Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.4.2.6:I.4.2.6 Deelvraag 5: de afweging
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.4.2.6
I.4.2.6 Deelvraag 5: de afweging
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460279:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door de beantwoording van de vorige deelvraag zijn de argumenten vóór en tegen de aanvullende bescherming van bestuurders tegen aansprakelijkheid in kaart gebracht en is bij ieder argument – voor zover mogelijk – onderzocht of het adequaat onderbouwd is. Dan is het tijd voor een afweging, en daarop ziet deelvraag 5: kunnen de gebezigde argumenten rechtvaardigen dat leidinggevenden aanvullend worden beschermd tegen milieuaansprakelijkheid?
Deze vijfde onderzoeksvraag is evaluatief van aard: ik laat me op basis van de bestudeerde argumenten in prescriptieve zin uit over de hoogte van de aansprakelijkheidsdrempel. Toch staat dit onderdeel niet geheel los van de descriptieve dimensie van dit onderzoek. Immers, als er prangende juridisch-dogmatische of extern-juridische argumenten bestaan om leidinggevenden aanvullend te beschermen tegen aansprakelijkheid (of juist niet), dan kunnen die aanleiding geven om de vigerende doctrine aan te passen.
Opmerking verdient dat deze deelvraag niet gaat over de aanvullende bescherming van leidinggevenden tegen persoonlijke aansprakelijkheid in het algemeen, maar specifiek over de bescherming tegen milieuaansprakelijkheid. Met deze specificering wordt onderstreept dat het antwoord op deze deelvraag samenhangt met de milieurechtelijke context waarin de afweging plaatsvindt. Deze specificering is nodig, omdat ik niet uitsluit dat in bepaalde deelgebieden van het aansprakelijkheidsrecht de afweging anders zal uitpakken.
Bijvoorbeeld, wanneer aandeelhouders een bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk stellen wegens onbehoorlijke taakvervulling, dan kan het – vanwege samenloop met regelingen uit Boek 2 BW – best voor de hand liggen om een afwijkend, restrictief bestuurdersaansprakelijkheidsregime toe te passen.
De specificering is ook belangrijk omdat de context gevolgen heeft voor de afweging die wordt gemaakt: al naar gelang de context kan een argument namelijk meer of minder gewicht in de schaal leggen.
Neem bijvoorbeeld het argument dat de aanvullende bescherming van bestuurders tegen aansprakelijkheid nodig is om hun beleidsvrijheid te waarborgen. In sommige opzichten komt de bestuurder ruime beleidsvrijheid toe, bijvoorbeeld bij het aangaan van nieuwe contractuele verplichtingen in naam van de rechtspersoon. In andere opzichten is die beleidsvrijheid juist zeer beperkt. Zo laten vergunningsvoorschriften weinig beleidsvrijheid voor bestuurders over wat betreft de veiligheidsvoorzieningen en milieumaatregelen die getroffen moeten worden. Aanvullende bescherming tegen aansprakelijkheid veronderstelt dan een mate van beleidsvrijheid die de bestuurder helemaal niet toekomt. Het beleidsvrijheid-argument is daarom in het tweede geval slechts beperkt toepasselijk, en daarom weegt het voor de eindafweging met betrekking tot de aansprakelijkheidsdrempel voor milieukwesties minder zwaar mee.
De weging van argumenten is tot op zekere hoogte een subjectieve aangelegenheid. Welk gewicht je aan ieder argument toekent bij het opmaken van de balans hangt af van de gehanteerde maatstaf. Mijn beoordelingskader voor de weging van argumenten is niet vastomlijnd, doch overwegend rechtstheoretisch van aard: mijns inziens moet eventuele aanvullende bescherming van leidinggevenden tegen (milieu) aansprakelijkheid in ieder geval te herleiden zijn tot democratisch tot stand gekomen regelgeving, passen in de wetssystematiek en geen afbreuk doen aan de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Met andere woorden, de afwijking van de gewone regels voor aansprakelijkheid voor (bepaalde soorten) leidinggevenden in milieukwesties, moet een juridische rechtvaardiging hebben. Voor zover er binnen de wettelijke kaders ruimte is om meer of minder bescherming te bieden, zal ik ook extern-juridische argumentatie betrekken voor de nadere invulling van de aansprakelijkheidsregels voor de (milieu)aansprakelijkheid van leidinggevenden.
Ik zie in dat de evaluatieve afweging ook anders kan worden gemaakt. Een rechtseconoom zal bijvoorbeeld minder begaan zijn met de legitimiteit en coherentie van een aansprakelijkheidsregime, en meer gewicht toekennen aan de argumenten met betrekking tot de economische gevolgen van een bepaalde interpretatie. Deze keuze hangt samen met een meer instrumentele kijk op het aansprakelijkheidsrecht. Of een dergelijke benadering van het recht legitiem(er) is, kan in het kader van dit proefschrift in het midden blijven. Door te expliciteren welke waarden ik betrek bij de beoordeling of de aansprakelijkheidsdrempel van leidinggevenden een passende hoogte heeft en door te expliciteren op grond van welke argumenten ik tot een conclusie kom, hoop ik verdere discussie mogelijk te maken.
Terzijde merk ik nog op dat een andere maatstaf weliswaar tot een andere afweging, maar niet per se tot een andere uitkomst hoeft te leiden. Zeker niet wanneer – zoals in het kader van dit promotieonderzoek het geval blijkt te zijn – veel verschillende soorten argumenten dezelfde kant op wijzen.