Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.3.2.2
3.3.2.2 'Vollopen' onvolwaardige vordering
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455346:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. tevens Hof Arnhem d.d. 8 maart 1996, FUtD 96-1032 waarin het hof eveneens tot het oordeel kwam dat geen sprake was van inkomsten uit arbeid, ook al had belanghebbende als directeur van de vennootschap afgezien van salaris. Zie inzake deze jurisprudentie uitgebreider P. Fortuin, Turbo-BV getorpedeerd, maar niet gezonken, WFR 1993/6084, blz. 1944-1955.
In zijn noot onder dit arrest in BNB 1993/143 suggereert J.E.A.M. van Dijck dat onder 'binnen afzienbare tijd' een periode van vijf jaar kan worden verstaan.
Een andere mogelijkheid om van een turbovennootschap gebruik te maken, betrof de mogelijkheid om de aandelen in een dergelijke vennootschap te kopen inclusief een waardeloze of onvolwaardige vordering op deze vennootschap. Door de inbreng van winstgevende activiteiten in de turbovennootschap werd de vordering weer volwaardig en kon onbelast worden afgelost. In voornoemde resolutie werd door de staatssecretaris van Financiën het standpunt ingenomen dat de aflossing van de schuldvordering was belast als inkomsten uit andere arbeid ex art. 22, eerste lid, onderdeel b, Wet IB. De arbeid bestond dan in de activiteiten die de aandeelhouder had verricht teneinde de bij aankoop van de aandelen (nagenoeg) lege vennootschap 'vol te laten lopen'.
Nadat de Hoge Raad in HR 8 mei 1985, BNB 1985^/231 reeds had geoordeeld dat de aflossing van de schuldvordering niet kon worden aangemerkt als inkomsten uit andere arbeid, herhaalde de Hoge Raad dit oordeel in HR 10 maart 1993, BNB 1993/143. In tegenstelling tot het eerstgenoemde arrest was in dit laatstgenoemde arrest pikant dat de desbetreffende schuldvordering versneld 'volliep' doordat de aandeelhouder geen gebruikelijk salaris van de vennootschap had bedongen. Desalniettemin oordeelde de Hoge Raad evenals in 1985 dat het kopen van aandelen in een vennootschap tezamen met een niet volwaardige vordering op die vennootschap, welke aandelen en welke vordering tot het privé-vermogen van de koper zijn gaan behoren, een transactie is in de particuliere vermogenssfeer en als zodanig geen arbeid vormt in de zin van art. 22, eerste lid, onderdeel b, Wet IB.1 Dit is slechts anders als de aankoop van de aandelen in de turbovennootschap en de vordering enerzijds en de werkzaamheden van de aandeelhouder als directeur anderzijds onderdeel vormen van een meer omvattend geheel van werkzaamheden bestaande in de aankoop van de aandelen en de vordering, het tot stand brengen van een waardevermeerdering daarvan en het vervolgens binnen afzienbare tijd realiseren van die waardevermeerdering door verkoop van de aandelen tezamen met inning of verkoop van de vordering.2