Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.6.2
3.6.2 Voorontwerp Insolventiewet
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192612:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het Voorontwerp Insolventiewet en de bijbehorende toelichting zijn gepubliceerd in deel 2-IV van de Serie Onderneming & Recht.
Kortmann 2008, p. 8-12.
Voorontwerp Insolventiewet, p. 129.
Vgl. Onderdeel 6.2 van het Voorontwerp Insolventiewet, Voorontwerp Insolventiewet, p. 338. Zie voor een bespreking: Verstijlen 2008.
Zie daarover uitgebreider: Mulder 2008, Wibier 2008 en Kortmann 2017.
Voorontwerp Insolventiewet, p. 382. Zie daarover ook Wibier 2008, p. 47-48
Art. 7.1.1 Voorontwerp Insolventiewet.
Met deze regel werd beoogd de positie van concurrente crediteuren te versterken. Voorontwerp Insolventiewet, p. 152-153.
Art. 7.1.17 lid 2 Voorontwerp, zie daarover ook Mulder 2008, p. 604-606.
De rechter-commissaris kreeg op grond van art. 7.1.17 lid 3 Voorontwerp Insolventiewet de bevoegdheid het akkoord vast te stellen, als ware het aangenomen. Dat kon hij doen wanneer i) de helft van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten schuldeisers die tot stemmen bevoegd zijn voor het akkoord hebben gestemd, en ii) de verwerping van het akkoord het gevolg is van het tegenstemmen van een of meer schuldeisers die, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder het percentage dat die schuldeisers naar verwachting aan betaling op hun vordering zullen ontvangen indien de boedel van de schuldenaar in insolventie vereffend wordt, in redelijkheid niet tot dit stemgedrag hebben kunnen komen. Vgl. art. 146, 268a en 332 lid 4 Fw voor gelijksoortige bepalingen in de bestaande akkoordregelingen.
Art. 7.1.24 Voorontwerp Insolventiewet.
Zo blijkt uit Aanhangsel van de Handelingen 2010/11, nr. 1014.
Aanhangsel van de Handelingen 2010/11, nr. 1014. Zie voor een oproep voor de introductie van een dwangakkoord: Ilse van Gasteren en Jelle Hofland, ‘Meer dwang bij insolventie is hard nodig’, FD 9 juni 2011.
96. De meest recente aanzet voor een integrale herziening van het Nederlandse faillissementsrecht betrof het Voorontwerp Insolventiewet van de Commissie insolventierecht, onder voorzitterschap van prof. Kortmann. Het Voorontwerp Insolventiewet werd eind 2007 aangeboden aan de Minister van Justitie.1 Een richtinggevende gedachte achter het Voorontwerp was dat het reorganiserend vermogen van de wettelijke regeling zou moeten worden versterkt. Een ander leidend idee van de Commissie insolventierecht was dat een nieuwe Nederlandse Insolventiewet zou moeten aansluiten bij tendensen in het insolventierecht van andere Europese landen.2
Het Voorontwerp Insolventiewet voorzag in een unitaire insolventieprocedure, waarbinnen ruimte bestond voor zowel liquidatie van het vermogen ten behoeve van de schuldeisers als voor sanering van schulden. 3 In lijn met deze voorgestelde unitaire insolventieprocedure werd één regeling voor het insolventieakkoord voorgesteld. De voorgestelde regeling sloot aan bij de bestaande regelingen voor het schuldsanerings-, surseance- en faillissementsakkoord, zij het dat het voorgestelde insolventieakkoord ook verbindend zou zijn voor preferente schuldeisers, niet zijnde pand- of hypotheekhouders of retentors.4
97. Het Voorontwerp Insolventiewet voorzag ook in een regeling voor een akkoord buiten insolventie.5 De commissie verwachtte zelf de hoogste slagingskans bij natuurlijke personen, maar merkte op dat de regeling ook op rechtspersonen kon worden toegepast.6 Op grond van de voorgestelde regeling kon een schuldenaar die voorziet dat hij met het betalen van zijn opeisbare schulden niet zal kunnen voortgaan een akkoord aan zijn schuldeisers aanbieden.7 Het ontwerpakkoord moest ter griffie van de rechtbank worden ingediend.8 De rechtbank zou daarop een rechter-commissaris benoemen, die toezicht zou houden op het proces.9 Zij kon tevens een stille bewindvoerder benoemen, die bijvoorbeeld een onderzoek naar het aangeboden akkoord en de betrouwbaarheid van de door de schuldenaar overlegde lijst met vorderingen kon doen.10 Het Voorontwerp Insolventiewet introduceerde de mogelijkheid het akkoord niet aan alle schuldeisers aan te bieden. Schuldeisers waren niet stemgerechtigd indien hun vorderingen in geen enkel opzicht door het akkoord werden beperkt.11
De stemming zou plaats hebben ten overstaan van de rechter-commissaris. Art. 7.1.8. van het Voorontwerp Insolventiewet gaf de rechtbank ook de bevoegdheid te bepalen dat er geen vergadering over het akkoord plaats zou hebben en alle schuldeisers geacht werden vóór het akkoord te stemmen, tenzij één van hen tijdig aangaf toch een stemming te willen. In de voorgestelde regeling werd in één groep over het akkoord gestemd. Concurrente en preferente crediteuren zouden in één groep stemmen. Het Voorontwerp introduceerde de zogenaamde 2:1-regel op grond waarvan op preferente vorderingen bij een uitdeling twee keer zoveel zou worden uitgekeerd als op concurrente vorderingen.12 De in art. 7.1.17 lid 1 Voorontwerp Insolventiewet voorgeschreven meerderheid voor het aannemen van een akkoord sloot daarbij aan. Voor aanneming van het akkoord was een gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en toegelaten stemgerechtigde schuldeisers vereist, wier vorderingen, in geval de boedel van de schuldenaar in insolventie vereffend zou worden, tezamen aanspraak zouden geven op ten minste de helft van hetgeen aan de tot stemmen bevoegde schuldeisers zou worden uitgedeeld. Voor natuurlijke personen werd een soepelere gekwalificeerde meerderheid voorgeschreven.13
Na aanname of vaststelling14 van het akkoord diende het akkoord door de rechtbank gehomologeerd te worden. Art. 7.1.23 van het Voorontwerp Insolventiewet bevatte een aantal imperatieve gronden voor weigering van de homologatie. De rechtbank kon de homologatie ook op andere zwaarwegende gronden en ook ambtshalve weigeren. Een op grond van het Voorontwerp gehomologeerd akkoord buiten insolventie zou verbindend zijn voor alle schuldeisers behalve voor de schuldeisers die zich kunnen beroepen op een retentierecht of een recht van parate executie.15
Eind 2009 stelde de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie dat er gelet op de taakstellingsoperatie van het vorige kabinet en de vele al bestaande wetgevingsprioriteiten geen ruimte bestond om dit omvangrijke wetgevingsproject ter hand te nemen. Bovendien was de minister niet overtuigd dat het Voorontwerp Insolventiewet voldoende reorganiserend vermogen zou leveren. 16 In 2011 gaf de minister aan dat concrete ervaringen aanleiding zouden kunnen geven tot aanpassing van de faillissementswetgeving. Ook kondigde hij aan dat hij INSOLAD zou uitnodigen om suggesties voor herziening van de Faillissementswet te doen.17