet kan beroepen op de door het VWEU gewaarborgde vrijheden om op te komen tegen de regeling inzake belastingheffing op dividenden die worden uitgekeerd aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, wanneer vaststaat dat de toepassing van deze regeling het mogelijk maakt dergelijk misbruik te voorkomen (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark, C-116/16 en C-117/16, EU:C:2019:135, punt 122).
89
Gelet op bovenstaande overwegingen dient op de derde en vierde vraag te worden geantwoord dat de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, wanneer de kunstmatig geachte transacties niet in de eerste lidstaat hebben plaatsgevonden, maar zijn verricht door natuurlijke personen of rechtspersonen die daar niet gevestigd zijn, onder meer door de persoon die aan het einde van alle betrokken transacties dankzij de vrijstelling van deze dividenden een belastingvoordeel geniet, ongeacht in welke fase van de transactieketen het belastingvoordeel wordt verkregen.
Zesde vraag
90
Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, zonder vast te stellen dat deze dochteronderneming wist of had kunnen weten dat deze uitkering deel uitmaakte van een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig waren.
91
Zoals in wezen blijkt uit punt 50 van dit arrest, volstaat de kwalificatie van een keten van transacties als een ‘kunstmatige constructie’ niet om krachtens de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn de vrijstelling van vennootschapsbelasting op ontvangen dividenden te weigeren (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 49). Daarnaast moet deze constructie zijn opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 46).
92
Voorts is volgens vaste rechtspraak voor het bewijs van misbruik enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet is bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (arrest van 3 april 2025, Nordcurrent group, C-228/24, EU:C:2025:239, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93
Hieruit volgt dat voor de toepassing van de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat een dergelijk subjectief element aanwezig is.
94
Om te bepalen hoe deze voorwaarde moet worden getoetst, moet worden opgemerkt dat elke dividenduitkering waarop deze richtlijn betrekking heeft, een transactie is waarbij ten minste twee vennootschappen betrokken zijn.
95
Met name gezien de definities van ‘moedermaatschappij’ en ‘dochteronderneming’ in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, waarin wordt bepaald dat de eerste een deelneming van ten minste 10 % in het kapitaal van de tweede bezit, is het mogelijk dat een dividenduitkering voortvloeit uit een besluit van de moedermaatschappij.
96
Voorts zou een dergelijk besluit deel kunnen uitmaken van een reeks besluiten die zijn genomen binnen de groep waartoe de dochteronderneming die deze uitkering verricht en haar moedermaatschappij behoren.
97
Indien echter de voorwaarde dat het in punt 92 van dit arrest bedoelde subjectieve element aanwezig is, uitsluitend op het niveau van deze dochteronderneming zou moeten worden getoetst, doordat zou worden nagegaan of deze wist of kon weten dat dezelfde uitkering deel uitmaakte van een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig zijn, die was opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van de moeder-dochterrichtlijn ondermijnt, zou dit afbreuk doen aan de nuttige werking van de antimisbruikbepaling van deze richtlijn alsook aan het doel van deze bepaling, waarin het in punt 46 van dit arrest genoemde algemene beginsel tot uitdrukking komt dat rechtsmisbruik verbiedt.
98
Bijgevolg is het voldoende dat het bestaan van het subjectieve element, namelijk de bedoeling om een uit de regelgeving van de Unie voortvloeiend voordeel te verkrijgen door op kunstmatige wijze de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat, wordt aangetoond voor ten minste een van de vennootschappen van de groep die aan deze keten van transacties deelnemen of voor de natuurlijke persoon die aan het einde van die keten van transacties dit voordeel geniet, zonder dat vereist is dat deze dochteronderneming zelf op de hoogte was van deze bedoeling.
99
Gelet op het voorgaande moet op de zesde vraag worden geantwoord dat de antimisbruikbepaling van de moeder-dochterrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, zonder vast te stellen dat deze dochteronderneming wist of had kunnen weten dat deze uitkering deel uitmaakte van een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig waren, die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, op voorwaarde dat wordt aangetoond dat ten minste een van de vennootschappen van de groep die aan deze keten van transacties deelnemen of de natuurlijke persoon die aan het einde van deze keten van transacties dit voordeel geniet, op de hoogte was of had kunnen zijn van het bestaan ervan.
Kosten
100
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 1, leden 2 en 3, van richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015,
moet aldus worden uitgelegd dat
het in beginsel niet in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, omdat deze moedermaatschappij deelneemt aan een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig zijn en deze dividenden aan het einde daarvan worden overgedragen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die direct of indirect de zeggenschap heeft over alle betrokken vennootschappen, ook al oefent deze moedermaatschappij daadwerkelijk een economische activiteit uit en is zij dus geen doorstroomvennootschap.
- 2)
moet aldus worden uitgelegd dat
het feit dat de bedragen die binnen een keten van transacties, waarvan alle of sommige kunstmatig zijn, zijn overgedragen, vergelijkbaar zijn met of zelfs gelijk zijn aan de bedragen van de dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming zijn uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, en het feit dat deze overdrachten niet kort na de uitkering van deze dividenden, maar gedurende een ononderbroken periode hebben plaatsgevonden, relevante aanwijzingen vormen op grond waarvan de belastingdienst van een lidstaat kan vaststellen dat er sprake is van een kunstmatige constructie, zonder dat dit afbreuk doet aan de noodzaak voor de belastingdienst om een objectieve analyse van alle relevante feiten en omstandigheden te verrichten teneinde na te gaan of de bestanddelen van misbruik aanwezig zijn.
- 3)
Artikel 1, leden 2 en 3, van richtlijn 2011/96, zoals gewijzigd bij richtlijn 2015/121, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel,
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, wanneer de kunstmatig geachte transacties niet in de eerste lidstaat hebben plaatsgevonden, maar zijn verricht door natuurlijke personen of rechtspersonen die daar niet gevestigd zijn, onder meer door de persoon die aan het einde van alle betrokken transacties dankzij de vrijstelling van deze dividenden een belastingvoordeel geniet, ongeacht in welke fase van de transactieketen het belastingvoordeel wordt verkregen.
- 4)
het niet in de weg staat aan een nationale praktijk waarbij de belastingdienst van een lidstaat bronbelasting heft over dividenden die door een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming worden uitgekeerd aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, zonder vast te stellen dat deze dochteronderneming wist of had kunnen weten dat deze uitkering deel uitmaakte van een keten van transacties waarvan alle of sommige kunstmatig waren, die is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om een belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt, op voorwaarde dat wordt aangetoond dat ten minste een van de vennootschappen van de groep die aan deze keten van transacties deelnemen of de natuurlijke persoon die aan het einde van deze keten van transacties dit voordeel geniet, op de hoogte was of had kunnen zijn van het bestaan ervan.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑10‑2026
Conclusie 21‑05‑2026
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.