Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 06-03-2025, nr. C-20/24
ECLI:EU:C:2025:139
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
06-03-2025
- Magistraten
M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
- Zaaknummer
C-20/24
- Roepnaam
Cymdek
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:139, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑03‑2025
Uitspraak 06‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Luchtvervoer — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Artikel 2, onder g) — Artikel 3, leden 2 en 3 — Recht op compensatie in geval van langdurige vertraging van een vlucht — Werkingssfeer — Passagiers met een instapkaart — Bewijs van een door de luchtvaartmaatschappij bevestigde boeking — Passagiers die gratis reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is — Vlucht die deel uitmaakt van een door een derde betaalde pakketreis — Bewijslast van de betaling
M. Gavalec, Z. Csehi, F. Schalin
Partij(en)
In zaak C-20/24 [Cymdek] i., *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla m. st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 24 november 2023, ingekomen bij het Hof op 12 januari 2024, in de procedure
M1.R.,
M2.R.
tegen
AAA sp. z o.o.,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: M. Gavalec (rapporteur), kamerpresident, Z. Csehi en F. Schalin, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
M1.R. en M2.R., vertegenwoordigd door P. Mędygrał, radca prawny,
- —
AAA sp. z o.o., vertegenwoordigd door K. Bień, radca prawny,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Sasinowska en N. Yerrell als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder g), en artikel 3, leden 2 en 3, onder c), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificatie in PB 2021, L 420, blz. 134).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M1.R. en M2.R., twee luchtreizigers (hierna: ‘passagiers in het hoofdgeding’), enerzijds, en de vennootschap AAA sp. z o.o., een luchtvaartmaatschappij, anderzijds, over de vordering tot compensatie die deze passagiers op grond van verordening nr. 261/2004 hebben ingesteld naar aanleiding van een langdurige vertraging van een vlucht bij aankomst op de eindbestemming.
Toepasselijke bepalingen
3
De overwegingen 1 en 5 van verordening nr. 261/2004 luiden:
- ‘(1)
Het optreden van de [Europese] Gemeenschap op het gebied van het luchtvervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.
[…]
- (5)
Aangezien het onderscheid tussen geregeld en ongeregeld luchtvervoer steeds meer vervaagt, dient de bescherming van de passagiers niet alleen te gelden voor geregelde vluchten maar ook voor ongeregelde vluchten, met inbegrip van vluchten in het kader van pakketreizen.’
[…]’
4
In artikel 2 (‘Definities’) van die verordening wordt bepaald:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- f)
‘ticket’: een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan;
- g)
‘boeking’: het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator;
[…]
- j)
‘instapweigering’: weigering om passagiers op een vlucht te vervoeren, hoewel zij zich voor instappen hebben gemeld volgens de voorwaarden van artikel 3, lid 2, zonder dat de instapweigering is gebaseerd op redelijke gronden zoals redenen die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging, of ontoereikende reisdocumenten;
[…]’
5
In artikel 3 ‘Werkingssfeer’ van die verordening wordt verklaard:
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing
- a)
op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;
- b)
op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is.
- 2.
Lid 1 is van toepassing op voorwaarde dat de passagiers
- a)
een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hebben en zich — behalve in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 — bij de incheckbalie melden,
- —
zoals bepaald en op de tijd die van tevoren door de luchtvaartmaatschappij, de touroperator of een erkend reisbureau schriftelijk (waaronder via elektronische weg) is aangegeven,
of, indien er geen tijd wordt aangegeven,
- —
uiterlijk 45 minuten voor de gepubliceerde vertrektijd, of
- b)
door een luchtvaartmaatschappij of touroperator van de vlucht waarvoor zij een boeking hadden, zijn overgeplaatst naar een andere vlucht, ongeacht de reden.
- 3.
Deze verordening geldt niet voor passagiers die gratis reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is. Passagiers die in het bezit zijn van tickets die door een luchtvaartmaatschappij of touroperator zijn verstrekt in het kader van een Frequent Flyer-programma of een ander commercieel programma, vallen echter wel onder deze verordening.
[…]
- 5.
Deze verordening is van toepassing op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
6
AAA, een luchtvaartmaatschappij die chartervluchten aanbiedt, heeft met BBB sp. z o.o., een touroperator, een overeenkomst gesloten op grond waarvan AAA haar op bepaalde tijdstippen bepaalde vluchten ter beschikking stelde waarvoor BBB vervolgens tickets verkocht aan luchtreizigers. BBB betaalde de prijs van de vliegtickets aan AAA.
7
De passagiers in het hoofdgeding hebben deelgenomen aan een pakketreis en in dat kader op 20 mei 2021 een vlucht genomen van Tenerife (Spanje) naar Warschau (Polen), die werd uitgevoerd door AAA. De pakketreisovereenkomst was door CCC sp. z o.o. namens die passagiers gesloten met BBB. Genoemde vlucht had bij aankomst een vertraging van meer dan 22 uur.
8
De passagiers in het hoofdgeding hebben, ten bewijze dat zij bevoegd waren om een vordering tot compensatie wegens de vertraging van de vlucht in kwestie in te stellen, kopieën van de instapkaarten voor die vlucht overgelegd. AAA heeft de betaling van een compensatie aan die passagiers evenwel geweigerd op grond dat zij niet hadden aangetoond in het bezit te zijn van een bevestigde en betaalde boeking voor die vlucht. Volgens AAA is de pakketreis van die passagiers namelijk onder preferentiële voorwaarden betaald door CCC, zodat die passagiers gratis of tegen een gereduceerd tarief hebben gereisd in de zin van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004, hetgeen het recht op compensatie uit hoofde van die verordening uitsluit.
9
De passagiers in het hoofdgeding menen dat zij door het overleggen van de instapkaarten ter verkrijging van die compensatie hebben aangetoond dat zij een bevestigde boeking hadden, aangezien die kaarten anders niet aan hen zouden zijn afgegeven. Bovendien was het aan AAA om te bewijzen dat die passagiers gratis hadden gereisd en niet aan laatstgenoemden om te bewijzen dat zij de prijs van de door de AAA uitgevoerde vlucht hadden betaald. Aangezien AAA van BBB een vergoeding had ontvangen voor de uitvoering van die vlucht en BBB van CCC, die de pakketreis van die passagiers had betaald, een vergoeding had ontvangen voor die reis, met inbegrip van die vlucht, hebben de passagiers in het hoofdgeding hoe dan ook niet gratis gereisd. In dat verband is het uit het oogpunt van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 niet relevant of die vlucht is betaald door die passagiers, dan wel door een derde, voor zover het niet de luchtvaartmaatschappij betreft.
10
De Sąd Rejonowy dla m. st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, is onzeker of de overlegging van een instapkaart door een passagier een ‘ander bewijs’ in de zin van artikel 2, onder g), van verordening nr. 261/2004 vormt dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator.
11
Dienaangaande wijst die rechter erop dat de lering uit het arrest van 21 december 2021, Azurair e.a. (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038), geen antwoord biedt op de vraag of het op grond van het Unierecht is toegestaan om in een situatie als die waarvoor hij is aangezocht, een ‘ander bewijs’ in de zin van die bepaling over te leggen waaruit blijkt dat een passagier over een bevestigde boeking voor een vlucht beschikt wanneer de door die passagier overgelegde instapkaart niet alle in dat arrest vermelde gegevens bevat, zoals de aankomsttijd van de vlucht.
12
Ofschoon de voorwaarden van artikel 3, lid 2, onder a), van die verordening volgens AAA en bepaalde formaties van de Poolse rechterlijke instanties in tweede aanleg restrictief moeten worden uitgelegd, is de verwijzende rechter voorts van oordeel dat een instapkaart niet wordt afgegeven aan een willekeurige persoon, maar aan een passagier die houder is van een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie, nadat deze voor die vlucht heeft ingecheckt, waarbij het nummer van het ticket of de boeking bij het inchecken moet worden meegedeeld. Afgezien van een aantal buitengewone omstandigheden is er geen enkele andere rationele manier om uit te leggen hoe een dergelijke passagier die kaart zou kunnen verkrijgen zonder over een dergelijke boeking te beschikken.
13
Anders dan AAA en bepaalde formaties van de Poolse rechterlijke instanties in tweede aanleg, is de verwijzende rechter bovendien van oordeel dat de luchtvaartmaatschappij dient aan te tonen dat de vlucht in kwestie gratis was en zich er niet toe mag beperken om uit een dergelijke eenvoudige bewering voor haar gunstige rechtsgevolgen af te leiden.
14
Voorts vraagt die rechter zich af hoe de in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 opgenomen uitdrukking ‘gratis reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is’ moet worden uitgelegd. Volgens hem reizen passagiers niet ‘gratis’ in de zin van die bepaling wanneer een pakketreis, waarvan de prijs hetzij rechtstreeks door de passagiers hetzij door een andere entiteit namens hen is betaald aan de touroperator, een vlucht omvat waarvoor die touroperator een vergoeding heeft betaald aan de luchtvaartmaatschappij.
15
Wat met name het begrip ‘gereduceerd tarief’ in de zin van die bepaling betreft, vraagt de verwijzende rechter zich af of dat begrip aldus moet worden uitgelegd dat het een door de luchtvaartmaatschappij aan de passagier aangeboden korting betreft, dan wel of het ook ziet op een situatie waarin die luchtvaartmaatschappij van de touroperator een marktconforme vergoeding ontvangt, maar de touroperator of een andere entiteit de passagiers de mogelijkheid biedt om tegen preferentiële voorwaarden aan de pakketreis deel te nemen. Volgens die rechter lijkt die laatste uitlegging in strijd te zijn met het doel van die verordening en is zij moeilijk toepasbaar wegens het ontbreken van criteria om te bepalen wat onder preferentiële voorwaarden voor de deelname aan een pakketreis moet worden verstaan.
16
In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla m. st. Warszawy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan de instapkaart van een passagier voor de toepassing van artikel 2, onder g), van [verordening nr. 261/2004] een ander bewijs vormen dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator?
- 2)
Moeten passagiers die voor een bepaalde vlucht over een instapkaart beschikken, voor de toepassing van artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004 worden geacht een bevestigde boeking voor die vlucht te hebben, wanneer er in casu geen abnormale omstandigheid is aangetoond?
- 3)
Is het voor de toepassing van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aan de passagier om te bewijzen dat hij de vlucht heeft betaald, of veeleer aan de luchtvaartmaatschappij om, teneinde zich aan haar aansprakelijkheid te onttrekken, te bewijzen dat de passagier gratis of tegen een gereduceerd tarief heeft gereisd?
- 4)
Moet artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus worden uitgelegd dat wanneer een passagier een pakketreis heeft gekocht bij een touroperator en deze laatste voor de vlucht een vergoeding heeft betaald aan de luchtvaartmaatschappij, deze vlucht een bezwarend karakter heeft?
- 5)
Moet artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus worden uitgelegd dat wanneer een derde ten behoeve van passagiers een pakketreis koopt in het kader waarvan de touroperator een marktconforme vergoeding aan de chartermaatschappij betaalt, er geen sprake is van passagiers die reizen ‘tegen een gereduceerd tarief’, ongeacht hetgeen tussen de derde en de passagiers is verrekend?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
17
Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder g), en artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat een instapkaart een ‘ander bewijs’ in de zin van eerstgenoemde bepaling kan vormen dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator, zodat, in een situatie waarin er met name geen buitengewone omstandigheid is aangetoond, een passagier met een dergelijke kaart wordt geacht voor de vlucht in kwestie een ‘bevestigde boeking’ in de zin van laatstgenoemde bepaling te hebben.
18
Uit artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004 volgt dat die verordening slechts van toepassing is indien, ten eerste, de passagiers een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hebben en, ten tweede, zij zich, behalve in geval van annulering van de vlucht als bedoeld in artikel 5 van die verordening, tijdig bij de incheckbalie melden. Aangezien de twee voorwaarden cumulatief zijn, kan de aanwezigheid van een passagier bij de incheckbalie niet worden vermoed op grond van het feit dat hij een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie heeft [zie in die zin arrest van 25 januari 2024, Laudamotion (Afzien van een vertraagde vlucht), C-474/22, EU:C:2024:73, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
19
Verordening nr. 261/2004 bevat geen definitie van het begrip ‘bevestigde boeking’. Het begrip ‘boeking’ daarentegen wordt in artikel 2, onder g), van die verordening gedefinieerd als het ‘feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator’. Voorts omvat het begrip ‘ticket’ in de zin van artikel 2, onder f), van de verordening alle materiële en immateriële elementen die de passagier recht op vervoer geven [zie in die zin arresten van 6 oktober 2022, flightright (Luchtvervoer van Stuttgart naar Kansas City), C-436/21, EU:C:2022:762, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2021, Azurair e.a., C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punt 40].
20
Met betrekking tot het begrip ‘ander bewijs’ in de zin van artikel 2, onder g), van verordening nr. 261/2004 zij opgemerkt dat indien de luchtreiziger over een dergelijk door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator afgegeven ander bewijs beschikt, dit andere bewijs gelijkstaat aan een ‘boeking’ in de zin van die bepaling (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Azurair e.a., C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punt 42).
21
Deze begrippen moeten in het belang van het hoge niveau van bescherming van de passagiers dat wordt beoogd in overweging 1 van verordening nr. 261/2004, ruim worden uitgelegd [arrest van 6 oktober 2022, flightright (Luchtvervoer van Stuttgart naar Kansas City), C-436/21, EU:C:2022:762, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
22
In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de passagiers in het hoofdgeding beschikten over door de luchtvaartmaatschappij afgegeven instapkaarten, waardoor zij een door die maatschappij verzorgde vlucht van Tenerife naar Warschau konden nemen door zich voorafgaand bij de incheckbalie te melden.
23
Zoals de passagiers in het hoofdgeding, de Poolse regering en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen in wezen hebben aangevoerd, wordt aan een passagier een instapkaart voor een bepaalde vlucht afgegeven die hem een recht op vervoer geeft en hem, zodra hij heeft ingecheckt onder vermelding van met name het nummer van het ticket of de boeking, toestemming verleent om in het vliegtuig te stappen en die vlucht te nemen.
24
Hieruit volgt dat een instapkaart een ‘ander bewijs’ in de zin van artikel 2, onder g), van verordening nr. 261/2004 kan vormen dat de boeking voor de vlucht in kwestie is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator.
25
Aan die conclusie kan niet worden afgedaan door de door de verwijzende rechter aangevoerde omstandigheid dat aan de hand van het arrest van 21 december 2021, Azurair e.a. (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038), niet kan worden geantwoord op de vraag of een instapkaart onder het begrip ‘ander bewijs’ in de zin van artikel 2, onder g), van verordening nr. 261/2004 kan vallen, aangezien die kaart niet alle in dat arrest vermelde gegevens bevat, zoals met name de aankomsttijd van de vlucht in kwestie.
26
Het is juist dat het Hof in punt 51 van dat arrest voor recht heeft verklaard dat artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat de passagier beschikt over een ‘bevestigde boeking’ in de zin van die bepaling wanneer de touroperator die een overeenkomst met deze passagier heeft gesloten, hem een ‘ander bewijs’ verstrekt in de zin van artikel 2, onder g), van die verordening waarmee de toezegging wordt gedaan om deze passagier te vervoeren met een bepaalde vlucht die is aangeduid met de plaats van vertrek, de bestemming, de vertrek- en aankomsttijden en het vluchtnummer, en dat dit zelfs geldt wanneer deze touroperator van de betrokken luchtvaartmaatschappij geen bevestiging van de vertrek- en aankomsttijden van deze vlucht heeft ontvangen.
27
Evenwel moet erop worden gewezen dat, anders dan in de onderhavige zaak, de touroperator in de zaken die hebben geleid tot het arrest van 21 december 2021, Azurair e.a. (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038), de passagiers informatie over het vluchtschema had toegezonden die verschilde van de informatie die de luchtvaartmaatschappij uiteindelijk aan de touroperator had verstrekt en die niet aan die passagiers was doorgegeven, zodat deze slechts beschikten over de informatie in het document dat de touroperator hun had verstrekt.
28
Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat voor zover een bepaalde luchtvaartmaatschappij passagiers met een bevestigde boeking voor de betrokken vlucht aan boord neemt en naar hun bestemming vervoert, ervan dient te worden uitgegaan dat deze hebben voldaan aan de verplichting om zich vóór die vlucht bij de incheckbalie te melden (zie in die zin beschikking van 24 oktober 2019, easyJet Airline, C-756/18, EU:C:2019:902, punt 28).
29
Omgekeerd dient, voor zover passagiers — zoals de passagiers in het hoofdgeding — naar behoren hebben voldaan aan de verplichting om zich bij de incheckbalie te melden en de vlucht in kwestie hebben genomen terwijl zij in het bezit waren van een instapkaart voor die vlucht, ervan te worden uitgegaan dat zij hebben voldaan aan de verplichting om een bevestigde boeking voor die vlucht te hebben.
30
Voor die conclusie is steun te vinden in de in overweging 1 van verordening nr. 261/2004 opgenomen doelstelling, namelijk het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de passagiers.
31
Passagiers wier vlucht een langdurige vertraging heeft, kunnen zo namelijk gebruikmaken van hun recht op compensatie zonder dat zij hoeven te voldoen aan de voor hun situatie niet adequate verplichting om later, bij het instellen van hun vordering tot compensatie, aan te tonen dat zij voor de vertraagde vlucht, waarmee zij hoe dan ook wel zijn vervoerd, over een bevestigde boeking beschikten (zie in die zin beschikking van 24 oktober 2019, easyJet Airline, C-756/18, EU:C:2019:902, punt 32).
32
Dienaangaande kan met betrekking tot de door AAA aangevoerde hypothese dat een instapkaart in geval van verlies door de houder ervan zou kunnen worden gebruikt door een andere persoon met soortgelijke gegevens, worden volstaan met de opmerking dat, zoals blijkt uit artikel 2, onder j), van verordening nr. 261/2004, de luchtvaartmaatschappij op grond van die bepaling kan weigeren om iemand aan boord te nemen om redenen die te maken hebben met ontoereikende reisdocumenten.
33
Uit het voorgaande volgt dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 2, onder g), en artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat een instapkaart een ‘ander bewijs’ in de zin van eerstgenoemde bepaling kan vormen dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator, zodat, in een situatie waarin er met name geen buitengewone omstandigheid is aangetoond, een passagier met een dergelijke kaart wordt geacht voor de vlucht in kwestie een ‘bevestigde boeking’ in de zin van laatstgenoemde bepaling te hebben.
Derde tot en met vijfde vraag
34
Met de derde tot en met de vijfde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een passagier niet wordt geacht gratis te reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is, in de zin van die bepaling, wanneer, ten eerste, de touroperator tegen marktvoorwaarden de prijs voor de vlucht betaalt aan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en, ten tweede, de prijs van de pakketreis niet door die passagier, maar door een derde wordt betaald aan die touroperator. Die rechter wenst tevens te vernemen of het aan die luchtvaartmaatschappij is om te bewijzen dat die passagier gratis of tegen een gereduceerd tarief heeft gereisd, dan wel of het aan laatstgenoemde is om te bewijzen dat hij de prijs van de vlucht heeft betaald.
35
Volgens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 geldt die verordening niet voor passagiers die gratis reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is.
36
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de niet-toepasselijkheid van de verordening waarin die bepaling voorziet, een uitzondering vormt op de regel dat de verordening, blijkens artikel 3, lid 1, en onder de voorwaarden van artikel 3, lid 2, ervan, van toepassing is op, ten eerste, passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is en, ten tweede, passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert een in de Europese Unie gevestigde luchtvaartmaatschappij is.
37
Zoals het Hof heeft geoordeeld moet, gelet op de in overweging 1 van verordening nr. 261/2004 genoemde doelstelling — namelijk een hoog niveau van bescherming van passagiers waarborgen —, een uitzondering op de bepalingen waarbij aan passagiers rechten worden verleend, strikt worden uitgelegd (arrest van 16 januari 2025, Qatar Airways, C-516/23, EU:C:2025:21, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Voorts moet voor de uitlegging van een bepaling van het Unierecht volgens vaste rechtspraak niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context van die bepaling en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 21 november 2024, Mesto Rimavská Sobota, C-370/23, EU:C:2024:972, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Het is juist dat de bewoordingen van artikel 3, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 261/2004 op zich niet volstaan om uit te maken of de werkingssfeer van die bepaling beperkt is tot situaties waarin de mogelijkheid voor de passagiers om gratis te reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is, wordt geboden door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
40
Wat de context van die bepaling betreft, volgt uit artikel 3, lid 3, van die verordening met name dat passagiers die reizen met door een luchtvaartmaatschappij gratis verstrekte tickets niet onder die verordening vallen, tenzij die tickets zijn verstrekt in het kader van een Frequent Flyer-programma of een ander commercieel programma (zie in die zin beschikking van 26 november 2020, SATA International — Azores Airlines, C-316/20, EU:C:2020:966, punt 15).
41
In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat die verordening niet van toepassing is op een passagier die reist met een ticket dat een luchtvaartmaatschappij tegen een voordeeltarief heeft uitgegeven in het kader van de sponsoring van een evenement, waarvan slechts bepaalde personen gebruik kunnen maken en waarvan de uitgifte de voorafgaande en geïndividualiseerde toestemming van die luchtvaartmaatschappij onderstelt (beschikking van 26 november 2020, SATA International — Azores Airlines, C-316/20, EU:C:2020:966, punt 19).
42
Voorts is die verordening krachtens artikel 3, lid 5, ervan van toepassing op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat of daar aankomen. Deze bepaling preciseert dat, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, zij wordt geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met de passagier (arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Dienaangaande heeft het Hof voor recht verklaard dat een passagier op een vlucht die drie uur of meer vertraging had, een vordering tot compensatie uit hoofde van de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 261/2004 kan indienen tegen de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, zelfs wanneer deze passagier en deze luchtvaartmaatschappij geen overeenkomst met elkaar hebben gesloten en de betrokken vlucht deel uitmaakt van een pakketreis (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punt 38).
44
Gelet op de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om in geval van langdurige vertraging van een vlucht bij aankomst aan passagiers een compensatie te betalen, moet derhalve worden vastgesteld dat de uitzondering van artikel 3, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 261/2004 enkel ziet op situaties waarin de toestemming om gratis te reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is, wordt verleend door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
45
Een dergelijke uitlegging strookt met het doel van verordening nr. 261/2004, namelijk het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van luchtreizigers.
46
Dienaangaande moet die bescherming volgens overweging 5 van die verordening niet alleen gelden voor geregelde vluchten maar ook voor ongeregelde vluchten, met inbegrip van vluchten in het kader van pakketreizen.
47
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van die verordening blijkt namelijk dat de Uniewetgever niet voornemens was om passagiers wier vlucht deel uitmaakt van een pakketreis uit te sluiten van de werkingssfeer van die verordening, maar juist om hun de rechten te verlenen die door die verordening worden toegekend (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punt 36).
48
In casu is de tegenprestatie voor de door de passagiers in het hoofdgeding ondernomen pakketreis ontvangen door de touroperator, heeft deze de prijs van de vlucht betaald aan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht heeft uitgevoerd, en was de door laatstgenoemde ontvangen vergoeding marktconform, zodat die passagiers moeten worden geacht niet gratis te hebben gereisd, noch tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is in de zin van artikel 3, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 261/2004.
49
Zoals blijkt uit de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, is het voor de mogelijkheid voor de passagiers in het hoofdgeding om rechten te doen gelden jegens de luchtvaartmaatschappij die de vlucht heeft uitgevoerd irrelevant dat niet zij, die geen contractuele verhouding met die luchtvaartmaatschappij hadden, maar een derde de prijs van de pakketreis heeft betaald aan de touroperator, die op zijn beurt de prijs van de vlucht heeft betaald aan die luchtvaartmaatschappij.
50
Wat de bewijslast betreft voor het feit dat een passagier gratis heeft gereisd of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is in de zin van artikel 3, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 261/2004, zij erop gewezen dat die bepaling, zoals blijkt uit punt 37 van het onderhavige arrest, zonder de verdeling van die bewijslast uitdrukkelijk te regelen, een uitzondering invoert op de bepalingen waarbij aan passagiers rechten worden verleend, door een dergelijke passagier van de werkingssfeer van die verordening uit te sluiten.
51
Om zich aan haar verplichting om die passagier een compensatie te betalen te onttrekken, dient de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert derhalve op de in het nationale recht vastgestelde wijze aan te tonen dat die passagier gratis heeft gereisd of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is in de zin van artikel 3, lid 3, eerste volzin, van die verordening, en dus niet binnen de werkingssfeer van die verordening valt.
52
Vastgesteld moet worden dat een uitlegging volgens welke de bewijslast bij de passagiers wordt gelegd niet alleen in strijd is met de doelstelling van verordening nr. 261/2004, die erin bestaat een hoog niveau van bescherming van de luchtreizigers te waarborgen, maar ook moeilijk toe te passen is, met name in de specifieke context van de onderhavige zaak, waarin de passagiers in het hoofdgeding een pakketreis hebben geboekt bij een touroperator.
53
Zoals de passagiers in het hoofdgeding en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen in wezen hebben aangevoerd, is het in een situatie waarin een passagier zijn pakketreis niet rechtstreeks boekt bij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert maar via een touroperator normaal gesproken immers de touroperator die, zoals in casu, de prijs van de vlucht betaalt aan die luchtvaartmaatschappij, aangezien die passagier een prijs betaalt voor de gehele pakketreis, met inbegrip van de vlucht. Naast het feit dat die passagier de exacte prijs van de door die touroperator betaalde vlucht niet kent, zijn er voor eerstgenoemde niet zoveel manieren om te bewijzen dat hij de prijs van die vlucht heeft betaald.
54
Uit het voorgaande volgt dat op de derde tot en met de vijfde vraag dient te worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een passagier niet wordt geacht gratis te reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is in de zin van die bepaling wanneer, ten eerste, de touroperator tegen marktvoorwaarden de prijs van de vlucht betaalt aan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en, ten tweede, de prijs van de pakketreis niet door die passagier, maar door een derde wordt betaald aan die touroperator. Het staat aan die luchtvaartmaatschappij om op de door het nationale recht vastgestelde wijze aan te tonen dat die passagier gratis of tegen een dergelijk gereduceerd tarief heeft gereisd.
Kosten
55
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 2, onder g), en artikel 3, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91
moeten aldus worden uitgelegd dat
een instapkaart een ‘ander bewijs’ in de zin van eerstgenoemde bepaling kan vormen dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator, zodat,in een situatie waarin er met name geen buitengewone omstandigheid is aangetoond, een passagier met een dergelijke kaart wordt geacht voor de vlucht in kwestie een ‘bevestigde boeking’ in de zin van laatstgenoemde bepaling te hebben.
- 2)
Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 261/2004
moet aldus worden uitgelegd dat
een passagier niet wordt geacht gratis te reizen of tegen een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is in de zin van die bepaling wanneer, ten eerste, de touroperator tegen marktvoorwaarden de prijs van de vlucht betaalt aan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en, ten tweede, de prijs van de pakketreis niet door die passagier, maar door een derde wordt betaald aan die touroperator. Het staat aan die luchtvaartmaatschappij om op de door het nationale recht vastgestelde wijze aan te tonen dat die passagier gratis of tegen een dergelijk gereduceerd tarief heeft gereisd.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑03‑2025
Procestaal: Pools.