CBb, 13-02-2014, nr. AWB 13/290
ECLI:NL:CBB:2014:59
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
13-02-2014
- Zaaknummer
AWB 13/290
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CBB:2014:59, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13‑02‑2014; (Eerste aanleg - meervoudig, Proceskostenveroordeling)
ECLI:NL:CBB:2013:224, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06‑11‑2013; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Wetingang
- Vindplaatsen
AB 2014/112 met annotatie van A. Drahmann
Uitspraak 13‑02‑2014
Inhoudsindicatie
subsidie integraal duurzame stal
Partij(en)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 13/290
5101
Uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2014 in de zaak tussen
[naam 1], te [woonplaats 1], appellant
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2012 heeft verweerder de aanvraag van appellant om steun bij investering in een integraal duurzame stal (subsidie) op grond van de Regeling GLB‑inkomenssteun 2006 (de Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 21 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Bij tussenuitspraak van 6 november 2013 heeft het College verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in die tussenuitspraak en heeft hij iedere verdere beslissing aangehouden.
Verweerder heeft bij brief van 29 november 2013 een nadere motivering op het bestreden besluit aan het College gezonden. Appellant heeft hierop gereageerd.
Overwegingen
1.
Op grond van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt het College dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 6 november 2013. Het College neemt over en blijft bij al wat hij in deze uitspraak heeft overwogen en beslist.
3.1
In de tussenuitspraak heeft het College vastgesteld dat beoordelingsmemorandum van de commissie onder het kopje ‘Algemeen analyse’ onder meer het volgende vermeldt:
“De vloer wil de aanvrager uitvoeren als een 2% hellende, v-vormige betonvloer met rubberen matten. Voor 2 andere bedrijven is een proefstalstatus aangevraagd, deze geldt echter niet voor de stal van de aanvrager. Er is daarom geen scoring op emissiefactor.”
Het College heeft geoordeeld dat beoordelingscommissie is uitgegaan van een feitelijk onjuiste situatie. Ook voor het bedrijf van appellant was immers op 31 juli 2012 de proefstalstatus aangevraagd, hetgeen is vermeld in de subsidieaanvraag van appellant en ook blijkt uit de bij de aanvraag ingezonden stukken. Het vorenstaande heeft het College tot de conclusie geleid dat verweerder zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het advies van de commissie, dat aan de afwijzing van de subsidieaanvraag ten grondslag is gelegd, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, hetgeen in strijd is met artikel 3:9 Awb. Het College heeft verder geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 Awb niet berust op een deugdelijke motivering: het door verweerder in dit besluit ingenomen standpunt dat een proefstalstatus is aangevraagd maar dat daarop ten tijde van de aanvraag voor de subsidie nog niet was beslist komt immers niet overeen met hetgeen uit de hiervoor geciteerde tekst van het beoordelingsmemorandum volgt, namelijk dat géén proefstalstatus zou zijn aangevraagd.
3.2
Het College heeft in de tussenuitspraak aan verweerder de aanwijzing gegeven om, bij zijn poging het geconstateerde gebrek te herstellen, inzicht te geven in hoe het beoordelingsproces van de aanvraag van appellant zich verhoudt tot dat van de aanvragen van de twee andere bedrijven die in het beoordelingsmemorandum worden genoemd – en waarbij verweerder dus wist dat zij een proefstalstatus hadden aangevraagd – alsmede het beoordelingsproces van andere subsidieaanvragen waarbij een proefstalstatus was aangevraagd.
4.
Verweerder heeft in zijn reactie op de tussenuitspraak gesteld dat de passage in het beoordelingsmemorandum afkomstig is uit de subsidieaanvraag van appellant. In die aanvraag heeft appellant volgens verweerder aangegeven dat er voor twee andere bedrijven de proefstalstatus is aangevraagd, maar dat appellant zelf nog geen aanvraag heeft ingediend. Verweerder stelt dat hij niet weet wie de door appellant genoemde twee bedrijven zijn. Verder merkt verweerder op dat de betreffende passage in het beoordelingsmemorandum geen invloed heeft gehad op de uitkomst van de besluitvorming omdat de vraag of een proefstalstatus al dan niet is aangevraagd geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de aanvraag van appellant.
5.
Appellant heeft er in zijn reactie op gewezen dat de opvatting van verweerder dat hij in zijn aanvraag heeft aangegeven dat hij nog geen proefstalstatus had ingediend, onjuist is: uit bladzijde 7 van zijn aanvraag blijkt immers dat hij een proefstalstatus heeft aangevraagd. Deze status is op2 november 2012, dus nog voordat door verweerder afwijzend op de subsidieaanvraag is beslist, aan appellant toegekend. De twee andere bedrijven, die, evenals appellant, ten tijde van hun aanvraag voor de subsidie een proefstalstatus hadden aangevraagd, maar daarop nog geen beschikking hadden ontvangen, zijn de bedrijven van heer [naam 2] te [woonplaats 2] en van de heer [naam 3] te [woonplaats 3]. Aan hen is inmiddels de subsidie toegekend, aldus appellant.
6.
Het College is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Daartoe is redengevend dat verweerder geen inzicht heeft gegeven in hoe het beoordelingsproces van de aanvraag van appellant zich verhoudt tot dat van de aanvragen van de twee andere bedrijven die zijn genoemd in het beoordelingsmemorandum alsmede het beoordelingsproces van andere subsidieaanvragen waarbij een proefstalstatus was aangevraagd. Hierdoor heeft verweerder geen gevolg gegeven aan de door het College in de tussenuitspraak gegeven aanwijzing. Als verweerder al niet wist om welke twee bedrijven het gaat, had het in het kader van deze herstelpoging op de weg van verweerder gelegen om die informatie te vergaren. Het College overweegt verder dat uit de aanvullende motivering van verweerder blijkt dat verweerder, door op te merken dat appellant zelf nog geen proefstalstatus had aangevraagd, wederom van een onjuiste lezing van de subsidieaanvraag van appellant is uitgegaan en daarmee van een onjuiste feitelijke situatie. Zoals het College reeds heeft vastgesteld in (paragrafen 1 en 6 van) de tussenuitspraak was ook voor het bedrijf van appellant (op 31 juli 2012) een proefstalstatus aangevraagd, hetgeen is vermeld in de subsidieaanvraag.
Of de betreffende passage in het beoordelingsmemorandum geen invloed heeft gehad op de uitkomst van de besluitvorming, zoals verweerder stelt, kan het College, bij gebrek aan verslaglegging door de beoordelingscommissie – op wier advies de besluitvorming steunt – niet vaststellen. Deze blote stelling van verweerder kan daarom niet dienen als deugdelijke motivering van de beslissing op bezwaar.
7.
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen is vastgesteld en overwogen in de tussenuitspraak en in deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van vier weken.
8.
Het College ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 1.217,50(1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punten voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met wegingsfactor 1).
Beslissing
Het College:
- -
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- -
bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant;
- -
veroordeelt verweerder in de kosten van appellant in dit geding ten bedrage van € 1.217,50;
- -
bepaalt dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht ad € 160,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. J. Schukking en mr. M. de Mol, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op13 februari 2014.
w.g. R.C. Stam w.g. E. van Kerkhoven
Uitspraak 06‑11‑2013
Inhoudsindicatie
subsidie integraal duurzame stal
Partij(en)
tussenuitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 13/290
5101
Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2013 in de zaak tussen
[A], te [woonplaats], appellant
(gemachtigde: [B]),
en
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2012 heeft verweerder de aanvraag van appellant om steun bij investering in een integraal duurzame stal (subsidie) op grond van de Regeling GLB‑inkomenssteun 2006 (de Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 21 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.
Appellant wil investeren in een nieuwe melkveestal voor 120 dieren. Samen met een aantal andere veehouders heeft hij een emissiearme loopvloer voor melkkoeien ontwikkeld die hij in deze stal wil aanbrengen. In zijn subsidieaanvraag heeft appellant toegelicht dat deze investering duurzaam is onder meer omdat de verwachte emissiefactor ammoniak 6,56 kg/dierplaats/jaar is. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij in zijn subsidieaanvraag naar het bijgevoegde rapport van Monteny Milieu Advies dat is opgesteld ten behoeve van de aanvraag van een proefstalstatus.
2.
Verweerder heeft ter motivering van de afwijzing van de subsidieaanvraag van appellant erop gewezen dat het subsidiebudget voor 2012 onvoldoende is om alle aanvragen die aan de voorwaarden voldoen goed te keuren en dat de aanvraag van appellant door de op grond van artikel 34 van de Regeling ingestelde commissie, die alle aanvragen rangschikt op basis van de beoordelingscriteria, te laag is gerangschikt om voor subsidie in aanmerking te komen.
3.
Niet in geschil is dat de emissiewaarde in de beoordeling van de subsidieaanvraag wordt betrokken. Dit gebeurt bij het beoordelingscriterium ‘milieu’. Hoe lager de emissie, hoe hoger de waardering. Verder staat vast dat op het moment van de sluiting van de aanvraagperiode voor subsidie de door appellant aangevraagde proefstalstatus, waarbij op grond van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) een bijzondere emissiefactor wordt vastgesteld, nog niet was toegekend.
4.
Appellant voert aan dat de commissie bij de beoordeling van zijn subsidieaanvraag is uitgegaan van een feitelijk onjuiste situatie en dat hij hierdoor onterecht punten bij het criterium ‘milieu’ is misgelopen. Uit navraag bij Dienst Regelingen is appellant gebleken dat indien deze punten wel waren toegekend, zijn investeringsplan op een plek binnen de rangschikking zou zijn gevallen die voor toekenning van subsidie in aanmerking kwam.
5.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat alleen wanneer de proefstalstatus is toegekend, of als er al een voorlopige emissiewaarde is vastgesteld, die waarde kan worden betrokken in de beoordeling.
6.
Het College stelt vast dat het beoordelingmemorandum van de commissie onder het kopje ‘Algemeen analyse’ onder meer het volgende vermeldt:
“De vloer wil de aanvrager uitvoeren als een 2% hellende, v-vormige betonvloer met rubberen matten. Voor 2 andere bedrijven is een proefstalstatus aangevraagd, deze geldt echter niet voor de stal van de aanvrager. Er is daarom geen scoring op emissiefactor.”
Het College is met appellant van oordeel dat hieruit blijkt dat de commissie bij de beoordeling van zijn subsidieaanvraag is uitgegaan van een feitelijk onjuiste situatie. Ook voor het bedrijf van appellant was immers (op 31 juli 2012) de proefstalstatus aangevraagd, hetgeen is vermeld in de subsidieaanvraag van appellant en ook blijkt uit de bij de aanvraag ingezonden stukken. Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat verweerder zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het advies van de commissie, dat aan de afwijzing van de subsidieaanvraag ten grondslag is gelegd, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dit is in strijd met artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College is verder van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. De reden hiervoor is dat het door verweerder in dit besluit ingenomen standpunt niet overeen komt met hetgeen uit de hiervoor geciteerde tekst van het beoordelingsmemorandum volgt, namelijk dat geen proefstalstatus zou zijn aangevraagd. De beroepsgrond van appellant slaagt.
7.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het redelijk en billijk zou zijn geweest indien verweerder in de beoordelingsfase aanvullende informatie had opgevraagd over de proefstalstatus. Appellant begrijpt niet dat op 5 september 2012 wel informatie is opgevraagd over de stallocatie, maar niet meer is geïnformeerd naar de proefstalstatus.
8.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet tot de mogelijkheden behoort om een aanvraag na het sluiten van de aanvraagperiode nog inhoudelijk aan te vullen. Met deze regel wordt beoogd een gelijke behandeling van de aanvragen te garanderen.
9.
Het College onderschrijft het standpunt van verweerder dat, vanuit het oogpunt van gelijke behandeling, uitsluitend de inhoudelijke informatie die door aanvragers voor het einde van de aanvraagperiode is verstrekt, bij de beoordeling kan worden betrokken. Het lag daarom, anders dan appellant betoogt, niet op de weg van verweerder om in de beoordelingsfase nog naar (de toekenning van) de proefstalstatus te informeren. Wel moet verweerder bij de voorbereiding van een besluit nagaan of een aanvraag compleet is en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, de aanvrager in de gelegenheid stellen om ontbrekende informatie alsnog te verstrekken, hetgeen verweerder in dit geval met de brief van 5 september 2012 heeft gedaan. Deze beroepsgrond van appellant slaagt niet.
10.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, Awb kan het College verweerder in de gelegenheid stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a Awb doet het College dan een tussenuitspraak. Het College ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. In deze aanvullende motivering dan wel de nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder ook inzicht te geven in hoe het beoordelingsproces van de aanvraag van appellant zich verhoudt tot dat van de aanvragen van de twee andere bedrijven die in het beoordelingsmemorandum worden genoemd alsmede dat van andere subsidieaanvragen waarbij een proefstalstatus was aangevraagd. Het College bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
11.
Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan het College. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal het College appellant in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal het College in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
12.
Het College houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat hij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
Het College:
- -
stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. J. Schukking en mr. M. de Mol, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.
w.g. R.C. Stam w.g. E. van Kerkhoven