VN-Mensenrechtencomité 26 juli 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018, Jaddoe v Netherlands.
HR, 08-07-2025, nr. 24/02491
ECLI:NL:HR:2025:1103
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
24/02491
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Fiscaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1103, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:449
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1782
ECLI:NL:PHR:2025:449, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1103
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0241
NLF 2025/1142
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
BTW-fraude m.b.t. levering schrootmateriaal vanuit Nederland naar Verenigd Koninkrijk (pre-Brexit). Feitelijk leiding geven aan medeplegen valsheid in geschrift, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 225.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg 1. Heeft hof een verrassingsbeslissing genomen, door verdediging niet in staat te stellen inhoudelijk te reageren op de voorgenomen bewezenverklaring? 2. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over gebruik voor bewijs van app-gesprekken, art. 359.2 Sv. 3. Kon hof overwegen dat C B.V. als schakel in handelsketen tussen D B.V. en haar Britse afnemers geen functie had, omdat de door C B.V. gefactureerde bedragen geen winstmarge bevatten? 4. Kon hof overwegen dat tussen D B.V. en C B.V. sprake was schijntransacties, bedoeld om de werkelijke rechtstreekse levering door D B.V. aan Britse afnemers te verhullen? Ad 1. Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. V.zv. in schriftuur wordt ingegaan op (mogelijke) gevolgen van zienswijze van VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe tegen Nederland, behoeft dat geen nadere bespreking en volstaat HR met verwijzing naar HR:2023:40. Ad 2. Hof heeft uit de voor bewijs gebruikte app-gesprekken waaraan verdachte deelnam, afgeleid “dat deze zien op handel die aan Britse vennootschappen is gefactureerd”. Die conclusie is niet bestreden. In zijn (eind)conclusie heeft hof die app-gesprekken (die dateren van ruim vóór bewezenverklaarde periode, toen C B.V. nog niet bestond) niet genoemd. Het al dan niet bestaan van een in standpunt besproken “prijsval” heeft in bewijsvoering in het geheel geen rol gespeeld. V.zv. wat raadsman ttz. over app-gesprekken naar voren heeft gebracht moet worden opgevat als uos, is hof daarvan dus niet afgeweken. Ad 3. Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. Ad 4. Om redenen vermeld in CAG, leidt middel niet tot cassatie. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02411, 24/02412, 24/02413, 24/02468, 24/02469, 24/02470 en 24/0290.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02491
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2024, nummer 23-001228-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. de Vries bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof tot een bewezenverklaring en strafoplegging kwam zonder de verdediging in staat te stellen inhoudelijk te reageren op de voorgenomen bewezenverklaring. Daartoe wordt gesteld dat het hof een ‘verrassingsbeslissing’ heeft genomen waarop de verdediging niet bedacht kon zijn.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 en 2.2.
2.3
Voor zover in de cassatieschriftuur nog wordt ingegaan op de (mogelijke) gevolgen van de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité van 26 juli 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018 in de zaak van Jaddoe tegen Nederland, behoeft dat geen nadere bespreking en volstaat de Hoge Raad met een verwijzing naar het arrest van 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het gebruik voor het bewijs van app-gesprekken in de groepsapp ‘ [...] ’.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“subsidiair
[D] B.V. in de periode van 19 februari 2018 tot en met 27 april 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, te weten elektronische aangiften voor de omzetbelasting (ten name van [D] B.V.), betreffende:
- de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2017 en
- de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2017 en
- de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal 2018,
elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt en/of doen/laten opmaken, immers hebben [D] B.V. en haar mededaders, telkens valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde aangiften omzetbelasting telkens onjuiste bedragen inzake leveringen binnen de EU (belast met 0%) opgegeven en/of doen/laten opgeven, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.”
3.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op (onder meer) de volgende bewijsvoering:
“III.1 Ontstaan [B 1] , [A 2] en [D]
(...)
[D] BV is opgericht op 14 maart 2017 en [verdachte] is vanaf de datum van oprichting bestuurder en enig aandeelhouder van deze onderneming. Hij is ook de enige persoon die werkzaamheden voor [D] verricht. [D] deed vooral zaken met [B 1] . [verdachte] zat daarvoor in het transport, als chauffeur van zware vrachtwagens en als planner, en werkte vanaf januari 2016 tot augustus 2017 voor [NN] , voor welk bedrijf hij schroot vervoerde.
(...)
III.3 Verloop handel in koperschroot bij [B 1] in periode 2015 – 2018
(...)
Vierde kwartaal 2017 tot en met eerste kwartaal 2019
De omzet die [B 1] zelf aan Britse vennootschappen heeft gefactureerd, bedraagt vanaf het vierde kwartaal van 2017 nog hooguit € 2,2 miljoen per kwartaal, zij het over de gehele periode van anderhalf jaar in totaal wel ruim € 7,5 miljoen (aan acht Britse vennootschappen).
Na een voorzichtige aanloop in het derde kwartaal van 2017 (€ 767.782), wordt vanaf het vierde kwartaal van 2017 vooral voor grote bedragen aan van [B 1] afkomstig (koper-)schroot aan Britse vennootschappen gefactureerd door [D] (€ 4.451.771 (Q4 2017), € 7.047.509 (Q1 2018), € 6.357.714 (Q2 2018), € 3.979.859 (Q3 2018), € 4.090.332 (Q4 2018) en € 6.041.782 (Q1 2019). Over de gehele periode van anderhalf jaar betreft het dus bijna € 32 miljoen. [D] was niet geregistreerd en ook niet bevoegd om metaalschrootafval te transporteren. [B 1] heeft voor een deel aan dezelfde Britse vennootschappen gefactureerd als [D] .
In deze periode heeft [A 2] alleen in het tweede en derde kwartaal van 2018 bedragen aan een Britse vennootschap ( [R] Ltd.) gefactureerd, in totaal voor een bedrag van € 3.159.268.
Van acht van de Britse vennootschappen aan wie [B 1] , [D] en [A 2] in deze periode hebben gefactureerd, dertien in totaal, was reeds op 10 mei 2019 het btw-identificatienummer ingetrokken, en drie waren op genoemde datum ofwel ontbonden ofwel in liquidatie.
Na ruim € 15,4 miljoen in 2015 en ruim € 58,4 miljoen in 2016 (zie hiervoor), hebben [B 1] , [D] en [A 2] samen in 2017 ruim € 38,1 miljoen gefactureerd aan Britse vennootschappen en in 2018 ruim € 30,4 miljoen.
Conclusie
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [B 1] , na eerst rechtstreeks te hebben gefactureerd aan Britse vennootschappen, vooral vanaf het eerste kwartaal 2016 tot en met het eerste kwartaal 2017 grote bedragen factureert aan [A 2] , welke vennootschap in die periode een omvangrijke omzet behaalt die om en nabij gelijk is aan de aan haar door [B 1] gefactureerde bedragen. Een zakelijke reden hiervoor ontbreekt, evenals een verklaring waarom de omzet van [A 2] direct vanaf aanvang zo hoog is. [B 1] factureert ook zelf voor een deel aan dezelfde Britse vennootschappen als [A 2] zonder dat hiervoor een relevante verklaring bestaat. Vanaf het derde kwartaal 2017 tot en met het eerste kwartaal 2019 factureert [B 1] aan [D] , die aan Britse vennootschappen factureert en die (vrijwel) vanaf het begin van de activiteiten omvangrijke omzetten behaalt. [B 1] heeft daarbij (deels) aan dezelfde Britse vennootschappen gefactureerd als [D] , wederom zonder dat daarvoor een relevante verklaring bestaat. Een zakelijke verklaring, waarom aan [D] wordt gefactureerd, in plaats van rechtstreeks aan de Britse vennootschappen, ontbreekt wederom.
Opvallend is dat de btw-identificatienummers van de Britse vennootschappen aan wie [B 1] , [A 2] en [D] hebben gefactureerd na verloop van tijd (vrijwel) steeds worden ingetrokken en dat die vennootschappen ook worden ontbonden. De vennootschappen van wie op 10 mei 2019 nog een btw-identificatienummer actief was en/of die toen nog niet waren of werden ontbonden, zijn overwegend vennootschappen aan wie [B 1] , [A 2] en [D] later in de tijd zijn gaan factureren. De Britse vennootschappen aan wie [B 1] in de beginperiode van het onderzoek heeft gefactureerd (2015), waren medio 2019 op één na zelfs al allemaal verdwenen.
(...)
III.4 De Britse vennootschappen waaraan is gefactureerd
In het strafrechtelijk onderzoek HIVE is het onderzoek beperkt tot de facturatie van en levering aan twaalf Britse vennootschappen, althans daarop toegespitst.
Van deze twaalf vennootschappen heeft [B 1] gefactureerd aan [P] Limited, [BB] Limited, [Q] Limited, [KK 1] Limited, [U] Limited, [HH] Limited en [JJ] Limited.
[A 2] heeft gefactureerd aan [P] Limited, [BB] Limited, [Q] Limited, [medeverdachte 4] Limited, [X] Limited, [Y] Limited en [Z] Limited.Voor [D] zijn dit de Britse vennootschappen [KK 1] Limited en [AA] .
(...)
Uit raadpleging van een publiek register op 30 oktober 2019 bleek dat [JJ] , [HH] , [medeverdachte 4] , [BB] , [U] , [Z] , [X] , [Y] , [Q] en [AA] niet zijn geregistreerd als metaalschroothandelaar of verwerker. [P] en [KK 2] waren aanvankelijk evenmin geregistreerd op het moment dat betalingen werden gedaan aan [B 1] , [A 2] en/of [D] . [P] is pas vanaf 19 oktober 2017 geregistreerd en [KK 1] vanaf 18 oktober 2017.
Conclusie
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [B 1] heeft gefactureerd aan 7 van de 12 onderzochte Britse vennootschappen, derhalve in korte tijd aan verschillende Britse vennootschappen, waarbij geldt dat:
- geen van deze vennootschappen aan haar fiscale verplichtingen voldoet;
- deze vennootschappen veelal namen en/of doelstellingen hebben die niet in verband kunnen worden gebracht met handel in metalen en/of schroot ( [BB] zit in de bouw, [Q] in telecommunicatie, [HH] in groente en fruit en ZGB in administratieve dienstverlening);
- de Britse belastingdienst veelal geen contact krijgt met deze vennootschappen ( [BB] , [HH] en [JJ] ) dan wel de bestuurder van die vennootschap aangeeft een paar jaar niets met zijn bedrijf te hebben gedaan ( [Q] ) of niet te weten van handel met Nederlandse bedrijven ( [U] ), hetgeen bijzonder is gelet op de omzet die in korte tijd zou moeten zijn gerealiseerd.
(...)
Wat betreft [D] geldt dat is gefactureerd aan 2 van de 12 onderzochte Britse vennootschappen ( [KK 1] en [AA] ), waarbij [KK 1] niet aan haar fiscale verplichtingen heeft voldaan en als missing trader is aangemerkt. [AA] is onder toezicht gesteld en als missing trader aangemerkt. Het BTW-nummer van beide vennootschappen is ingetrokken.
(…)
III.5 Verhouding [B 1] - [A 2] en [B 1] - [D]
Zoals hiervoor vermeld, heeft [B 1] zowel (rechtstreeks) gefactureerd aan Britse vennootschappen als aan [A 2] en [D] , waarbij laatstgenoemde twee (Nederlandse) vennootschappen weer hebben (door)gefactureerd aan Britse vennootschappen. [B 1] en [A 2] , althans de [familienaam medeverdachten] en [medeverdachte 1] , maken deel uit van gemeenschappelijke whatsappgroepen, en ook [verdachte] is in één van deze whatsappgroepen opgenomen. Uit de berichten in deze groepen, waarin de namen van Britse vennootschappen voorbij komen, evenals gewichten en geldbedragen in Britse ponden (GBP), leidt het hof af dat deze zien op de handel die aan de Britse vennootschappen is gefactureerd.
(...)
Op 28 september 2016 wordt [verdachte] door [medeverdachte 2] toegevoegd aan de whatsappgroep [...] .
(...)
Op 19 en 20 oktober 2016 vindt onderling overleg plaats over de ontvangst van betalingen van de Britse vennootschappen; ook [verdachte] ( [D] ) is daarin betrokken en houdt de groep op de hoogte van binnenkomende betalingen:
19/10/2016
[verdachte] : There should be a total of £140 be made today. I will send confirmations to group as they come to me. Has my invoice been paid?
[...] : Nothing yet in account
[verdachte] : No, not been sent from uk yet, waiting on landing uk to uk. I should have confirmation within next hour sent to eu
[...] : Received GBP 60k
[medeverdachte 3] 2: [medeverdachte 4] ?
[...] : Yes
[medeverdachte 3] 2: 80 also coming [verdachte] ?
[verdachte] : They put [medeverdachte 4] on 100k limit. So another 40today and balanced tomoz
[medeverdachte 3] 2: Ok.
20/10/2016
[medeverdachte 3] 2: Morning [verdachte] , what can we expect today?
[verdachte] : What is balance?
[...] : If I am right. GBP 167.051,60
[verdachte] : 2 payment should of landed yesterday
[...] : Made mistake. Received 30.000 35.000 60.000. So balance is 102.051,60.
[medeverdachte 3] is that right
[...] : Just received also 35.000
[...] : Balance 67.051,60
(...)
Het hof acht naast voornoemde berichten ook het volgende in het kader van de verhoudingen tussen [B 1] , [A 2] en [D] van belang.
(...)
Ook ten aanzien van [D] is sprake van omstandigheden die getuigen van een vergaande, niet in een zakelijke relatie passende, bemoeienis van [B 1] met [D] . Zo zijn op de computer van [B 1] facturen en digitaal briefpapier van [D] aangetroffen. Ook is in het digitale beslag bij [B 1] een Excel bestand aangetroffen met de naam “ [...] ”. In het Excel bestand zat een werkblad [KK 1] , bevattende een financieel overzicht van verkopen aan [KK 1] . De daarop in het rood aangegeven betalingen betreffen betalingen die [KK 1] heeft gedaan aan [D] . Voorts zijn in het beslag van [B 1] verkoopfacturen aangetroffen van [B 1] aan [D] met daarachter weeg- en vervoersdocumenten (vrachtbrieven) van [B 1] naar [D] en van [D] naar [AA] .
Daarbij komt dat ook bij [D] sprake is van het overboeken van betalingen van Britse vennootschappen via [D] aan [B 1] , immers alle betalingen die [D] van [AA] heeft ontvangen worden meteen overgeboekt naar [B 1] en alle betalingen die [D] van [KK 1] heeft ontvangen zijn meteen overgeboekt naar [B 1] . Er is geen winstmarge voor [D] . Deze overboekingen zijn niet te verklaren vanuit een zakelijk oogpunt.
Conclusie
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat sprake is van een vergaande, niet in een zakelijke relatie passende bemoeienis van [B 1] richting [A 2] , bestaande uit:
(...)
Ook wat betreft de verhouding tussen [B 1] en [D] komt het hof tot deze conclusie:
- [B 1] beschikt over interne stukken van [D] (digitaal briefpapier van [D] en een overzicht van betalingen van [KK 1] aan [D] ), zonder dat hiervoor een (zakelijke) reden is gegeven;
- alle betalingen van Britse vennootschappen aan [D] worden door [D] meteen overgeboekt naar [B 1] .
Ook in de verhouding [B 1] en [D] is daarom sprake van een niet in een zakelijke relatie passende bemoeienis van [B 1] .
(...)
IV Eindconclusie
Het hof overweegt dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de daaruit getrokken conclusies volgt dat [B 1] , terwijl zij bekend was met btw-fraude in de schroothandel in het Verenigd Koninkrijk, op grote schaal, voor vele miljoenen euro’s, heeft gefactureerd aan Britse vennootschappen. Voor zover naar die vennootschappen (nader) onderzoek is gedaan, is naar voren gekomen dat zij alle niet aan hun fiscale verplichtingen in Groot-Brittannië hebben voldaan. Voor het totaalbeeld van de Britse vennootschappen (de statutaire doelen die niets met schroothandel van doen hebben, de algehele vaagheid over wie erachter schuilgaat, de achtereenvolgende intrekkingen van btw-identiteitsnummers, het niet-betaald zijn van btw, de enkele verklaring van een statutair directeur) en voor hetgeen van enkele van die vennootschappen meer in het bijzonder bekend is, bestaat geen andere logische verklaring dan dat zij vehikels zijn geweest voor het plegen van btw-fraude. Die Britse vennootschappen, althans de meeste daarvan, waren kennelijk lege hulzen (c.q. katvangers). Met hen kunnen dan ook niet daadwerkelijk rechtsbetrekkingen tot levering van het schroot zijn aangegaan, zodat zij niet de afnemers van de leveringen van het schroot afkomstig van [B 1] kunnen zijn. Wie de werkelijke afnemers daarvan wel zijn geweest, is daardoor grotendeels verhuld.
Daarbij heeft [B 1] , na aanvankelijk rechtstreeks te hebben gefactureerd aan de Britse vennootschappen, op enig moment eerst [A 2] en daarna [D] als tussenschakel naar voren geschoven, terwijl daarvoor in het dossier geen enkele zakelijke argumenten zijn aangetroffen. Integendeel, uit de stukken blijkt van een vergaande bemoeienis van [B 1] met beide bedrijven, hetgeen ongebruikelijk is bij vennootschappen die niet tot eenzelfde concern behoren, zoals in dit geval geldt voor [B 1] , [A 2] en [D] . Dat vraagt om een afdoende verklaring, die niet is gegeven. Daarbij komt dat onderhandelingen en de resultaten daarvan over de condities van leveringen door [B 1] aan [A 2] , respectievelijk [D] , niet zijn aangetroffen. (...) Het hof concludeert dan ook dat [A 2] en [D] geen zelfstandige economische betekenis hebben gehad. Het door [B 1] tussenschuiven van [A 2] en [D] , zonder enige realiteitswaarde, sterkt het hof in de overtuiging dat [B 1] , samen met [A 2] en [D] , de btw-fraude heeft geïnitieerd en heeft geprobeerd deze zo lang mogelijk onopgemerkt te laten blijven.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [B 1] , [A 2] en [D] hebben geweten van de btw-fraude en dat zij de goede werking van het btw-stelsel in gevaar hebben gebracht door desondanks facturen uit te reiken aan anderen dan de onbekend gebleven werkelijke afnemers van de leveringen van schroot. Zij hebben aldus zelf btw-fraude gepleegd en zij wisten van btw-fraude bij/door de vennootschappen aan wie zij schroot hebben gefactureerd. Zij hebben daarom ten onrechte, want te kwader trouw, aanspraak gemaakt op voordelen ingevolge de btw-wetgeving (als het niet de toepassing van het nultarief is, dan wel het recht op aftrek van voorbelasting bij de aanschaf van het schroot van andere ondernemers), en door die voordelen doelbewust toch te claimen in de btw-aangiften, heeft [B 1] opzettelijk onjuiste aangiften gedaan waardoor te weinig omzetbelasting is geheven. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een constructie, gericht op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het verhullen daarvan door het opnemen van valse facturen in de bedrijfsadministratie. Daarbij is de samenwerking met en wetenschap van de verschillende participanten in die constructie voor een geslaagde uitvoering daarvan onontbeerlijk geweest:
- [B 1] voor het indienen van o.a. onjuiste btw-aangiftes en voor het maken van valse facturen;
(...)
- [A 2] en haar bestuurder [medeverdachte 1] en [D] en haar bestuurder [verdachte] voor de administratieve verwerking van schijntransacties waardoor de fraude langer onopgemerkt kon blijven.
Het hof is mitsdien van oordeel dat de facturen en de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten tussen [B 1] en [D] , op basis waarvan [D] schroot zou hebben gekocht, gebaseerd zijn op schijnhandelingen. Voor intracommunautaire prestaties die [D] aan Britse vennootschappen zou hebben verricht, geldt dit eveneens. [D] is slechts als tussenschakel opgetreden om te verhullen dat [B 1] btw-fraude pleegde, met gebruikmaking van Britse vennootschappen. Daarom is in strijd met de waarheid in de aangiften omzetbelasting in de periode van 19 februari 2018 tot en met 27 april 2018 (bij vraag 3b) omzet vermeld in verband met intracommunautaire leveringen.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
Het hof heeft [D] bij arrest van heden vrijgesproken van het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting in de periode van 19 februari 2018 tot en met 27 april 2018, omdat niet kan worden bewezen dat hierdoor te weinig omzetbelasting is voldaan. [D] heeft in werkelijkheid geen belastbare feiten verricht waarvoor zij omzetbelasting verschuldigd kan zijn geworden en ook ontbreekt een andere grond om omzetbelasting van haar te heffen. Gelet op deze vrijspraak, kan evenmin het door de verdachte daaraan feitelijke leiding geven bewezen worden verklaard. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde
De onjuiste aangiften omzetbelasting in de periode van 19 februari 2018 tot en met 27 april 2018 zijn naar het oordeel van het hof (...) vals opgemaakt, omdat daarin in strijd met de waarheid is vermeld dat [D] omzet heeft behaald door het verrichten van (intracommunautaire) leveringen. De valse aangiften hadden ten doel de schijn te wekken dat niet [B 1] de prestaties verrichtte maar [D] . De aangiften zijn ingediend bij de belastingdienst en hadden het oogmerk om ze als echt en onvervalst te gebruiken.
(...)
Feitelijke leidinggever
Zoals hiervoor, onder III.1 overwogen, is de verdachte vanaf de datum van oprichting van [D] op 14 maart 2017 bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap en ook de enige persoon die werkzaamheden voor [D] verricht. De aangiften omzetbelasting zijn gebaseerd op de informatie die de verdachte aan zijn accountantskantoor aanleverde, te weten informatie op basis van in- en verkoopfacturen. De accountant stuurde de aangifte in concept naar de verdachte en bij akkoord kreeg het accountantskantoor hierop zijn fiat. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte, bij wie wetenschap bestond omtrent de schijntransacties en die als bestuurder verantwoordelijk is voor het doen van aangiften omzetbelasting, als feitelijke leidinggever dient te worden aangemerkt. Het subsidiair ten laste gelegde wordt daarom wettig en overtuigend bewezen verklaard.”
3.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota (die zag op zowel deze zaak als de zaak tegen [D] ) houdt onder meer in:
“Ad f. Chat (veronderstelde) prijsval [KK 1]
32. De rechtbank maakte korte metten met de als ondersteuning voor de vaststelling van fraude aangedragen appgesprekken:
"Whatsapp-berichten
In het dossier zijn diverse WhatsApp-gesprekken gevoegd, waaronder de groepsapps ' [...] ', waaraan [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] deelnemen (DOC-163), en 'Swifts WP', waaraan [medeverdachte 5] (consultant [B 1] ), [medeverdachte 6] (administratief medewerker [B 1] ), [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] deelnemen (DOC-170). De berichten die de officier van justitie van belang vond voor de gevorderde bewezenverklaring zijn afkomstig van een telefoon van [medeverdachte 1] en daarmee zien deze berichten in de eerste plaats op de handel van [A 2] . De berichten in ' [...] ' lijken betrekking te hebben op de handel tussen [A 2] en [medeverdachte 4] Ltd en die in 'Swifts WP' op de handel tussen [A 2] en [P] Ltd.
De rechtbank ziet in de WhatsApp-gesprekken hoofdzakelijk berichten die lijken te gaan over de handel van de verschillende gespreksdeelnemers/bedrijven. Berichten die kunnen gelden als spreekwoordelijke smoking gun' voor het vaststellen van btw-fraude heeft de rechtbank niet aangetroffen. Daarbij komt dat voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van de berichten, omdat vermoedelijk naast WhatsApp-berichten sprake is geweest van andere vormen van communicatie, zoals fysieke ontmoetingen, telefonisch contact en/of e-mailverkeer. Daardoor ontbreekt bij de berichten de noodzakelijke context, en dat is des te meer van belang, omdat ook geregeld sprake is van (aanzienlijk) tijdsverloop tussen de door de officier van justitie — soms ten onrechte als één doorlopende reeks gepresenteerde berichten.”
33. Des te opvallender is het dat een selectie van drie contactmomenten (op 20 oktober 2017, 24 oktober 2017 en 7 februari 2018) waar [verdachte] ook geen deel van uitmaakte - zonder verdere toelichting of context in zowel de appelschriftuur als in requisitoir wordt aangehaald, laat staan dat tegenwicht wordt geboden aan het vernietigende oordeel hierover van de rechtbank.
34. Belangrijker is het dat uit de chat niet blijkt dat sprake zou zijn van een prijsval in de handelsketen met [KK 1] . De conclusie van het OM dat uit de chat een prijsval zou blijken, deelt de verdediging niet. Bovenal wordt de conclusie van het OM niet onderbouwd. Het had voor de hand gelegen dat aan de hand van bijvoorbeeld facturen van afnemers in de keten dalende eenheidsprijzen te zien zouden zijn. Het OM draagt dit - ondanks een zeer omvangrijk en jarenlang durend strafrechtelijk onderzoek - niet aan.
(...)
Wetenschap (opzet): stap ii.
48. De wetenschap van [verdachte] meent het OM te herleiden uit apps waaruit zijn betrokkenheid - toen nog als transporteur en voor oprichting van [D] - bij handelsketens van [B 1] met Britse eindafnemers blijkt. Ten aanzien van de kritiek op deze appsconversatie verwijs ik allereerst naar de kritiek die hiervoor al is aangehaald.
(...)
60. Het is jammer dat het OM niet de apps heeft gewaardeerd vanuit de hierboven geschetste context. Als u dat wel doet, zult u het met de verdediging eens moeten zijn dat op basis van de apps geen wetenschap en dus opzet kan worden afgeleid. Dit is de tweede reden dat opnieuw moet worden vrijgesproken.”
3.3
Het hof heeft uit de voor het bewijs gebruikte app-gesprekken waaraan de verdachte deelnam, zoals weergegeven onder 3.2.2, afgeleid “dat deze zien op de handel die aan de Britse vennootschappen is gefactureerd”. Die conclusie is in het onder 3.2.3 weergegeven standpunt niet bestreden. In zijn (eind)conclusie heeft het hof die app-gesprekken – die dateren van ruim vóór de bewezenverklaarde periode, toen [D] B.V. (hierna: [D] ) nog niet bestond – niet genoemd. Het al dan niet bestaan van een in het standpunt besproken ‘prijsval’ heeft in de bewijsvoering in het geheel geen rol gespeeld. Voor zover wat de raadsman op de terechtzitting over de app-gesprekken naar voren heeft gebracht moet worden opgevat als een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’, is het hof daarvan dus niet afgeweken.
3.4
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat [D] als schakel in de handelsketen tussen [B 1] B.V. (hierna: [B 1] ) en haar Britse afnemers geen functie had, omdat de door [D] gefactureerde bedragen geen winstmarge bevatten.
4.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.1 en 4.2.
5. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern over het oordeel van het hof dat tussen [B 1] en [D] sprake was van schijntransacties, bedoeld om de werkelijke rechtstreekse levering door [B 1] aan Britse afnemers te verhullen.
5.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.
6. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG - Btw-fraude; Jaddoe-achtige klachten over bewezenverklaring feitelijk leiding geven aan medeplegen van opmaken van valse aangiften omzetbelasting door [medeverdachte 1] BV (24/02490) ter zake van schroothandel met onbekende afnemers in het VK. Verrassingsbeslissing? Strekt tot verwerping.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02491
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
1. Overzicht
1.1
Deze zaak betreft betrokkenheid bij intra-EU btw-fraude. Bij arrest van 24 juni 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk en een geldboete van € 10.000 wegens feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift in 2018. De valsheid bestond uit het opmaken van onjuiste aangiften omzetbelasting. De onjuistheid bestond erin dat de (tegen nultarief) aangegeven omzet in feite niet door de rechtspersoon [medeverdachte 1] BV was gemaakt, maar schijntransacties betrof om de werkelijke transacties in metaalschroot tussen een andere rechtspersoon ( [medeverdachte 2] ; zaak 24/02468) en onbekend gebleven Britse afnemers te verhullen.
1.2
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken door de Rechtbank Amsterdam. Ook in hoger beroep is hij vrijgesproken van het primair telastegelegde leiding geven aan [medeverdachte 1] BV bij het medeplegen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting omdat die aangiften schijntransacties betroffen; [medeverdachte 1] verrichte in werkelijkheid geen belastbare handelingen, maar verhulde die van [medeverdachte 2] , zodat niet bewezen kon worden dat door die onjuiste aangiften te weinig omzetbelasting was voldaan. Ook [medeverdachte 1] BV is daarom vrijgesproken van medeplegen van opzettelijk doen van onjuiste aangiften. Zowel de verdachte als [medeverdachte 1] zijn wel veroordeeld voor het subsidiair telastegelegde (leiding geven aan) medeplegen van valselijk opmaken van bewijsgeschriften (aangiften omzetbelasting) met gebruiksoogmerk.
1.3
De zaak hangt samen met de zaken van vier andere natuurlijke personen en twee andere rechtspersonen, bij u aanhangig onder de nrs. 24/02490, 24/02412, 24/02411, 24/02469, 24/02470, 24/02468 en 24/02413. Ook in die zaken concludeer ik vandaag.
1.4
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft W. de Vries, advocaat te Amsterdam, vijf cassatiemiddelen voorgesteld.
1.5
In de zaak van de verdachte en die van ‘zijn’ BV ( [medeverdachte 1] BV; zaak nr. 24/02490) luiden de cassatieschrifturen wezenlijk gelijk. Het gaat vooral om (i) de Jaddoe-opinie1.van het VN-mensenrechtencomité dat na vrijspraak in eerste aanleg een bewezenverklaring en veroordeling in hoger beroep door u ook op feitelijke oordelen getoetst moet kunnen worden, met name om de vraag of de uitleg van die opinie in uw post Jaddoe-arrest HR NJ 2023/1062.in een geval zoals dit (een verrassingsbeslissing, aldus de cassatieschriftuur) voldoende tegemoet komt aan de strekking van die opinie, en om (ii) de vraag of de bewijsmiddelen de bewezenverklaring kunnen dragen. In de andere zes zaken luiden de cassatieschrifturen eveneens wezenlijk gelijk, maar gaat het niet om Jaddoe, maar vooral om de maatstaf voor (bewijs van) onjuistheid van nultarief-aangiften omzetbelasting (‘wist of had moeten weten’) en daarnaast om de vraag of de bewijsmiddelen de bewezenverklaringen kunnen dragen.
1.6
Ik meen dat het cassatieberoep ongegrond is, maar dat u de zaak, gegeven Jaddoe en uw post Jaddoe-arrest, niet met toepassing van art. 81 Wet RO zou moeten afdoen.
2. Middel 1: Jaddoe
2.1
Het eerste middel betoogt dat uw tegemoetkoming, in HR NJ 2023/106,3.aan de bezwaren van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe v. Netherlands4.in casu niet voldoet. Het Comité had bezwaren tegen ongemotiveerde verwerping van een cassatieberoep tegen een veroordeling in hoger beroep na een vrijspraak in eerste aanleg. Het hof heeft in hoger beroep na de vrijspraak in eerste aanleg een verrassingsbeslissing genomen en bovendien een hogere straf opgelegd dan geëist, waardoor het beperkte cassatie-onderzoek van de bewezenverklaring geen voldoende heronderzoek van die bewezenverklaring kan zijn zoals bedoeld door het Mensenrechtencomité, zodat de zaak terug moet naar de feitenrechter voor ‘hoor en wederhoor’. Het Hof had moeten laten blijken dat hij, in afwijking van de grief van het OM, een andere bewijsredenering overwoog en had de verdediging daarover moeten horen; dat is niet gebeurd en daardoor heeft over die 'alternatieve' bewijsredenering geen hoor en wederhoor plaatsgevonden, aldus het middel.
2.2
Het middel gaat er vanuit dat de verdediging, althans na een vrijspraak in eerste aanleg, in staat moet worden gesteld inhoudelijk te reageren op een voorgenomen bewezenverklaring. Die opvatting vindt geen steun in het recht, ook niet in Jaddoe-zaken. Het rechterlijke onderzoek in hoger beroep is in strafzaken geenszins beperkt tot de grief van de appellerende partij maar is een volledig nieuw onderzoek. Ik zie ook geen ‘alternatieve bewijsredenering’ of ‘alternatief’ bewijs. Waar de Rechtbank niet overtuigd was door het bewijsmateriaal, was het hof wél overtuigd door dat (zelfde) bewijsmateriaal. De cassatierechter gaat niet over de waardering van bewijsmiddelen, maar controleert of de gekozen bewijsmiddelen wettig zijn en de bewezenverklaring kunnen dragen en – indien bij de feitenrechter gesteld - of de bewezenverklaring verenigbaar is met een enigszins aannemelijk ander scenario (zie 4 hieronder).
2.3
Overigens heeft het hof voorafgaand aan de zitting(en) per e-mail en ter zitting nogmaals mondeling onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat ook hij de volgens dit middel wenselijke ‘hoor en wederhoor’ wenselijk achtte omdat hij de verdachten over de feiten wilde horen. Alle acht zaken zijn op zitting geweest op 8, 9, 12 en 15 april, 27 mei en 24 juni 2024. Alle acht verdachten waren steeds opgeroepen en het hof heeft hun raadslieden vóór de eerste zitting al laten weten dat hij vragen aan de verdachten had over de feitelijke gang van zaken (p.v. van de zitting van 8 april 2024, p. 3/4). De verdachten hebben er voor gekozen om niet te verschijnen. Op de zitting van 8 april naar hun redenen daarvoor gevraagd, hebben hun raadslieden geantwoord dat hun cliënten al op alle vragen antwoord hebben gegeven bij de FIOD en de rechtbank. Ook mr. De Vries heeft aldus verklaard, waarna het hof mr. De Vries wees op ’s Hofs e-mail aan mr. De Vries in reactie op diens e-mail dat de verdachte niet zou verschijnen, waarop mr. De Vries meedeelde dat als er vragen waren die schreeuwden om een verklaring, hij die wel kon voorleggen aan zijn cliënt. In reactie op de unisono stelling van de raadslieden dat hun cliënten alle vragen al beantwoord hadden, merkte de oudste raadsheer op dat het hof hen niet voor niets een e-mail had gestuurd over hun aanwezigheid ter zitting en wees hij op de jammerlijkheid van hun afwezigheid. Ook op de zittingen van 9, 12 en 15 april, 27 mei en 24 juni 2025 zijn de verdachten niet verschenen. Op de zitting van 15 april heeft mr. De Vries namens de verdachte en diens BV [medeverdachte 1] verklaard dat de verdachte getwijfeld had of hij nog moest komen, maar in overleg met mr. De Vries had besloten om niet te komen. Het komt mij voor dat de verdediging aldus de door dit middel gewenste ‘hoor en wederhoor’ over de feiten heeft verhinderd.
2.4
Middel 1 strandt mijns inziens.
3. Middel 2: het app-verkeer; verrassingsbeslissing?
3.1
De cassatieschriftuur constateert zelf dat het OM het app-verkeer tussen de verdachten – voor wat deze verdachte betreft in de app-groep ‘ [naam 1] ’ - ook in hoger beroep als bewijsmateriaal heeft gepresenteerd. Dan kan het gebruik ervan als bewijsmiddel geen verrassing zijn. Het p.-v. van de zitting van 8 april vermeldt verder dat de voorzitter heeft aangekondigd dat er op de zitting van 9 april ruimte zal zijn voor bespreking van de feiten als de verdachten verschijnen en dat als zij niet verschijnen de stukken uit het dossier geacht zullen worden te zijn voorgehouden, en dat de raadslieden daarmee akkoord zijn gegaan.
3.2
Anders dan de schriftuur stelt, heeft de Rechtbank niet geoordeeld dat die apps niet voor het bewijs zouden kunnen worden gebezigd, maar slechts dat zij er niet door overtuigd is geraakt omdat zij die apps geen ‘smoking gun’ vond en hun ‘context’ onvoldoende duidelijk achtte. Het hof daarentegen werd wel overtuigd. Dat is geen ‘alternatieve bewijsredenering’ en hoe dan ook bestaat er geen rechtsregel, ook niet in Jaddoe-zaken (zie 2.2 hierboven), die het hof verplicht om een voorgenomen bewezenverklaring voor te leggen aan de verdediging. In Jaddoe-opzicht zie ik niets bijzonders aan verdachte’s zaak. De cassatierechter gaat niet over de bewijsmiddelwaardering en overtuiging van de feitenrechter.
4. Middel 3: Meer en Vaart?
4.1
Middel 3 lijkt mij geen Meer- en Vaartverweer, nu het gestelde (het bedrijfsresultaat van verdachte’s BV [medeverdachte 1] zou soms een beetje positief, soms een beetje negatief en soms ‘neutraal’ zijn) niet in de weg staat aan ’s Hofs conclusie dat commercieel onverklaard en onverklaarbaar is gebleven dat [medeverdachte 1] ’ winstmarge structureel onzakelijk verwaarloosbaar of non-existent was en dat ook haar (vrijwel) meteen van aanvang af enorme omzet commercieel onverklaard en onverklaarbaar is. Het hof kon mijns inziens zonder motiveringsgebrek concluderen dat de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden - waaronder de vergaand onzakelijke verhoudingen tussen de formeel ongelieerde rechtspersonen, het 1-op-1 doorsluizen van de Britse pond-betalingen van onbekend gebleven Britse afnemers naar [medeverdachte 2] , de gebleken instructie en overige bemoeienis van de medeverdachten [medeverdachte 2] en de gebroeders [medeverdachte 3] met de facturering en de betalingen door verdachte’s BV [medeverdachte 1] en (het gebrek aan) een (commercieel verklaarbare) marge voor [medeverdachte 1] - impliceerden dat [medeverdachte 1] was tussengeschoven tussen [medeverdachte 2] en de genoemde gebroeders enerzijds en de onbekend gebleven werkelijke Britse afnemers anderzijds om de (wetenschap van) structurele en langlopende btw-fraude moeilijker waarneembaar te maken.
4.2
Het middel, dat overigens wezenlijk alleen op het al dan niet bestaan van een winstmarge ingaat en op dat punt alleen een verschil tussen nul en per saldo nul postuleert, gaat er ook aan voorbij dat’ s hofs bewezenverklaring inhoudt - en op basis van de vastgestelde feiten ook kan inhouden - dat de tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en tussen [medeverdachte 1] en onbekend gebleven Britse afnemers voorgewende transacties schijn waren, zodat ook een mogelijk op geduldig papier verantwoorde, maar onverklaarbaar verwaarloosbare winst of verlies van [medeverdachte 1] voor eigen rekening en risico evenzeer schijn was, bedoeld om de werkelijke rechtstreekse levering door [medeverdachte 2] aan Britse afnemers te verhullen.
4.3
Het door de raadsman gestelde andere scenario (legitieme commerciële tussenhandel die meteen vanaf aanvang uit het niets enige tientallen miljoenen omzet in anderhalf jaar beloopt maar commercieel per saldo (vrijwel) niets oplevert) wordt mijns inziens weerlegd door de bewijsmiddelen en ’s Hofs geenszins onbegrijpelijke interpretatie daarvan, met name door diens bevindingen onder de koppen ‘conclusie’ in zijn uitspraak. Bovendien lijkt mij dat scenario, gegeven de commerciële onverklaarbaarheid van de vastgestelde feiten, te onaannemelijk om gedetailleerde ontzenuwing te behoeven. Zoals u overwoog in HR NJ 2010/314:5.
“2.5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.”
4.4
Ik meen dat ook middel 3 strandt.
5. Middel 4: bewijs van wetenschap van schijn van de transacties van [medeverdachte 1] BV
5.1
Middel 4 lijkt mij een als rechtsklacht vermomd bewijsverweer/motiveringsklacht. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat [medeverdachte 1] BV slechts op papier tussengeschoven was bij wat in werkelijkheid rechtstreekse transacties tussen [medeverdachte 2] en onbekend gebleven Britse afnemers waren, waarbij onjuiste facturen tussen enerzijds [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en anderzijds [medeverdachte 1] en Britse afnemers de werkelijke rechtstreekse transacties tussen [medeverdachte 2] en die Britse afnemers moesten verhullen. Ik meen dat de bewezenverklaring van die wetenschap bij de verdachte wél op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden gebaseerd.
5.2
Het heeft weinig zin ’s hofs vaststellingen ter zake van en zijn overwegingen over [medeverdachte 1] BV en de verdachte hier te herhalen (met de zoekterm ‘ [medeverdachte 1] ’ en de naam van de verdachte kan het allemaal nagelezen worden in ’s hofs arrest), maar ik meen dat die vaststellingen en overwegingen ’s hofs (eind)conclusie kunnen dragen (i) dat [medeverdachte 2] , na aanvankelijke rechtstreekse facturering aan onbekend gebleven Britse afnemers, overgestapt is op facturering eerst aan [medeverdachte 4] BV en daarna aan [medeverdachte 1] BV zonder spoor van zakelijke reden of commerciële rechtvaardiging, maar met legio sporen van commercieel onverklaarde en onverklaarbare vergaand onzakelijke bemoeienis – zonder enige leverings- of prijsonderhandeling - van [medeverdachte 2] met de formeel ongelieerde [medeverdachte 4] BV en [medeverdachte 1] BV, (ii) dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] hebben geweten van de btw-fraude en dat zij in elk geval bewust de goede werking van het btw-stelsel in gevaar hebben gebracht door facturen uit te reiken aan anderen dan de onbekend gebleven werkelijke afnemers en (iii) de verdachte en de door hem bestuurde [medeverdachte 1] bij de uitvoering van de btw-fraudeconstructie onontbeerlijk waren voor de administratieve verwerking van schijntransacties waardoor de fraude langer onopgemerkt kon blijven.
5.3
De vastgestelde vergaand onzakelijke bemoeienis van [medeverdachte 2] , de commerciële onverklaarbaarheid van [medeverdachte 1] ’ functie en het ontbreken van elke zakelijke onderhandeling passen naadloos in het scenario van verhullende schijntransacties en is door de verdachte kennelijk op geen enkele manier niet-fiscaal verklaard.
5.4
Ik meen dat ook middel 4 strandt.
6. Middel 5: art. 69(2) AWR exclusieve specialisten opzichte van art. 225(1) Sr.?
Middel 5 stelt dat de verdachte vervolgd had moeten worden onder art. 69 AWR (lid 2, neem ik aan: het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangifte) omdat die fiscale strafbepaling een exclusieve lex specialis zou zijn ten opzichte van art. 225(1) Sr. (valselijk opmaken van een tot beijs dienend geschrift met het oogmerk het als echt te gebruiken). Die stelling is onjuist. Alleen lid 2 van art. 225 Sr (het opettelijke gebruik van een vervalst geschrift) kan een exclusieve specialis ten opzichte van art. 69(2) AWR zijn, zoals duidelijk blijkt uit lid 4 van art. 69 AWR. De raadsman verwijst naar art. 55(2) Sr ten betoge dat als het telastegelegde niet onder art. 69 AWR zou vallen, die bepaling volstrekt uitgehold zou worden, maar in de eerste plaats is art. 69(4) AWR een lex specialis ten opzichte van art. 55 Sr en in de tweede plaats valt het opzettelijk valselijk opstellen van een geschrift niet onder het indienen (gebruik jegens derden) ervan. Ware het anders, het zou zinloos zijn om de leden 1 en 2 van art. 225 Sr van elkaar te onderscheiden. Hoogstens kan art. 56 Sr aan de orde zijn als zowel de opmaak van een valse aangifte als het indienen van die valse aangifte bewezen verklaard zouden zijn, maar in casu is slechts één feit (valselijk opmaken) bewezen verklaard.
7. Van ambtswege
Ik zie geen niet-aangevoerde redenen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding zouden moeten geven.
8. Conclusie
Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de verdachte te verwerpen, maar niet met toepassing van art. 81 Wet RO, nu de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken en het hof hem heeft veroordeeld en de raadsman - mijns inziens vergeefs – heeft geklaagd over ‘s Hofs bewijsvoering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A.-G.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, na conclusie Bleichrodt, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, na conclusie Bleichrodt, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer.
VN-Mensenrechtencomité 26 juli 2022, CCPR/C/135/D/3256/2018, Jaddoe v Netherlands.
HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, na conclusie Machielse, NJ 2010, 314, m.nt. Buruma.