Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.4.2.2
8.5.4.4.2.2 Verlengde herzieningsperiode voor onroerende investeringsgoederen
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291456:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 8 mei 2003, zaak C-269/00, BNB 2004/1, m.nt. Van Kesteren, r.o. 54 en 55 (Seeling).
Bijl, noot bij HR 13 juni 2014, nr. 13/00282, BNB 2014/197. De gebruiksduur van een gebouw in Nederland bedraagt volgens de Nederlandse belastingdienst gemiddeld 30 tot 50 jaar. Zie: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/winst/inkomstenbelasting/inkomstenbelasting_voor_ondernemers/afschrijving/afschrijving_bedrijfspand, geraadpleegd op 3 april 2021.
Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 3, p. 21. Zie ook: J. Reugebrink, ‘Het wetsontwerp tot wijziging van de omzetbelasting’, WFR 1979/145 die over de verlengde Nederlandse herzieningsperiode van 10 jaar het volgende opmerkt: “Een verlenging van de herzieningstermijn ligt voor de hand, gezien de economische levensduur van onroerend goed. De memorie van toelichting stelt dat de tien jaar 'beter aansluit bij de economische levensduur' van gebouwen e.d. Men kan daarvan alleen maar zeggen dat het inderdaad waar is dat 10 dichter bij 100 ligt dan 5. Maar voor het overige is die mededeling nogal overtrokken.”
In de zaak Seeling heeft de Duitse regering gewezen op het risico dat eindverbruik onbelast blijft indien een onroerend investeringsgoed waarvoor volledige aftrek is genoten, wordt geleverd na het verstrijken van de herzieningsperiode. De Duitse regering merkte op dat het onwaarschijnlijk is dat het onroerende investeringsgoed binnen 10 jaar na de aankoop – de Duitse herzieningsperiode voor onroerende investeringsgoederen bedraagt 10 jaar (zie paragraaf 8.5.4.4.3) – volledig is afgeschreven. Het Hof van Justitie was niet gevoelig voor dit argument, aangezien dit resultaat het gevolg is van een bewuste keuze van de Raad. Daarnaast wees het Hof de Duitse regering er fijntjes op dat de mogelijkheid die (thans) art. 187 lid 1 Btw-richtlijn biedt om de herzieningsperiode voor onroerende investeringsgoederen te verlengen tot maximaal 20 jaar in plaats van 10 jaar juist is opgenomen om rekening te houden met de economische levensduur van deze goederen (zie paragraaf 8.5.4.4.1).1 Een lidstaat die van deze maximale herzieningsperiode geen gebruik maakt, moet – kort gezegd – niet zeuren dat de gekozen, kortere herzieningsperiode niet strookt met de economische levensduur van onroerende goederen.
Naar mijn mening is dit oordeel in overeenstemming met art. 187 lid 1 Btw-richtlijn en haar historie. De herzieningsperiode van in beginsel vijf jaar is een forfaitair vastgestelde termijn (zie paragraaf 8.5.4.4.1.1). Hierin ligt besloten dat die termijn niet hoeft te corresponderen met de economische levensduur van het betreffende investeringsgoed. Voor onroerende investeringsgoederen geldt immers als uitgangspunt een herzieningsperiode van slechts vijf jaar, terwijl het evident is de economische levensduur van een onroerend goed aanzienlijk langer is. Dat zal ook de reden zijn waarom – op één lidstaat na – geen enkele lidstaat een vijfjaarsperiode hanteert voor onroerende investeringsgoederen (zie paragraaf 8.5.4.4.3). Dat de mogelijkheid om die vijfjaarsperiode op te rekken tot een periode van maximaal 20 jaar bedoeld is om aan te sluiten bij de economische levensduur, had het Hof overigens wel wat bescheidener mogen formuleren. Zoals Bijl terecht heeft opgemerkt, benadert ook een verlengde herzieningsperiode van 20 jaar de levensduur van een onroerend goed niet echt en is alleen bij toeval sprake is van een daadwerkelijke aansluiting van de aftrek bij het gebruik van een onroerend goed.2 De verlenging van de herzieningsperiode in art. 187 lid 1, derde alinea Btw-richtlijn is derhalve bedoeld om beter aan te sluiten bij de economische levensduur van onroerende investeringsgoederen.3