Hof Arnhem-Leeuwarden, 19-09-2023, nr. 200.323.766/01
ECLI:NL:GHARL:2023:7831
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
19-09-2023
- Zaaknummer
200.323.766/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2023:7831, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 19‑09‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2023:3513, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 25‑04‑2023; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0001
Uitspraak 19‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Het hof verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep en veroordeelt haar in de proceskosten in hoger beroep van de vader. Partijen hebben in de procedure in eerste aanleg gekregen waar zij om hebben verzocht. Het enkele feit dat in het dictum van de bestreden beschikking is opgenomen dat de rechtbank ‘het meer of anders verzochte afwijst’ doet daar niet aan af. De moeder heeft in hoger beroep gewijzigde verzoeken betreffende het gezag en kinderalimentatie gedaan. Deze verzoeken en de onderwerpen waarop zij betrekking hebben verschillen zozeer van het onderwerp van geschil in eerste aanleg dat deze wijziging in hoger beroep in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.323.766/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 544880)
beschikking van 19 september 2023
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Amsterdam,
en
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Meeuwsen te Gorinchem.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: ‘de bestreden beschikking’).
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het beroepschrift, tevens houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties, ingekomen op 8 maart 2023;
- -
het verweerschrift met producties, en
- -
journaalberichten van mr. Van den Heuvel van 10 maart 2023 (met USB-sticks) en 11 augustus 2023 (met producties).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 22 augustus 2023 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- -
de moeder met haar advocaat;
- -
de vader met zijn advocaat, en
- -
een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
3. De feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- -
[de minderjarige1] , geboren [in] 2018 in [plaats1] , en
- -
[de minderjarige2] , geboren [in] 2021 in [plaats2] .
3.2
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.
4. De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank als zorgregeling vastgesteld:
- van 25 november 2022 tot 29 december 2022:
[de minderjarige1] verblijft bij de vader: de ene week (week 1) van vrijdag na het avondeten tot zondag na het avondeten en de andere week (week 2) van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 10.00 uur;
[de minderjarige2] verblijft bij de vader: de ene week (week 1) van vrijdag na het avondeten tot zaterdag 18.00 uur en de week (week 2) van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 10.00 uur;
- van 29 december 2022 tot en met 24 januari 2023:
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn met de moeder op vakantie in Peru;
- vanaf 25 januari 2023:
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven bij de vader: de ene week (week van vrijdag na het avondeten tot zondag na het avondeten en de andere week (week 2) van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 10.00 uur;
- na de kerstvakantie 2022/2023 worden vakanties van langer dan één week en de feestdagen bij helfte verdeeld, waarbij in de even jaren de vader het recht van eerste keus heeft en in de oneven jaren de moeder het recht van eerste keus heeft.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- 1.
haar inleidende verzoeken over de zorgregeling alsnog toe te wijzen;
- 2.
primair
het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen te beëindigen en haar voortaan alleen te belasten met het gezag,
subsidiair
een bijzondere curator te benoemen om advies in te winnen over het gezag en de zorg-/omgangsregeling en/of een raadsonderzoek te gelasten, en
3. te bepalen dat de vader met ingang van 1 mei 2022 een bijdrage dient te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder: kinderalimentatie),
kosten rechtens.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof:
I. het door de moeder in hoger beroep verzochte af te wijzen;
II. de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar gewijzigde dan wel vermeerderde verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen,
kosten rechtens.
5. De motivering van de beslissing
Niet-ontvankelijkheid
5.1
Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken in hoger beroep. Het hof legt hierna uit waarom.
5.2
Als uitgangspunt geldt dat de partij van wie het verzoek door de rechter in eerste aanleg is toegewezen, geen belang heeft bij een hoger beroep en dat het rechtsmiddel van hoger beroep er niet voor dient in een dergelijk geval gelegenheid te geven om de beschikking waarbij het verzoek is toegewezen, ongedaan te maken.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de ouders tijdens de zitting bij de rechtbank overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling. De rechtbank heeft de tussen partijen gemaakte afspraken vastgelegd in de bestreden beschikking. Volgens de vader hebben partijen hun inleidende verzoeken overeenkomstig de overeenstemming aangepast, wat de moeder niet heeft betwist. Het hof leidt hieruit af dat partijen in de procedure in eerste aanleg hebben gekregen waar zij om hebben verzocht. Het enkele feit dat in het dictum van de bestreden beschikking is opgenomen dat de rechtbank ‘het meer of anders verzochte afwijst’ doet daar niet aan af.
In het door de moeder gestelde ziet het hof geen aanleiding om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
5.3
De moeder heeft in hoger beroep gewijzigde verzoeken betreffende het gezag en kinderalimentatie gedaan. Deze verzoeken en de onderwerpen waarop zij betrekking hebben verschillen zozeer van het onderwerp van geschil in eerste aanleg dat deze wijziging in hoger beroep in strijd is met de eisen van een goede procesorde (artikel 362 in verbinding met de artikelen 283 en 130 Rv).
Proceskostenveroordeling
5.4
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de moeder veroordelen in de kosten van de vader in de procedure in hoger beroep.
6. De beslissing
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep;
veroordeelt de moeder tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep van de vader:
€ 343,- aan griffierecht;
€ 2.366,- aan salaris advocaat (2 punten x appeltarief II);
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier. De beschikking is in het openbaar door mr. H. Phaff uitgesproken op 19 september 2023.
Uitspraak 25‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening, geen reden waarom de beslissing in de bodemprocedure niet afgewacht kan worden.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.323.766-02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 544880)
beschikking van 25 april 2023 inzake het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Amsterdam,
en
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Meeuwsen te Gorinchem.
1. De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, tevens inhoudende een verzoekt tot het treffen van een voorlopige voorziening, ingekomen op 8 maart 2023;
- een bericht van mr. Van den Heuvel van 13 maart 2023;
- het verweerschrift.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
De raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is met bericht vooraf niet verschenen.
2. De feiten
2.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2018 in [plaats1] en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2021 in [plaats2] ,
over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.2
Bij beschikking van 14 december 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, voor zover relevant, als zorgregeling vastgesteld dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf 25 januari 2023 de ene week (week 1) van vrijdag na het avondeten tot zondag na het avondeten en de andere week (week 2) van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 10.00 uur bij de vader verblijven. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3. De omvang van het geschil
3.1
Tussen de ouders is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
De moeder verzoekt het hof, voor de duur van het hoger beroep, een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen eens per veertien dagen een weekend (van vrijdag 17:00 uur tot zondag 18:00 uur in de oneven week) bij de vader verblijven.
3.2
De vader voert verweer en vraagt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de moeder af te wijzen.
4. De beoordeling van het verzoek
4.1
Op grond van artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Deze bepaling is ook van toepassing in een verzoekschriftprocedure.
Een voorlopige voorziening is een tijdelijke beslissing, die geldt voor de duur van de procedure. De verzoeker moet in die zin belang hebben bij het verzoek dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
4.2
Het hof stelt vast dat tussen partijen bij dit hof een hoofdzaak aanhangig is en dat het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening samenhangt met de verzoeken van de moeder in de hoofdzaak. De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het hof oordeelt als volgt.
4.3
De moeder verzoekt de zorgregeling voor de duur van de procedure te wijzigen omdat de vader de zorgregeling niet consequent nakomt, hetgeen onrust met zich brengt voor de kinderen en de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder echter laten weten dat de zorgregeling sinds de indiening van het hoger beroep goed wordt nagekomen en dat de kinderen het naar hun zin hebben bij de vader. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de zorgregeling op dit moment voor de duur van de procedure te wijzigen. Dat de moeder vreest dat de vader na de procedure de regeling opnieuw niet zal nakomen, maakt dat niet anders. Ook de stelling van de moeder dat er in de weekenden dat de kinderen van vrijdag 14.00 uur tot zaterdag 10.00 uur bij de vader verblijven veel wisselingen binnen korte tijd plaatsvinden hetgeen onrustig is voor de kinderen, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de beslissing in de bodemprocedure niet afgewacht kan worden. Ouders hebben de zorgregeling immers zelf afgesproken en zullen de kinderen de kans moeten geven om aan de nieuwe verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wennen.
4.4
Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van het hof geen reden waarom de beslissing in de bodemprocedure niet afgewacht kan worden, zodat het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
5. De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening
af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, M.H.F. van Vugt en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door M.A. Mertens als griffier, en is op 25 april 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.