Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/6.8.2.2
6.8.2.2 Afwijkende regelingen: art. 6:153 BW, art. 7:47 jo 7:14 BW en art. 3:121 BW
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588320:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
De bepaling stond oorspronkelijk in art. 6:142 lid 2 BW, zie O.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 527; vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 532 en p. 570.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 529.
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 529.
Dat is niet zo eenvoudig als de betaling gelijktijdig met betaling van de hoofdvordering plaatsvindt: betaling (1 november 2009) zou dan moeten plaatsvinden op een tijdstip voordat de rentevordering bestaat (1 januari 2010 daarop volgend), hetgeen een onverschuldigde betaling is. De wetgever lijkt aan te nemen dat betaling daarvan op een later tijdstip moet plaatsvinden om subrogatie te kunnen bewerkstelligen. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 529.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 532. Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 7, p. 111 en Nota II, Parl. Gesch. Boek 7, p. 112, waar obligaties als voorbeeld worden genoemd. Vgl. Wessels 2010, nr. 71; Asser/Hijma 5-I 2007, nr. 317.
Zie T.M. Parl. Gesch. Boek 7, p. 111; vgl. Nota II, Parl. Gesch. Boek 7, p. 112.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 532. Vgl. Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 13; Van Achterberg 1999, nr. 11.
Zie voor de vernietiging van de titel van overdracht van de hoofdvordering, art. 6:206 jo 3:121 lid 1 BW.
383. In afwijking van art. 6:142 lid 2 BW bepaalt art. 6:153 BW bij subrogatie dat de gesubrogeerde (de nieuwe schuldeiser) het recht op bedongen rente slechts verkrijgt voor zover dat betrekking heeft op het tijdvak ná de overgang.1 "Terwijl het er dus in het geval van cessie op aankomt of de rente voor dan wel na de overgang opeisbaar is geworden, komt het er bij subrogatie op aan, of de rente betrekking heeft op een tijdvak voor dan wel na de overgang."2 Bij het opeisbaar worden van de rentevorderingen verkrijgt de gesubrogeerde derhalve slechts een deel van de rentevordering. Het andere deel komt aan de oude schuldeiser toe. Is de rentevordering van 600 euro ieder jaar op 1 januari opeisbaar, en vindt subrogatie plaats op 1 november, dan verkrijgt de gesubrogeerde op 1 januari een rentevordering van 100 euro.3 De nieuwe schuldeiser van de hoofdvordering verkrijgt dit deel van de rentevordering alleen als hij het ook aan de oude schuldeiser heeft betaald.4
384. Art. 7:14 BW bepaalt dat vanaf de dag van aflevering van het goed de vruchten toekomen aan de koper, met dien verstande dat burgerlijke vruchten van dag tot dag berekend worden. Art. 7:14 BW is op grond van art. 7:47 BW van overeenkomstige toepassing op de koop van vorderingen.5 De bepaling is van regelend recht (met uitzondering van een consumentenkoop, zie art. 7:6 BW). Het voorschrift is blijkens de Toelichting Meijers niet bestemd om te bepalen wie de rechthebbende van de burgerlijke vruchten is en uit dien hoofde bevoegd is tot het innen van de rentevorderingen: art. 7:14 jo 7:47 BW is geen goederenrechtelijke, maar een verbintenisrechtelijke bepaling. Het voorschrift heeft alleen betrekking op de verhouding tussen verkoper en koper.6 In de verhouding tot zijn schuldenaar heeft de cessionaris op grond van art. 6:142 lid 2 BW een rentevordering die mogelijk ook een deel van de periode voor de overgang van de hoofdvordering bestrijkt. In de interne verhouding tussen cedent en cessionaris wordt de rente echter van dag tot dag berekend. Blijkens de parlementaire geschiedenis dient de lopende rente in de koopprijs te worden verdisconteerd, althans moet deze daarin verdisconteerd worden geacht, hetgeen overeenkomstig de behoeften van de praktijk zou zijn.7 De uitkomst van de verbintenisrechtelijke regeling van art. 7:14 jo 7:47 BW (cessie ten titel van koop) komt overeen met de hiervoor besproken uitkomst van goederenrechtelijke regeling van art. 6:153 BW (subrogatie).
Vindt een stille cessie plaats ten titel van koop, dan komt de rente vanaf de dag van de overdracht aan de stille cessionaris toe. Partijen kunnen deze afwijking ten opzichte van art. 6:142 lid 2 BW in de koopsom verdisconteren of bepalen dat de stille cedent dat deel van de rentevordering mag behouden dat betrekking heeft op de periode voor de overgang van de hoofdvordering.
385. Vindt een retro-overdracht plaats op grond van een ongedaanmakingsverbintenis ex art. 6:271 BW na de ontbinding van de overeenkomst die heeft gediend als titel van overdracht van de hoofdvordering (art. 3:84 lid 1 BW), dan zijn art. 3:120-3:214 BW van overeenkomstige toepassing (art. 6:275 BW).8 Op grond van art. 3:121 lid 1 BW is een bezitter die niet te goeder trouw is (lees: de nieuwe schuldeiser na de overdracht, tevens de oude schuldeiser na de retro-overdracht) jegens de rechthebbende (lees: de oude schuldeiser na de overdracht, tevens nieuwe schuldeiser na retro-overdracht) behalve tot afgifte van het goed ook verplicht tot het afgeven van de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten. De bezitter niet te goeder trouw is derhalve verplicht tot overdracht van de reeds bestaande rentevorderingen (art. 3:84 lid 1 jo 3:94 BW) dan wel tot afdracht van de reeds geïnde rente op deze vorderingen (vgl. art. 6:36 BW). De nog niet opeisbare rentevorderingen ontstaan na de retro-overdracht van de hoofdvordering op grond van het rentebeding van rechtswege in het vermogen van de rechthebbende (art. 6:142 lid 2 BW).