Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 01-08-2022, nr. C-501/20
ECLI:EU:C:2022:619
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
01-08-2022
- Magistraten
A. Prechal, J. Passer, F. Biltgen, L.S. Rossi, N. Wahl,
- Zaaknummer
C-501/20
- Conclusie
M. szpunar
- Roepnaam
M P A (Résidence habituelle – État tiers)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:619, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 01‑08‑2022
ECLI:EU:C:2022:138, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑02‑2022
Uitspraak 01‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikelen 3, 6 tot en met 8 en 14 — Begrip ‘gewone verblijfplaats’ — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen — Verordening (EG) nr. 4/2009 — Artikelen 3 en 7 — Onderdanen van twee verschillende lidstaten die in een derde staat wonen als arbeidscontractant bij de delegatie van de Europese Unie in die derde staat — Vaststelling van de bevoegdheid — Forum necessitatis
A. Prechal, J. Passer, F. Biltgen, L.S. Rossi, N. Wahl,
Partij(en)
In zaak C-501/20,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona (rechter in tweede aanleg provincie Barcelona, Spanje) bij beslissing van 15 september 2020, ingekomen bij het Hof op 6 oktober 2020, in de procedure
MPA
tegen
LCDNMT,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J. Passer, F. Biltgen, L. S. Rossi (rapporteur) en N. Wahl, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 september 2021,
gelet op de opmerkingen van:
- —
MPA, vertegenwoordigd door A. López Jiménez, abogada,
- —
LCDNMT, vertegenwoordigd door C. Martínez Jorba en P. Tamborero Font, abogadas,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door I. Gavrilova, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta, H. Marcos Fraile en C. Zadra als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín, M. Kellerbauer, N. Ruiz García, M. Wilderspin en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 februari 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3, 7, 8 en 14 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1, met rectificatie in PB 2020, L 351, blz. 64), van de artikelen 3 en 7 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 8, blz. 19), alsook van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MPA en LCDNMT — twee arbeidscontractanten van de Europese Unie die zijn aangesteld bij de delegatie van de Unie in Togo — over een echtscheidingsverzoek, waarin tevens werd verzocht om vaststelling van de regeling en wijze van uitoefening van de zorg en de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige kinderen van het koppel, toekenning van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen en een regeling voor het gebruik van de gezinswoning in Lomé (Togo).
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, gesloten te Wenen op 18 april 1961 en in werking getreden op 24 april 1964 (United Nations Treaty Series, deel 500, blz. 95; hierna: ‘Verdrag van Wenen’), bepaalt:
‘De diplomatieke ambtenaar geniet immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat. Hij geniet eveneens immuniteit ten aanzien van de burger- en administratiefrechtelijke rechtsmacht van die staat, met uitzondering van de volgende gevallen:
- a)
een zakelijke actie betreffende particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van de ontvangende staat, tenzij hij dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van de zending;
- b)
een geding betreffende erfopvolging waarin de diplomatieke ambtenaar als particulier en niet ten behoeve van de zendstaat betrokken is als uitvoerder van een uiterste wilsbeschikking, bewindvoerder, erfgenaam of legataris;
- c)
een geding betreffende een door de diplomatieke ambtenaar in de ontvangende staat buiten zijn officiële werkzaamheden om verrichte beroeps- of bedrijfsbezigheden.’
Unierecht
Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten
4
Artikel 11 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna: ‘Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten’), dat is opgenomen onder hoofdstuk V (‘Ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Unie’) bepaalt:
‘De ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der lidstaten:
- a)
vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en voorts op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar ambtenaren en overige personeelsleden. […]
[…]’
5
Artikel 17, eerste alinea, van dit protocol, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VII (‘Algemene bepalingen’), luidt:
‘De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie uitsluitend in het belang van de Unie verleend.’
Statuut en RAP
6
Krachtens artikel 1 ter van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: ‘Statuut’) wordt de Europese dienst voor extern optreden (EDEO), tenzij in het Statuut anders is aangegeven, voor de toepassing van dit Statuut gelijkgesteld met de instellingen van de Unie.
7
In artikel 23 van het Statuut is bepaald:
‘De voorrechten en immuniteiten welke de ambtenaren genieten zijn uitsluitend in het belang van de Unie toegekend. Behoudens het bepaalde in het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten zijn de betrokkenen niet ontheven van het vervullen van hun particuliere verplichtingen en van het naleven van de geldende wetten en de voorschriften betreffende de openbare orde en veiligheid.
[…]’
8
Artikel 3 bis, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: ‘RAP’) bepaalt:
‘Als ‘arbeidscontractant’ in de zin van deze regeling wordt aangemerkt het personeelslid dat niet is tewerkgesteld in een ambt dat voorkomt in de lijst van het aantal ambten gevoegd bij de afdeling van de begroting die op de instelling betrekking heeft, en dat is aangesteld om hetzij voltijds, hetzij deeltijds,
[…]
- d)
een ambt te vervullen bij een vertegenwoordiging of een delegatie van de Europese instellingen;
[…]’
9
Artikel 85, lid 1, eerste alinea, RAP is geformuleerd als volgt:
‘De overeenkomst met een in artikel 3 bis bedoelde arbeidscontractant wordt gesloten voor bepaalde tijd, namelijk voor ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar. De overeenkomst mag ten hoogste eenmaal voor bepaalde tijd verlengd worden, voor ten hoogste vijf jaar. De minimumlooptijd van de eerste overeenkomst is zes maanden voor functiegroep I en negen maanden voor de andere functiegroepen. Na de eerste verlenging kan de overeenkomst alleen nog voor onbepaalde tijd worden verlengd.’
Verordening nr. 2201/2003
10
In de overwegingen 5, 11, 12, 14 en 33 van verordening nr. 2201/2003 staat te lezen:
- ‘(5)
Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.
[…]
- (11)
Onderhoudsverplichtingen zijn van de werkingssfeer van onderhavige verordening uitgesloten, omdat zij reeds door verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] worden geregeld. De gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn, zullen over het algemeen bevoegd zijn om uitspraak te doen inzake onderhoudsverplichtingen, krachtens artikel 5, [punt] 2, van verordening [nr. 44/2001].
- (12)
De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.
[…]
- (14)
De toepassing van de onderhavige verordening dient de toepassing van het internationaal publiekrecht inzake diplomatieke immuniteiten onverlet te laten. Indien het uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd gerecht zijn bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit overeenkomstig het internationale recht, dient de bevoegdheid te worden bepaald in de lidstaat waar de betrokkene geen enkele immuniteit geniet, overeenkomstig de wet van deze lidstaat.
[…]
- (33)
Deze verordening erkent de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen, die zijn erkend bij het [Handvest]. In het bijzonder beoogt zij de grondrechten van het kind, zoals die in artikel 24 van het [Handvest] zijn erkend, ten volle te eerbiedigen.’
11
Artikel 1 (‘Toepassingsgebied’) van verordening nr. 2201/2003 bepaalt:
- ‘1.
Deze verordening is, ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:
- a)
echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk;
- b)
de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
[…]
- 3.
Deze verordening is niet van toepassing op:
[…]
- e)
onderhoudsverplichtingen;
[…]’
12
Hoofdstuk II (‘Bevoegdheid’) van verordening nr. 2201/2003 bestaat uit drie afdelingen. Afdeling 1 (‘Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk’) van dat hoofdstuk omvat de artikelen 3 tot en met 7 van deze verordening.
13
Artikel 3 (‘Algemene bevoegdheid’) van deze verordening bepaalt in lid 1:
‘Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:
- a)
op het grondgebied waarvan:
- —
de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of
- —
zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of
- —
de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of
- —
in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of
- —
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of
- —
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‘domicile’ (woonplaats) heeft;
- b)
waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‘domicile’ (woonplaats) hebben.’
14
Artikel 6 (‘Exclusieve aard van de bevoegdheden op grond van de artikelen 3, 4 en 5’) van die verordening luidt:
‘De echtgenoot die:
- a)
zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft; of
- b)
onderdaan van een lidstaat is of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn ‘domicile’ (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft,
kan slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.’
15
Artikel 7 (‘Residuele bevoegdheid’) van verordening nr. 2201/2003 bepaalt in lid 1:
‘Indien geen gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, wordt in elke lidstaat de bevoegdheid beheerst door de wetgeving van die lidstaat.’
16
Afdeling 2 (‘Ouderlijke verantwoordelijkheid’) van hoofdstuk II van deze verordening bevat de artikelen 8 tot en met 15.
17
Artikel 8 (‘Algemene bevoegdheid’) van die verordening bepaalt in lid 1:
‘Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.’
18
Artikel 12 (‘Prorogatie van rechtsmacht’) van verordening nr. 2201/2003 bepaalt in de leden 1, 3 en 4:
- ‘1.
De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel 3 ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:
- a)
ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;
en
- b)
de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.
[…]
- 3.
De gerechten van een lidstaat zijn ook in andere procedures dan die welke in lid 1 worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien:
- a)
het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is;
en
- b)
hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.
- 4.
Indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde staat die geen verdragsluitende partij is bij het [Haagse] Verdrag […] van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, wordt de op het onderhavige artikel gebaseerde bevoegdheid geacht met name in het belang van het kind te zijn indien een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn.’
19
In artikel 14 (‘Residuele bevoegdheid’) van voornoemde verordening is het volgende opgenomen:
‘Indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 bevoegd is, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat beheerst door de wetgeving van die lidstaat.’
Verordening nr. 4/2009
20
In de overwegingen 8, 15 en 16 van verordening nr. 4/2009 staat te lezen:
- ‘(8)
De Gemeenschap en haar lidstaten hebben deelgenomen aan onderhandelingen in het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, die op 23 november 2007 hebben geresulteerd in de aanneming van het [Haagse] Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden […] en van het Haagse protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen[, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/941/EG van de Raad van 30 november 2009 (PB 2009, L 331, blz. 17)]. In het kader van deze verordening moet derhalve met deze twee instrumenten rekening worden gehouden.
[…]
- (15)
Teneinde de behartiging van de belangen van onderhoudsgerechtigden te waarborgen en een goede rechtsbedeling in de Europese Unie te bevorderen, dienen de bevoegdheidsregels die voortvloeien uit verordening [nr. 44/2001] te worden aangepast. Het feit dat de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een derde staat heeft, mag niet langer een reden zijn om de toepassing van communautaire bevoegdheidsregels uit te sluiten, en er dient geen enkele verwijzing naar de bevoegdheidsregels van het nationale recht meer te worden opgenomen. In deze verordening dient dus te worden bepaald in welk gevallen een gerecht van [een] lidstaat een subsidiaire bevoegdheid kan uitoefenen.
- (16)
Teneinde meer in het bijzonder een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering, dient in deze verordening ook een forum necessitatis (noodbevoegdheid) te worden opgenomen, waardoor een gerecht van een lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden kennis kan nemen van een geschil dat een nauwe band met een derde staat heeft. Een dergelijk uitzonderlijk geval zou zich kunnen voordoen wanneer een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt, bijvoorbeeld door een burgeroorlog, of wanneer van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in dat land een procedure aanhangig maakt of voert. De op het forum necessitatis gebaseerde bevoegdheid kan evenwel alleen worden uitgeoefend als het geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, bijvoorbeeld door de nationaliteit van een van de partijen.’
21
Artikel 3 (‘Algemene bepalingen’) van verordening nr. 4/2009 luidt:
‘In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:
- a)
het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- b)
het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- c)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust, of
- d)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.’
22
Artikel 6 (‘Subsidiaire bevoegdheid’) van deze verordening bepaalt:
‘Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, en indien geen enkel gerecht van een staat die partij is bij het Verdrag van Lugano, maar die geen lidstaat is, op grond van de bepalingen van genoemd verdrag bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen bevoegd.’
23
Artikel 7 (‘Forum necessitatis’) van die verordening luidt:
‘Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4, 5 en 6 bevoegd is, kunnen de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennisnemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt.
Het geschil moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.’
Spaans recht
24
Artikel 22 quater van Ley Orgánica 6/1985 del Poder Judicial (organieke wet 6/1985 inzake de rechterlijke macht) van 1 juli 1985 (BOE nr. 157 van 2 juli 1985, blz. 20632), zoals gewijzigd bij Ley Orgánica 7/2015 (organieke wet 7/2015) van 21 juli 2015 (BOE nr. 174 van 22 juli 2015, blz. 61593), bepaalt onder c) en d):
‘Bij gebreke van de bovengenoemde criteria zijn de Spaanse gerechten bevoegd:
[…]
- c)
op het gebied van persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen tussen echtgenoten, nietigverklaring van het huwelijk, scheiding van tafel en bed en echtscheiding en bijbehorende wijzigingen, op voorwaarde dat geen enkel ander buitenlands gerecht bevoegd is, wanneer beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Spanje hebben op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend of wanneer zij hun laatste gewone verblijfplaats in Spanje hadden en een van hen daar [nog] woont, of wanneer Spanje de gewone verblijfplaats is van de verweerder, of, in het geval van een gemeenschappelijk verzoek, wanneer een van de echtgenoten in Spanje woont, […], of wanneer de verzoeker de Spaanse nationaliteit heeft en vóór de indiening van het verzoek ten minste zes maanden zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft, alsook wanneer beide echtgenoten de Spaanse nationaliteit hebben.
- d)
op het gebied van verwantschap en ouder-kindrelaties, bescherming van minderjarigen en ouderlijke verantwoordelijkheid, wanneer het kind of de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend of de verzoeker de Spaanse nationaliteit heeft of zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft, of, in ieder geval, sinds ten minste zes maanden vóór indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft.’
25
Artikel 22 octies van deze wet, zoals gewijzigd, luidt:
- ‘1.
De Spaanse gerechten zijn niet bevoegd in de gevallen waarin de in de Spaanse wetgeving vastgestelde bevoegdheidsgronden niet voorzien in die bevoegdheid.
[…]
- 3.
[…] De Spaanse gerechten mogen zich echter niet verschonen, noch zich onbevoegd verklaren wanneer het geschil een band heeft met Spanje en de gerechten van de verschillende staten die betrokken zijn bij het geschil zich onbevoegd hebben verklaard. […]’
26
Artikel 40 van de Código Civil (burgerlijk wetboek) bepaalt dat de woonplaats van diplomaten die op grond van hun ambt in een andere staat dan Spanje verblijven en het recht op diplomatieke immuniteit genieten, hun laatste woonplaats op het Spaanse grondgebied is.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
27
MPA, de moeder van de kinderen in het hoofdgeding, en LCDNMT, hun vader, zijn op 25 augustus 2010 in het huwelijk getreden in de Spaanse ambassade in Guinee-Bissau. Zij hebben twee kinderen, geboren in Spanje op 10 oktober 2007 en 30 juli 2012. De moeder heeft de Spaanse nationaliteit en de vader heeft de Portugese nationaliteit. Hun kinderen hebben zowel de Spaanse als de Portugese nationaliteit.
28
De echtgenoten hebben van augustus 2010 tot februari 2015 in Guinee-Bissau gewoond en zijn vervolgens verhuisd naar Togo. De scheiding van tafel en bed vond plaats in juli 2018. Sindsdien wonen de moeder en de kinderen in de echtelijke woning te Togo en heeft de vader zijn intrek genomen in een hotel in die staat.
29
Beide echtgenoten werken voor de Europese Commissie en zijn aangesteld bij de delegatie van de Europese Unie in Togo. Hun beroepsgroep is die van arbeidscontractanten.
30
Op 6 maart 2019 heeft de moeder bij de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 2 de Manresa (rechter in eerste aanleg en instructie nr. 2 Manresa, Spanje) een echtscheidingsverzoek ingediend, waarin zij tevens verzocht om vaststelling van de regeling en wijze van uitoefening van de zorg en de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige kinderen van het koppel, toekenning van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen en het genot van de gezinswoning in Togo.
31
De vader voerde aan dat de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 2 de Manresa geen internationale bevoegdheid had.
32
Bij beschikking van 9 september 2019 heeft deze rechter vastgesteld dat hij niet internationaal bevoegd was omdat partijen zijns inziens hun gewone verblijfplaats niet in Spanje hadden.
33
De moeder heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij betoogt dat beide echtgenoten in het land van tewerkstelling een diplomatieke status genieten als erkende personeelsleden van de Unie en dat die status door de ontvangende staat wordt toegekend en ook van toepassing is op hun minderjarige kinderen. In dit verband voert zij aan dat zij wordt beschermd door de immuniteit waarin artikel 31 van het Verdrag van Wenen voorziet en dat haar vorderingen niet vallen onder de in dat artikel genoemde uitzonderingen. De moeder stelt dat de bevoegdheid om kennis te nemen van kwesties betreffende echtscheidingen, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsbijdragen volgens de verordeningen nr. 2201/2003 en nr. 4/2009 wordt vastgesteld op basis van de gewone verblijfplaats. Volgens artikel 40 van de Código Civil is haar gewone verblijfplaats niet de plaats waar zij als arbeidscontractant van de Unie is tewerkgesteld, maar haar verblijfplaats voordat zij die status verkreeg, namelijk Spanje.
34
De moeder beroept zich ook op het forum necessitatis zoals erkend door verordening nr. 4/2009 en beschrijft de situatie waarin de Togolese gerechten zich bevinden. Hiertoe heeft zij verslagen van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties overgelegd. Zij wijst erop dat in een van deze verslagen wordt gewezen op het gebrek aan passende opleiding en bijscholing van rechters en het aanhoudende klimaat van straffeloosheid voor inbreuken op mensenrechten. In een ander verslag wordt melding gemaakt van de bezorgdheid van de Verenigde Naties met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de toegang tot de rechter en de straffeloosheid voor inbreuken op mensenrechten.
35
De vader voert aan dat geen van beide echtgenoten een diplomatieke functie voor hun respectieve lidstaten, namelijk het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, bekleedt maar dat zij als arbeidscontractanten bij de delegatie van de Unie in Togo werkzaam zijn. In dit verband wijst hij erop dat het laissez-passer waarover zij beschikken geen diplomatiek paspoort is, maar een vrijgeleide of veilig reisdocument, dat alleen geldig is op het grondgebied van derde staten. Bovendien is volgens hem niet het Verdrag van Wenen, maar het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van toepassing. Dit protocol is echter alleen van toepassing op handelingen die door ambtenaren en personeelsleden van de instellingen van de Unie in hun officiële hoedanigheid worden verricht, zodat het in casu de bevoegdheid van de Togolese gerechten niet uitsluit en niet noopt tot toepassing van het forum necessitatis.
36
De verwijzende rechter merkt op dat er geen rechtspraak bestaat over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van echtgenoten om de bevoegdheid voor een echtscheiding vast te stellen, noch over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van minderjarige kinderen in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geval, zodat hij de gevolgen moet bepalen van een diplomatieke of soortgelijke status zoals die van personen die functies uitoefenen als ambtenaren of andere personeelsleden die voor de Unie werken en die voor de uitoefening van die functies in derde staten zijn gedetacheerd. In het kader van de beoordeling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten die een echtscheiding aanvragen, merkt de verwijzende rechter op dat arbeidscontractanten in hun staat van tewerkstelling de status van diplomatiek personeelslid van de Unie hebben, maar dat zij in de lidstaten uitsluitend als personeelsleden van de Unie worden beschouwd. Voorts wijst hij erop dat hij zich genoodzaakt ziet de duur, de regelmatigheid en de bestendigheid van het verblijf van de echtgenoten in Togo te bepalen en dat niet buiten beschouwing kan worden gelaten dat hun fysieke aanwezigheid in die derde staat voortvloeit uit het feit dat zij functies uitoefenen voor de Unie.
37
In deze omstandigheden heeft de Audiencia Provincial de Barcelona (rechter in tweede aanleg provincie Barcelona, Spanje) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Welke uitlegging moet worden gegeven aan het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 als het gaat om onderdanen van lidstaten die in een derde staat verblijven vanwege de aan hen toebedeelde taken als arbeidscontractant van de [Unie] en die in de derde staat een diplomatieke status als personeelslid van de Unie genieten, wanneer hun verblijf in die staat betrekking heeft op de uitoefening van de taken die zij verrichten voor de Unie?
- 2)
Indien voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten afhankelijk is van hun hoedanigheid van arbeidscontractant van de Unie in een derde staat, welke gevolgen zou dit dan hebben voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van hun minderjarige kinderen overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003?
- 3)
Indien wordt aangenomen dat de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in de derde staat hebben, kan voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 dan als aanknopingspunt de nationaliteit van de moeder, haar verblijfplaats in Spanje vóór het huwelijk, de Spaanse nationaliteit van de minderjarige kinderen en de omstandigheid dat zij in Spanje zijn geboren, in aanmerking worden genomen?
- 4)
Indien wordt vastgesteld dat de ouders en de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben, staat de omstandigheid dat verweerder de nationaliteit van een lidstaat heeft, gelet op het feit dat geen enkele andere lidstaat overeenkomstig verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om te oordelen over de vorderingen, in de weg aan de toepassing van de regels inzake residuele bevoegdheid van de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003?
- 5)
Indien wordt vastgesteld dat de ouders en de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben, hoe moet, om de onderhoudsbijdrage voor de kinderen te bepalen, het forum necessitatis in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 dan worden uitgelegd en, meer in het bijzonder, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te oordelen dat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of dat een procedure onmogelijk blijkt in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is (in dit geval Togo)? Moet de betrokkene bewijzen dat hij in die staat vruchteloos een procedure aanhangig heeft gemaakt of een poging daartoe heeft ondernomen, en is er louter op grond van de nationaliteit van een van de partijen sprake van een voldoende band met de lidstaat [van de aangezochte rechter]?
- 6)
Is in een geval als het onderhavige, waarin de echtgenoten nauwe banden hebben met bepaalde lidstaten (nationaliteit, vorige verblijfplaats), de omstandigheid dat op grond van de verordeningen geen enkele lidstaat bevoegd is, in strijd met artikel 47 van het [Handvest]?’
Procedure bij het Hof
38
De verwijzende rechter heeft verzocht deze zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
39
Op 19 oktober 2020 heeft het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen, aangezien niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 107, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
40
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats in de zin van die bepalingen, het feit dat de betrokken echtgenoten de hoedanigheid hebben van arbeidscontractanten van de Unie die zijn tewerkgesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten, een beslissende factor kan vormen.
41
Wat in de eerste plaats de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 betreft, is het van belang eraan te herinneren dat in dat artikel de algemene criteria voor de bevoegdheid ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk zijn vastgelegd. Deze objectieve, alternatieve en exclusieve criteria komen tegemoet aan de behoefte aan een regeling die is afgestemd op de specifieke situatie van geschillen over de ontbinding van de huwelijksband [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Echtscheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ komt voor in de zes aanknopingspunten voor bevoegdheid in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003. Deze bepaling verleent dus, zonder een hiërarchie tussen de aanknopingspunten aan te brengen, de bevoegdheid om uitspraak te doen over kwesties betreffende de ontbinding van de huwelijksband aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich, naargelang van het geval, de huidige of de vroegere verblijfplaats van de echtgenoten of van een van hen bevindt.
43
In dit verband bevat verordening nr. 2201/2003 geen definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’, in het bijzonder van de gewone verblijfplaats van een echtgenoot in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening. Bij gebreke van een dergelijke definitie of een uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten waarmee de betekenis en de strekking van dit begrip kunnen worden bepaald, dient een autonome en uniforme uitlegging te worden gegeven, rekening houdend met de context van de bepalingen waarin dat begrip wordt vermeld en met de doelstellingen van die verordening [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Echtscheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punten 38 en 39].
44
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat, wat de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 betreft, moet worden vastgesteld dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in beginsel wordt gekenmerkt door twee aspecten, te weten, ten eerste, de wil van de betrokkene om het gewone centrum van zijn belangen op een bepaalde plaats te vestigen en, ten tweede, de omstandigheid dat de betrokkene met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig is op het grondgebied van de betrokken lidstaat [arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Echtscheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punt 57], met dien verstande dat een echtgenoot op één bepaald moment slechts één gewone verblijfplaats in de zin van deze bepaling kan hebben [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Echtscheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punt 51].
45
Wat in de tweede plaats de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 4/2009 betreft, blijkt uit de bewoordingen van dat artikel, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, dat dit artikel algemene criteria vaststelt voor de toekenning van bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaten die uitspraak doen op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Het gaat om alternatieve criteria, zoals blijkt uit het gebruik van het nevenschikkend voegwoord ‘of’ na de beschrijving van elk criterium [arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen), C-468/18, EU:C:2019:666, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46
Artikel 3 van verordening nr. 4/2009 biedt aldus de mogelijkheid om een verzoek inzake onderhoudsplicht op grond van meerdere bevoegdheidsgronden in te dienen, onder meer bij het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, overeenkomstig punt a) van dat artikel 3, of bij het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, overeenkomstig punt b) van dat artikel [zie in die zin arrest van 17 september 2020, Landkreis Harburg (Subrogatie van een openbaar lichaam in de rechten van de onderhoudsgerechtigde), C-540/19, EU:C:2020:732, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47
Aangezien verordening nr. 4/2009 geen definitie geeft van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ als bedoeld in artikel 3, onder a) en b), dient te worden gestreefd naar een autonome en eenvormige uitlegging van dit begrip, overeenkomstig de in punt 43 van het onderhavige arrest genoemde beginselen.
48
In dit verband zij eraan herinnerd dat de bevoegdheidsregels van verordening nr. 4/2009 niet alleen tot doel hebben de nabijheid te waarborgen tussen de onderhoudsgerechtigde, die over het algemeen als de zwakste partij wordt beschouwd, en het bevoegde gerecht, maar eveneens tot doel heeft een goede rechtsbedeling te waarborgen, niet alleen vanuit het oogpunt van een optimalisering van de rechterlijke organisatie maar ook in het belang van de partijen — ongeacht of het de verzoeker of de verweerder betreft — om onder meer eenvoudig toegang te hebben tot de rechter en de bevoegdheidsregels te kunnen voorzien [zie in die zin arrest van 4 juni 2020, FX (Verzet tegen de tenuitvoerlegging van een aanspraak op levensonderhoud), C-41/19, EU:C:2020:425, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49
Zoals met name volgt uit overweging 8 van verordening nr. 4/2009 en zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, houdt deze verordening nauw verband met het Haagse protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen [arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen), C-468/18, EU:C:2019:666, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Volgens artikel 3 van dit protocol beheerst het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde in beginsel de onderhoudsverplichtingen, waarbij deze verblijfplaats een voldoende mate van bestendigheid moet vertonen, zodat een tijdelijke of incidentele aanwezigheid is uitgesloten [zie in die zin arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C-644/20, EU:C:2022:371, punt 63].
50
Deze bepaling is een afspiegeling van het stelsel van aanknopingsregels waarop dit protocol is gebaseerd, welk stelsel ertoe strekt de voorzienbaarheid van het toepasselijke recht te waarborgen door ervoor te zorgen dat het aangewezen recht een voldoende nauwe band met de betrokken gezinssituatie vertoont, met dien verstande dat het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde in beginsel de meest nauwe band lijkt te hebben met diens situatie en derhalve het meest geschikt lijkt om de concrete problemen van deze onderhoudsgerechtigde te regelen [arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C-644/20, EU:C:2022:371, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
51
Het voornaamste voordeel van deze aanknoping bestaat erin dat daarmee het bestaan en de omvang van de onderhoudsverplichting kunnen worden vastgesteld, rekening houdend met de wettelijke en feitelijke omstandigheden van het sociale milieu in de staat waar de onderhoudsgerechtigde woont en het merendeel van zijn activiteiten uitvoert. Voor zover de onderhoudsgerechtigde zijn onderhoudsbijdrage zal gebruiken om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, moet namelijk het concrete probleem worden bezien in relatie tot een bepaalde samenleving, namelijk die waarin de onderhoudsgerechtigde woont en zal wonen [zie in die zin arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C-644/20, EU:C:2022:371, punt 65].
52
Bijgevolg is het gerechtvaardigd om ervan uit te gaan dat, gelet op deze doelstelling, de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde overeenkomt met de plaats waar zich feitelijk het gewone centrum van zijn leven bevindt, rekening houdend met zijn sociale en gezinsmilieu. Dit geldt des te meer wanneer die onderhoudsgerechtigde een jong kind is [zie in die zin arrest van 12 mei 2022, W. J. (Verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde), C-644/20, EU:C:2022:371, punt 66].
53
Gelet op deze overwegingen en op het feit dat artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 en artikel 3 van het Haagse protocol berusten op een gemeenschappelijk aanknopingspunt, te weten de gewone verblijfplaats van de betrokkene, en nauw verband met elkaar houden, is het gerechtvaardigd dat de definitie van dit aanknopingspunt in beide instrumenten door dezelfde beginselen wordt geleid en door dezelfde elementen wordt gekenmerkt. Hoewel de concrete beoordeling van waar degene die om een onderhoudsbijdrage verzoekt, de onderhoudsgerechtigde of, in voorkomend geval, de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft, afhangt van de specifieke omstandigheden van elk geval, die met name naargelang van de leeftijd en de omgeving van de betrokkene kunnen verschillen, is het dus logisch dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 wordt gekenmerkt door ten eerste de wil van de betrokkene om het gewone centrum van zijn leven op een bepaalde plaats te vestigen en ten tweede de omstandigheid dat de betrokkene met een voldoende mate van bestendigheid aanwezig is op het grondgebied van de betrokken lidstaat.
54
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de echtgenoten in het hoofdgeding in augustus 2010 op de Spaanse ambassade te Guinee-Bissau zijn gehuwd en dat zij van augustus 2010 tot februari 2015 in die staat hebben verbleven, waarna zij zijn verhuisd naar Togo, waar zij — ondanks hun scheiding van tafel en bed sinds juli 2018 — evenals hun twee kinderen, nog steeds wonen.
55
Uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens blijkt daarentegen geenszins dat de vader van de kinderen in het hoofdgeding, die de Portugese nationaliteit heeft, alleen of samen met de moeder van hun gemeenschappelijke kinderen zijn gewone verblijfplaats had in de lidstaat van die rechterlijke instantie, namelijk het Koninkrijk Spanje. De moeder, die de Spaanse nationaliteit bezit en het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband heeft ingediend bij de gerechten van die lidstaat, stelt dat zij haar eigen gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft behouden, niettegenstaande het feit dat zij ten minste sinds augustus 2010 in derde staten — en meer bepaald sinds februari 2015 in Togo — als arbeidscontractant van de Unie werkzaam is, en sindsdien met haar kinderen in deze derde staat woont.
56
Gelet op deze omstandigheden en op de twee elementen die het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 kenmerken — zoals in punt 44 van dit arrest in herinnering is gebracht — blijkt dat de echtgenoten in het hoofdgeding, onder voorbehoud van een nadere verificatie door de verwijzende rechter op basis van alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval [zie in die zin arrest van 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Scheiding), C-289/20, EU:C:2021:955, punt 52] niet hun gewone verblijfplaats hebben in de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband aanhangig is gemaakt.
57
Ten eerste zijn de echtgenoten in het hoofdgeding, behalve in voorkomend geval tijdens vakanties of bij de geboorte van kinderen — doorgaans incidentele of tijdelijke onderbrekingen van de normale gang van zaken in hun leven (zie naar analogie arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punt 51) — immers ten minste sinds augustus 2010 fysiek en permanent afwezig van het grondgebied van het Koninkrijk Spanje. Vast staat dat de echtgenote in het hoofdgeding na de scheiding van tafel en bed niet is verhuisd naar de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband aanhangig is gemaakt. In het bijzonder blijkt uit niets in het dossier dat deze echtgenote in de zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan haar verzoek tot ontbinding van de huwelijksband heeft verbleven op het grondgebied van die lidstaat, waarvan zij onderdaan is, zoals is bepaald in artikel 3, lid 1, onder a), zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003.
58
In die omstandigheden kan in casu niet voldaan zijn aan de in punt 44 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarde dat de aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat van de verwijzende rechter voldoende bestendig is. Wat betreft de omstandigheid dat het verblijf in Togo van de echtgenoten in het hoofdgeding als arbeidscontractanten van de Unie die voor onbepaalde tijd bij haar delegatie in die derde staat zijn tewerkgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, lid 1, RAP, die van toepassing zijn op de in artikel 3 bis RAP bedoelde arbeidscontractanten, die niet aan roulatie naar het hoofdkantoor te Brussel zijn onderworpen, een rechtstreekse band heeft met de uitoefening van hun taken, zij erop gewezen dat dit op zich niet belet dat dit verblijf een dergelijke bestendigheid vertoont (zie naar analogie arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punten 12 en 47) en evenmin het oordeel toelaat dat de fysieke afwezigheid van de betrokkenen van het grondgebied van de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband aanhangig is gemaakt, in casu louter tijdelijk of incidenteel is.
59
Ten tweede wijst niets in het dossier erop dat de echtgenoten in het hoofdgeding, of althans de echtgenote, zouden hebben besloten om het permanente of gewone centrum van hun belangen in het Koninkrijk Spanje te vestigen ofschoon zij sinds meerdere jaren voortdurend afwezig zijn van het grondgebied van die lidstaat. Zelfs indien een van de echtgenoten het voornemen had geuit om in de toekomst naar Spanje te verhuizen, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat, ondanks hun scheiding van tafel en bed sinds juli 2018, geen van de echtgenoten in het hoofdgeding Togo heeft verlaten, zoals in punt 57 van het onderhavige arrest is opgemerkt. Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, lijkt het overigens twijfelachtig dat de echtgenoten na hun scheiding van tafel en bed daadwerkelijk de bedoeling hadden Togo te verlaten om hun gewone verblijfplaats naar het grondgebied van het Koninkrijk Spanje over te brengen. Ambtenaren en andere personeelsleden die dat wensen stellen zich namelijk vrijwillig kandidaat voor posten bij delegaties van de Unie, zoals die in Togo.
60
Een in wezen vergelijkbare beoordeling lijkt in casu geboden met betrekking tot de gewone verblijfplaats van de verweerder of de onderhoudsgerechtigde in de zin van respectievelijk artikel 3, onder a), en artikel 3, onder b), van verordening nr. 4/2009, aangezien, onder voorbehoud van nadere verificaties door de verwijzende rechter, niets erop wijst dat de betrokkenen hun gewone verblijfplaats naar het grondgebied van het Koninkrijk Spanje hebben overgebracht.
61
Aan deze overwegingen wordt niet afgedaan door het — overigens uitsluitend met betrekking tot de uitlegging van verordening nr. 2201/2003 ontwikkelde — betoog van de Spaanse regering, dat de echtgenoten in het hoofdgeding op grond van hun hoedanigheid van arbeidscontractanten bij de delegatie van de Europese Unie te Togo in deze derde staat de diplomatieke status genieten en dus krachtens artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen in aanmerking komen voor de immuniteit van rechtsmacht in burgerlijke zaken in de ontvangststaat, hetgeen volgens deze regering zou moeten leiden tot erkenning, krachtens artikel 40 van de Código Civil, van de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar deze arbeidscontractanten deze diplomatieke status niet bezitten, in casu het Koninkrijk Spanje.
62
Zelfs indien deze stelling juist is, heeft zij immers geen invloed op de uitlegging van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009, aangezien het aangezochte gerecht op grond van deze bepalingen slechts bevoegdheid kan aanvaarden indien de echtgenoten, gezamenlijk of afzonderlijk, en/of hun kinderen (laatstgenoemden als onderhoudsgerechtigden voor de toepassing van artikel 3, onder b), van verordening nr. 4/2009) een gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat van dat gerecht, welke gewone verblijfplaats voldoet aan de in de punten 44 en 53 van dit arrest genoemde criteria.
63
Het feit dat er geen sprake is van een dergelijke gewone verblijfplaats in de lidstaat van het aangezochte gerecht, volstaat om vast te stellen dat dit gerecht niet bevoegd is op grond van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009, los van de vraag of de echtgenoten in het hoofdgeding en hun kinderen in Togo immuniteit genieten voor de civiele rechter van die derde staat.
64
Een tegenargument kan niet worden ontleend aan de eveneens door de Spaanse regering aangevoerde overweging 14 van verordening nr. 2201/2003, waaruit volgt dat indien het uit hoofde van deze verordening bevoegde gerecht zijn bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit overeenkomstig het internationale recht, de bevoegdheid dient te worden bepaald in de lidstaat waar de betrokkene geen enkele immuniteit geniet, overeenkomstig de wet van deze lidstaat.
65
Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, ziet deze overweging op de situatie waarin de rechter van een lidstaat weliswaar bevoegd is op grond van verordening nr. 2201/2003, maar deze bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit. Het staat evenwel vast dat in het hoofdgeding noch de echtgenoten, noch hun kinderen in enige lidstaat diplomatieke immuniteit genieten. In het bijzonder volgt uit artikel 11, onder a), van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten dat de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie op het grondgebied van de lidstaten slechts zijn vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij hebben gedaan ‘in hun officiële hoedanigheid’, dat wil zeggen in het kader van de aan de Unie opgedragen taak (arrest van 30 november 2021, LR Ģenerālprokuratūra, C-3/20, EU:C:2021:969, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat, zoals artikel 23 van het Statuut bevestigt, een dergelijke immuniteit van rechtsmacht niet geldt voor rechtsvorderingen betreffende privaatrechtelijke betrekkingen, zoals verzoeken tussen echtgenoten in huwelijkszaken, ouderlijke verantwoordelijkheid of onderhoudsverplichtingen met betrekking tot hun kinderen, die naar hun aard niet zien op de deelname van de persoon die immuniteit geniet aan de uitoefening van de taken van de Unie-instelling waartoe hij behoort (zie in die zin arrest van 11 juli 1968, Sayag en Zurich, 5/68, EU:C:1968:42, blz. 585).
66
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats in de zin van die bepalingen, het feit dat de betrokken echtgenoten de hoedanigheid hebben van arbeidscontractanten van de Unie die zijn tewerkgesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten, geen beslissende factor kan vormen.
Tweede vraag
67
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter, ingeval de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten afhangt van hun hoedanigheid van arbeidscontractant van de Unie die is aangesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat, te vernemen welke gevolgen deze situatie heeft voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van hun minderjarige kinderen overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003.
68
Gezien het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
69
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind als aanknopingspunt rekening moet worden gehouden met de nationaliteit van de moeder en haar verblijfplaats vóór het huwelijk in de lidstaat van het gerecht waarbij een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, of met de omstandigheid dat haar minderjarige kinderen in die lidstaat geboren zijn en de nationaliteit van die lidstaat bezitten.
70
Volgens artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 wordt de bevoegdheid van het gerecht van een lidstaat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind bepaald aan de hand van het criterium van de gewone verblijfplaats van dat kind op het tijdstip dat de zaak bij dat gerecht aanhangig wordt gemaakt.
71
In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van een kind een autonoom Unierechtelijk begrip is, zodat het moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen waarin het wordt genoemd en de doelen van verordening nr. 2201/2003, met name het doel dat voortvloeit uit overweging 12, volgens hetwelk de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Volgens de rechtspraak van het Hof moet de gewone verblijfplaats van een kind worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of incidenteel is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt (arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wat overeenkomt met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt (arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punt 42).
73
Tot die factoren behoren de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van een lidstaat en de nationaliteit van het kind, waarbij de relevante factoren variëren naargelang van de leeftijd van het kind (arrest van 8 juni 2017, OL, C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, alsmede de familiale en sociale banden die het in de betrokken lidstaat heeft, zijn van belang (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punt 43).
74
Het Hof heeft erkend dat ook met de bedoeling van de ouders om zich met het kind op een bepaalde plaats te vestigen rekening kan worden gehouden, wanneer daaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de betrokken lidstaat (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75
Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, voor het bepalen van de gewone verblijfplaats van een kind in een bepaalde lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, ten minste vereist is dat het kind fysiek in die lidstaat aanwezig is geweest en dat de mogelijk in aanmerking te nemen bijkomende factoren moeten aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of incidenteel is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt.
76
Bijgevolg kan in het hoofdgeding voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de minderjarige kinderen overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, geen rekening worden gehouden met de nationaliteit van de moeder van die kinderen en haar verblijf in Spanje vóór het huwelijk en de geboorte van de kinderen, welke banden voor die doeleinden irrelevant zijn.
77
Daarentegen kunnen de Spaanse nationaliteit van de minderjarige kinderen in het hoofdgeding en het feit dat zij in Spanje zijn geboren, relevante factoren vormen, zonder evenwel beslissend te zijn. Het feit dat een kind afkomstig is uit een lidstaat en dat het de cultuur van die lidstaat deelt met een van zijn ouders, is namelijk niet beslissend om de gewone verblijfplaats van dat kind te bepalen (zie in die zin arrest van 28 juni 2018, HR, C-512/17, EU:C:2018:513, punt 52). Dit geldt temeer wanneer, zoals in het hoofdgeding, uit niets blijkt dat de betrokken kinderen fysiek, anders dan incidenteel, aanwezig zouden zijn op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht en daar, gelet op hun leeftijd, tot op zekere hoogte zouden zijn geïntegreerd in het bijzonder op school of in een sociale en familiale omgeving.
78
Op de derde vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 aldus moet worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind de nationaliteit van de moeder en haar verblijfplaats vóór het huwelijk in de lidstaat van het gerecht waarbij een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, geen relevante aanknopingspunten zijn, terwijl de omstandigheid dat haar minderjarige kinderen in die lidstaat geboren zijn en de nationaliteit van die lidstaat bezitten, ontoereikend is.
Vierde vraag
79
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of — ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 en de artikelen 8 tot en met 13 van deze verordening bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband respectievelijk een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid — de artikelen 7 en 14 van die verordening aldus moeten worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, in de weg staat aan de toepassing van de in de artikelen 7 en 14 vastgelegde bepalingen betreffende residuele bevoegdheid om de bevoegdheid van dit gerecht vast te stellen.
80
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, terwijl artikel 7 (‘Residuele bevoegdheid’) van verordening nr. 2201/2003 valt onder afdeling 1 (‘Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk’) van hoofdstuk II van deze verordening, artikel 14 van die verordening, eveneens met het opschrift ‘Residuele bevoegdheid’, is opgenomen in afdeling 2 (‘Ouderlijke verantwoordelijkheid’) van dat hoofdstuk. Aangezien de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003 betrekking hebben op respectievelijk de residuele bevoegdheid ter zake van de ontbinding van de huwelijksband en die ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor kinderen, dienen deze twee bevoegdheidsregelingen achtereenvolgens te worden onderzocht.
81
Wat in de eerste plaats de residuele bevoegdheid inzake ontbinding van de huwelijksband betreft, blijkt uit de bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 dat alleen wanneer geen enkele rechterlijke instantie van een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening bevoegd is, de bevoegdheid in elke lidstaat wordt geregeld door het nationale recht.
82
Hoewel deze bepaling, zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie heeft opgemerkt, op zichzelf beschouwd echtgenoten die hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben en verschillende nationaliteiten hebben, de mogelijkheid lijkt te bieden om op basis van de nationale bevoegdheidsregels een subsidiair forum te kiezen, moet de werkingssfeer van deze bepaling niettemin worden uitgelegd in het licht van artikel 6 van verordening nr. 2201/2003.
83
Artikel 6 van deze verordening (‘Exclusieve aard van de bevoegdheden op grond van de artikelen 3, 4 en 5’) bepaalt dat ‘de echtgenoot die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft of onderdaan van een lidstaat is […] slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat [kan] worden gedaagd’.
84
Derhalve kan volgens artikel 6 van verordening nr. 2201/2003 een verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft of die onderdaan van een lidstaat is, gelet op de exclusieve aard van de in de artikelen 3 tot en met 5 van die verordening omschreven bevoegdheden, slechts krachtens deze bepalingen — en dus met uitsluiting van de bevoegdheidsregels van het nationale recht — worden gedaagd voor de rechterlijke instanties van een andere lidstaat (arrest van 29 november 2007, Sundelind Lopez, C-68/07, EU:C:2007:740, punt 22).
85
Hieruit volgt dat wanneer een gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 niet bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, artikel 6 van deze verordening dit gerecht belet zich overeenkomstig artikel 7, lid 1, van die verordening bevoegd te verklaren op grond van de in het nationale recht opgenomen residuele bevoegdheidsregels wanneer de verweerder onderdaan is van een andere lidstaat dan die van dat gerecht.
86
In casu heeft de echtgenoot, die de verweerder is in de voor de Spaanse gerechten ingestelde vordering tot ontbinding van de huwelijksband, de Portugese nationaliteit, zodat de echtgenoten in het hoofdgeding, gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte informatie en onder voorbehoud van nadere verificaties door deze rechter, niet hun gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, in het bijzonder de lidstaat van die rechter. Hoewel de verwijzende rechter zich dus niet op grond van de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd kan verklaren om uitspraak te doen over een dergelijke vordering, staat artikel 7, lid 1, van deze verordening hem niet toe zijn bevoegdheid te ontlenen aan de in het nationale recht opgenomen residuele bevoegdheidsregels, aangezien artikel 6, onder b), van die verordening eraan in de weg staat dat verweerder in het hoofdgeding, die onderdaan is van een andere lidstaat dan die van genoemde rechter, voor die rechter wordt gedaagd.
87
Hieraan moet worden toegevoegd dat, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, deze uitlegging niet betekent dat de echtgenoot die om ontbinding van de huwelijksband verzoekt, de mogelijkheid wordt ontnomen om zijn vordering in te stellen bij de gerechten van de lidstaat waarvan de verweerder onderdaan is, wanneer de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 geen ander forum aanwijzen. In een dergelijk geval staat artikel 6, onder b), van deze verordening er immers niet aan in de weg dat de gerechten van de lidstaat waarvan de verweerder onderdaan is, bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering tot ontbinding van de huwelijksband, krachtens de nationale bevoegdheidsregels van die lidstaat.
88
Wat in de tweede plaats de residuele bevoegdheid ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 bepaalt dat indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 van die verordening bevoegd is, de bevoegdheid in elke lidstaat wordt beheerst door de wetgeving van die lidstaat.
89
Het feit dat een voor een gerecht van een lidstaat gebracht geding niet binnen de werkingssfeer van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 kan vallen wanneer het kind geen gewone verblijfplaats heeft in die lidstaat, belet niet noodzakelijkerwijs dat dit gerecht bevoegd is om op grond van een andere bepaling kennis te nemen van dat geding.
90
Indien in casu de in de punten 70 tot en met 78 van dit arrest gegeven uitlegging, volgens welke, in wezen, de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat een noodzakelijke voorwaarde is om vast te stellen dat het daar zijn gewone verblijfplaats heeft, tot gevolg zou hebben dat het niet mogelijk is om van enige lidstaat een gerecht op grond van de bepalingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid van verordening nr. 2201/2003 als bevoegd aan te wijzen, neemt dat niet weg dat elke lidstaat vrij blijft om overeenkomstig artikel 14 van deze verordening de bevoegdheid van zijn eigen gerechten aan te nemen op grond van de regels van het nationale recht die afwijken van het criterium van de nauwe verbondenheid, waarop de bepalingen van die verordening zijn gebaseerd (zie in die zin arrest van 17 oktober 2018, UD, C-393/18 PPU, EU:C:2018:835, punt 57).
91
Bijgevolg staat artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 er niet aan in de weg dat het aangezochte gerecht voor de vaststelling van zijn eigen bevoegdheid toepassing geeft aan de regels van nationaal recht, waaronder, in voorkomend geval, de regel die is gebaseerd op de nationaliteit van het betrokken kind, zelfs al is de vader van het kind — de verweerder — onderdaan van een andere lidstaat dan die van dat gerecht.
92
Gelet op deze overwegingen is het in een situatie als die in het hoofdgeding niet uitgesloten, zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, dat de internationale bevoegdheid ter zake van de ontbinding van de huwelijksband en die ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid toekomen aan gerechten van verschillende lidstaten. Deze vaststelling zou kunnen leiden tot de vraag of het belang van het kind, waarvan de eerbiediging overeenkomstig de overwegingen 12 en 33 van verordening nr. 2201/2003 met name moet worden gewaarborgd door de bevoegdheidsregels inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, door deze versnippering niet in het gedrang kan komen.
93
Zoals in overweging 5 van verordening nr. 2201/2003 is aangegeven, is deze verordening, teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen, van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.
94
Hoewel verordening nr. 2201/2003 — zoals ook de advocaat-generaal in punt 96 van zijn conclusie heeft opgemerkt —, met name artikel 12, lid 3, ervan, de echtgenoten de mogelijkheid biedt om versnippering van fora als bedoeld in punt 92 van het onderhavige arrest te voorkomen door voor de behandeling van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid de bevoegdheid van het ter zake van echtscheiding bevoegde gerecht te aanvaarden wanneer die bevoegdheid in het belang van het kind is, neemt dit niet weg dat een dergelijke versnippering, die zich op grond van het door die verordening ingevoerde regeling steeds kan voordoen, niet noodzakelijk in het belang van het kind is. De betrokken ouder kan namelijk in het belang van het kind een dergelijk verzoek willen indienen bij andere gerechten, waaronder die van de lidstaat waarvan hij onderdaan is. Deze laatste keuze kan met name worden ingegeven door het gemak om zich in zijn moedertaal uit te drukken en de eventueel lagere proceskosten [zie naar analogie arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen), C-468/18, EU:C:2019:666, punten 50 en 51].
95
Hieraan moet worden toegevoegd dat, overeenkomstig artikel 12, lid 4, van verordening nr. 2201/2003, indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde staat die geen verdragsluitende partij is bij het Haagse Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, de op lid 3 van dat artikel gebaseerde bevoegdheid wordt geacht met name in het belang van het kind te zijn indien een procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn.
96
Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord:
- —
Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, moet artikel 7 van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 6 ervan, aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, belet dat de in artikel 7 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende residuele bevoegdheid worden toegepast om de bevoegdheid van dit gerecht vast te stellen, zonder dat dit evenwel eraan in de weg staat dat de gerechten van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, krachtens de nationale bevoegdheidsregels van die lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van een dergelijk verzoek.
- —
Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 8 tot en met 13 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, moet artikel 14 van deze verordening aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, niet belet dat de in artikel 14 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende de residuele bevoegdheid worden toegepast.
Vijfde vraag
97
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, voor het geval de gewone verblijfplaats van alle partijen bij het geschil over onderhoudsverplichtingen niet in een lidstaat is gelegen, onder welke voorwaarden de bevoegdheid die in uitzonderingsgevallen is gebaseerd op het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis, kan worden vastgesteld. De verwijzende rechter vraagt zich met name af, ten eerste, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te oordelen dat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of dat een procedure onmogelijk blijkt in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, en of de partij die zich op artikel 7 van die verordening beroept, moet aantonen dat zij deze procedure vruchteloos voor de gerechten van die derde staat heeft ingesteld of een poging daartoe heeft ondernomen, en, ten tweede, of het voor de vaststelling dat een geschil voldoende verband houdt met de lidstaat van het aangezochte gerecht, mogelijk is om zich op de nationaliteit van een van de partijen te baseren.
98
Volgens artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 4/2009 kunnen, indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 6, 5 en 6 bevoegd is, de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennisnemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt. Krachtens de tweede alinea van dat artikel moet het geschil voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.
99
Artikel 7 van verordening nr. 4/2009 stelt aldus vier cumulatieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat een gerecht van een lidstaat waarbij een verzoek inzake onderhoudsverplichtingen is ingediend, zich bij wijze van uitzondering bevoegd kan verklaren op grond van de noodbevoegdheid (forum necessitatis). Ten eerste moet dit gerecht vaststellen dat geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009. Ten tweede moet het bij hem aanhangige geding nauw verbonden zijn met een derde staat. Ten derde kan de betrokken procedure in die derde staat niet redelijkerwijs aanhangig worden gemaakt of worden gevoerd, of blijkt een procedure daar onmogelijk. Ten vierde en tot slot moet het geschil voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.
100
Ofschoon het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of al deze voorwaarden zijn vervuld opdat hij zich in voorkomend geval kan beroepen op de bevoegdheid die hem bij artikel 7 van verordening nr. 4/2009 is verleend, moeten voor elk van deze voorwaarden en gelet op de door deze rechter verstrekte gegevens, de volgende verduidelijkingen worden gegeven.
101
Wat in de eerste plaats de vraag betreft of is voldaan aan de eerste in punt 99 van dit arrest vermelde voorwaarde, moet worden opgemerkt dat het niet volstaat dat het aangezochte gerecht vaststelt dat het zelf niet bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009, maar moet het zich er ook van vergewissen dat, met name wanneer meerdere gerechten zijn aangezocht, geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van die artikelen bevoegd is. De door de verwijzende rechter als uitgangspunt van de vijfde vraag vermelde omstandigheid dat de verweerder of de onderhoudsgerechtigde(n) hun gewone verblijfplaats in een derde staat hebben, dat wil zeggen dat zij niet voldoen aan de criteria van respectievelijk artikel 3, onder a) en b), van verordening nr. 4/2009, volstaat dus niet om vast te stellen dat er geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening bevoegd is in de zin van artikel 7 ervan. Bijgevolg staat het eveneens aan de verwijzende rechter om na te gaan of hij en de gerechten van de andere lidstaten op grond van de in artikel 3, onder c) of d), of in de artikelen 4 tot en met 6 van die verordening opgesomde bevoegdheidsgronden onbevoegd zijn om over die vordering uitspraak te doen.
102
Met betrekking tot, ten eerste, artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 verleent deze bepaling de bevoegdheid hetzij aan het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een hoofdvordering betreffende de staat van personen van wie het onderhoudsverzoek een nevenverzoek is, hetzij aan het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, waarvan het onderhoudsverzoek een nevenverzoek is, tenzij deze bevoegdheden uitsluitend op de nationaliteit van een van de partijen berusten.
103
Indien in casu, zoals blijkt uit de punten 86 tot en met 92 van dit arrest, de verwijzende rechter niet bevoegd zou zijn om uitspraak te doen over het verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, maar wel op grond van de in artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 opgenomen residuele bevoegdheidsregel bevoegd zou kunnen zijn om uitspraak te doen over het verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht die uitgaan van de nationaliteit van verzoekster in het hoofdgeding, zou de verwijzende rechter moeten bepalen of hij wegens die omstandigheid en gelet op artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009 onbevoegd zou zijn om kennis te nemen van de vordering betreffende de onderhoudsverplichtingen van de kinderen.
104
Met betrekking tot, ten tweede, de bevoegdheidsgronden van de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 4/2009 moet, hoewel niets in het dossier bij het Hof erop wijst dat deze op het hoofdgeding van toepassing zouden zijn, met name worden verduidelijkt dat de forumkeuze waarin artikel 4 van deze verordening voorziet, krachtens lid 3 van dat artikel hoe dan ook uitgesloten is voor geschillen betreffende een onderhoudsverplichting jegens een kind dat jonger is dan 18 jaar, en dat, wat de bevoegdheid op grond van artikel 5 van die verordening betreft, uit dit dossier niet blijkt dat verweerder in het hoofdgeding vrijwillig is verschenen om een andere reden dan om de bevoegdheid van het aangezochte gerecht van een lidstaat te betwisten. Daarentegen is het niet uitgesloten dat de gerechten van de Portugese Republiek zich in voorkomend geval bevoegd kunnen achten op grond van artikel 6 van die verordening, aangezien zowel de vader als zijn kinderen de Portugese nationaliteit bezitten, indien de kinderen partij zijn in de procedure inzake de onderhoudsvordering als onderhoudsgerechtigden, wat evenwel door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.
105
Wat in de tweede plaats de in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 gestelde voorwaarde betreft dat het aan het gerecht voorgelegde geschil nauw verbonden is met een derde staat, moet worden opgemerkt dat deze verordening geen enkele aanwijzing bevat over de omstandigheden waarin een dergelijke nauwe band kan worden vastgesteld. Gelet op de bevoegdheidscriteria waarop die verordening is gebaseerd, in het bijzonder die van de gewone verblijfplaats, moet het aangezochte gerecht echter kunnen vaststellen dat er sprake is van een dergelijke nauwe band wanneer uit de omstandigheden van het geval blijkt — hetgeen dit gerecht dient na te gaan — dat alle partijen in het geding hun gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de betrokken derde staat. Los van de criteria waarop de bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen in die derde staat is gebaseerd, in het bijzonder wanneer het gaat om een staat die geen partij is bij het Haagse Verdrag van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden, is het immers in beginsel redelijk om, rekening houdend met het criterium van de nauwe verbondenheid, ervan uit te gaan dat de gerechten van de staat waarin het minderjarige kind — de onderhoudsgerechtigde — en de onderhoudsplichtige hun gewone verblijfplaats hebben, in de beste positie verkeren om de behoeften van dat kind, gelet op met name de sociale en familiale omgeving waarin het opgroeit en zal opgroeien, te beoordelen.
106
In de derde plaats is het, wil het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, in uitzonderlijke gevallen de uit artikel 7 van verordening nr. 4/2009 voortvloeiende bevoegdheid kunnen uitoefenen, ook van belang dat de betrokken procedure redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd of onmogelijk blijkt te zijn voor de gerechten van de betrokken derde staat.
107
Hoewel in overweging 16 van deze verordening burgeroorlog wordt genoemd als voorbeeld van een geval waarin de procedure in de betrokken derde staat onmogelijk blijkt te zijn, en aldus het uitzonderlijke karakter wordt geïllustreerd van de gevallen waarin de bevoegdheid op basis van het forum necessitatis kan worden uitgeoefend, bevat deze verordening geen aanwijzingen over de omstandigheden waarin het aangezochte gerecht van een lidstaat zou kunnen vaststellen dat de procedure inzake onderhoudsverplichtingen redelijkerwijs niet aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd voor de gerechten van de betrokken derde staat. Uit voornoemde overweging 16 blijkt evenwel dat ‘[t]eneinde meer in het bijzonder een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering’, het forum necessitatis is ingesteld waardoor het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, in uitzonderlijke omstandigheden kennis kan nemen van een geschil dat een nauwe band heeft met een derde staat ‘wanneer van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in [die derde staat] een procedure aanhangig maakt of voert’.
108
Uit deze verduidelijkingen volgt enerzijds dus dat het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt, om in voorkomend geval zijn bevoegdheid krachtens artikel 7 van verordening nr. 4/2009 te kunnen vaststellen, van degene die om een onderhoudsbijdrage verzoekt niet kan verlangen dat hij aantoont dat hij de vordering in kwestie vruchteloos bij de gerechten van de betrokken derde staat aanhangig heeft gemaakt of een poging daartoe heeft ondernomen. Het volstaat dus dat het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, gelet op alle feitelijke en juridische gegevens van de zaak, zich ervan kan vergewissen dat de hinderpalen in de betrokken derde staat van dien aard zijn dat het onredelijk zou zijn om van de verzoeker te verlangen dat hij de onderhoudsvordering bij de gerechten van die derde staat instelt.
109
Zoals de advocaat-generaal in punt 126 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou de verplichting voor een dergelijke verzoeker om te trachten zich tot de gerechten van de betrokken derde staat te wenden, enkel om de noodzaak aan te tonen met het oog op de toepassing van het forum necessitatis, immers in strijd zijn met de doelstelling van verordening nr. 4/2009, die overeenkomstig de in punt 48 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak met name beoogt de onderhoudsgerechtigde te beschermen en een goede rechtsbedeling te bevorderen. Deze vaststelling geldt temeer wanneer de onderhoudsgerechtigde een kind is, waarvan het belang bij de uitlegging en de uitvoering van verordening nr. 4/2009 als leidraad moet dienen en, zoals artikel 24, lid 2, van het Handvest stelt, een essentiële overweging vormt bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, A, C-184/14, EU:C:2015:479, punt 46).
110
Anderzijds is het — aangezien, zoals in overweging 16 van verordening nr. 4/2009 staat te lezen, de op het forum necessitatis gebaseerde bevoegdheid ‘meer in het bijzonder’ tot doel heeft om een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering — in beginsel gerechtvaardigd dat het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zich op die bevoegdheid kan beroepen in uitzonderlijke gevallen en onder voorbehoud van een uitvoerige analyse van de in de betrokken derde staat geldende procedurevoorwaarden, wanneer de toegang tot de rechter in die derde staat rechtens of feitelijk wordt belemmerd, meer bepaald door de toepassing van procedurevoorwaarden die discriminerend zijn of indruisen tegen de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces.
111
In de vierde plaats moet het betrokken geding ‘voldoende nauw verbonden’ zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt. In dit verband kan ter beantwoording van de twijfels van de verwijzende rechter worden volstaan met op te merken dat een dergelijke band volgens overweging 16 van verordening nr. 4/2009 met name kan bestaan in de nationaliteit van een van de partijen.
112
Gelet op deze verduidelijkingen en op de door de moeder van de minderjarige kinderen in het hoofdgeding aangevoerde gegevens staat het aan de verwijzende rechter om te bepalen of hij zich op artikel 7 van verordening nr. 4/2009 kan beroepen om kennis te nemen van het door MPA ten gunste van haar kinderen ingediende verzoek om een onderhoudsbijdrage. In dit verband kan de verwijzende rechter zich bevoegd verklaren om een risico van rechtsweigering te verhelpen, maar mag hij zich niet uitsluitend baseren op algemene omstandigheden die verband houden met de tekortkomingen van het gerechtelijk apparaat in de derde staat, zonder de eventuele gevolgen van deze omstandigheden voor de betrokken zaak te analyseren.
113
Gelet op een en ander dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 7 van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat:
- —
wanneer de gewone verblijfplaats van alle partijen bij het geschil over onderhoudsverplichtingen niet in een lidstaat is gelegen, de bevoegdheid die in uitzonderingsgevallen is gebaseerd op het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis kan worden vastgesteld indien geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van die verordening, indien in de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, of indien een procedure daar onmogelijk blijkt, en indien dit geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt;
- —
om er in uitzonderingsgevallen van uit te gaan dat in een derde staat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, moet na uitvoerig onderzoek van de in elk concreet geval aangevoerde gegevens blijken dat de toegang tot de rechter in die derde staat rechtens of feitelijk wordt belemmerd, meer bepaald door de toepassing van procedurevoorwaarden die discriminerend zijn of indruisen tegen de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces, zonder dat van de partij die zich op artikel 7 beroept, wordt verlangd dat zij aantoont dat zij vruchteloos bij de gerechten van dezelfde derde staat een dergelijke procedure aanhangig heeft gemaakt of heeft getracht die aanhangig te maken, en
- —
om te oordelen dat een geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, kan worden uitgegaan van de nationaliteit van een van de partijen.
Zesde vraag
114
Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat zelfs wanneer de betrokken echtgenoten wegens hun nationaliteit en hun vorige verblijfplaats nauwe banden hebben met lidstaten, geen enkele lidstaat bevoegd is op grond van verordeningen nr. 2201/2003 en nr. 4/2009.
115
Zoals met name volgt uit de punten 87 tot en met 92 en 98 tot en met 113 van dit arrest en zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in wezen heeft opgemerkt, blijkt dat krachtens de bepalingen van verordeningen nr. 2201/2003 en nr. 4/2009, met name de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 7 van verordening nr. 4/2009, die voorzien in mechanismen om een bevoegd gerecht aan te wijzen wanneer geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de andere bepalingen van die verordeningen bevoegd is, de gerechten van ten minste één lidstaat bevoegd moeten zijn om kennis te nemen van vorderingen betreffende, respectievelijk, de ontbinding van de huwelijksband, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichtingen.
116
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is de zesde vraag derhalve hypothetisch en hoeft zij niet te worden beantwoord.
Kosten
117
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 3, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, en artikel 3, onder a) en b), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen moeten aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats in de zin van die bepalingen, het feit dat de betrokken echtgenoten de hoedanigheid hebben van arbeidscontractanten van de Europese Unie die zijn tewerkgesteld bij een delegatie van de Unie in een derde staat waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten, geen beslissende factor kan vormen.
- 2)
Artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind de nationaliteit van de moeder en haar verblijfplaats vóór het huwelijk in de lidstaat van het gerecht waarbij een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, geen relevante aanknopingspunten zijn, terwijl de omstandigheid dat haar minderjarige kinderen in die lidstaat geboren zijn en de nationaliteit van die lidstaat bezitten, ontoereikend is.
- 3)
Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot ontbinding van de huwelijksband, moet artikel 7 van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 6 ervan, aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, belet dat de in artikel 7 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende residuele bevoegdheid worden toegepast om de bevoegdheid van dit gerecht vast te stellen, zonder dat dit evenwel eraan in de weg staat dat de gerechten van de lidstaat waarvan hij onderdaan is, krachtens de nationale bevoegdheidsregels van die lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van een dergelijk verzoek.
Ingeval geen enkel gerecht van een lidstaat krachtens de artikelen 8 tot en met 13 van verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, moet artikel 14 van deze verordening aldus worden uitgelegd dat het feit dat de verweerder in het hoofdgeding onderdaan is van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht, niet belet dat de in artikel 14 van die verordening vastgelegde bepalingen betreffende de residuele bevoegdheid worden toegepast.
- 4)
Artikel 7 van verordening nr. 4/2009 moet aldus worden uitgelegd dat
- —
wanneer de gewone verblijfplaats van alle partijen bij het geschil over onderhoudsverplichtingen niet in een lidstaat is gelegen, de bevoegdheid die in uitzonderingsgevallen is gebaseerd op het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis kan worden vastgesteld indien geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van die verordening, indien in de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, of indien een procedure daar onmogelijk blijkt, en indien dit geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt;
- —
om er in uitzonderingsgevallen van uit te gaan dat in een derde staat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of kan worden gevoerd, na uitvoerig onderzoek van de in elk concreet geval aangevoerde gegevens moet blijken dat de toegang tot de rechter in die derde staat rechtens of feitelijk wordt belemmerd, meer bepaald door de toepassing van procedurevoorwaarden die discriminerend zijn of indruisen tegen de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces, zonder dat van de partij die zich op artikel 7 beroept, wordt verlangd dat zij aantoont dat zij vruchteloos bij de gerechten van dezelfde derde staat een dergelijke procedure aanhangig heeft gemaakt of heeft getracht die aanhangig te maken, en
- —
om te oordelen dat een geschil voldoende nauw verbonden is met de lidstaat van het gerecht waar de zaak aanhangig is gemaakt, kan worden uitgegaan van de nationaliteit van een van de partijen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑08‑2022
Conclusie 24‑02‑2022
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikelen 3, 7, 8 en 14 — Begrip ‘gewone verblijfplaats’ — Bevoegdheid, erkenning, tenuitvoerlegging van beslissingen en samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen — Verordening (EG) nr. 4/2009 — Artikelen 3 en 7 — Onderdanen van twee verschillende lidstaten die als arbeidscontractant van de Unie in een derde staat wonen — Vaststelling van de bevoegdheid — Forum necessitatis — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie’
M. szpunar
Partij(en)
Zaak C-501/201.
M P A
tegen
LC D N M T
[verzoek van de Audiencia Provincial de Barcelona (rechter in tweede aanleg provincie Barcelona, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
‘Het beginsel van nauwe verbondenheid […] staat dichter bij het leven en daardoor heeft het algemene erkenning gekregen. Het draagt een les in bescheidenheid in zich door ons te leren dat geen enkele politieke wil, geen enkele rechter, hoe zuiver zijn bedoelingen ook mogen zijn, lange tijd volgens zijn regels kan heersen over levensverhoudingen die buiten zijn bereik liggen.’2. Deze woorden heeft Paul Lagarde al in 1986 geschreven, maar zij hebben sindsdien niets aan kracht ingeboet. Het nabijheidsbeginsel vormt thans immers de kern van de verordeningen van de Unie inzake huwelijkszaken en onderhoudsverplichtingen.
2.
Algemeen beschouwd komt het tegenwoordig vaak voor dat een burger van een lidstaat om beroepsredenen in een andere lidstaat of derde land wordt gedetacheerd. Deze situatie wordt ingewikkeld wanneer de betrokken burger besluit te scheiden, en nog ingewikkelder wanneer het gerecht van een lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, zijn internationale bevoegdheid moet bepalen, niet alleen met betrekking tot de ontbinding van het huwelijk en de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige kinderen, maar ook met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor deze kinderen en het gebruik van de gezinswoning in de derde staat. Dat is de situatie in de onderhavige zaak.
3.
Met haar prejudiciële vragen verzoekt de Audiencia Provincial de Barcelona (rechter in tweede aanleg provincie Barcelona, Spanje) het Hof om uitlegging van de artikelen 3, 7, 8 en 14 van verordening (EG) nr. 2201/20033. en de artikelen 3 en 7 van verordening (EG) nr. 4/20094., alsook van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
4.
Deze vragen brengen het Hof ertoe zich allereerst te buigen over de uitlegging van de artikelen 3 en 8 van verordening nr. 2201/2003 en van artikel 3 van verordening nr. 4/2009, en dus over het begrip ‘gewone verblijfplaats’, met name wanneer de echtgenoten arbeidscontractanten van de Europese Unie zijn die hun functies uitoefenen in een derde staat, waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten. Vervolgens zal het Hof zich moeten uitspreken over de residuele bevoegdheid inzake echtscheiding en ouderlijke verantwoordelijkheid wanneer de verweerder onderdaan is van een lidstaat, en zal het derhalve de onderlinge samenhang tussen de artikelen 6, 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003 kunnen onderzoeken. Ten slotte zal het Hof de strekking van het forum necessitatis, bedoeld in artikel 7 van verordening nr. 4/2009, moeten verduidelijken voor de vaststelling van de onderhoudsbijdrage voor kinderen, alsook die van artikel 47 van het Handvest, met het oog op de uitlegging van deze bepalingen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
5.
Artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, gesloten te Wenen op 18 april 1961 (hierna ‘Verdrag van Wenen’)5., bepaalt:
- ‘1.
De diplomatieke ambtenaar geniet immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat. Hij geniet eveneens immuniteit ten aanzien van de burger- en administratiefrechtelijke rechtsmacht van die staat, met uitzondering van de volgende gevallen:
- a)
een zakelijke actie betreffende particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van de ontvangende staat, tenzij hij dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van de zending;
- b)
een geding betreffende erfopvolging waarin de diplomatieke ambtenaar als particulier en niet ten behoeve van de zendstaat betrokken is als uitvoerder van een uiterste wilsbeschikking, bewindvoerder, erfgenaam of legataris;
- c)
een geding betreffende een door de diplomatieke ambtenaar in de ontvangende staat buiten zijn officiële werkzaamheden om verrichte beroeps- of bedrijfsbezigheden.’
6.
Artikel 32, lid 1, van het Verdrag van Wenen bepaalt:
‘Van de immuniteit van rechtsmacht van diplomatieke ambtenaren en van personen die immuniteit genieten krachtens artikel 37 kan door de zendstaat afstand worden gedaan.’
B. Unierecht
1. Verordening nr. 2201/2003
7.
Artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, met als opschrift ‘Algemene bevoegdheid’, bepaalt:
- ‘1.
Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:
- a)
op het grondgebied waarvan:
- —
de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben; of
- —
zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft; of
- —
de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of
- —
in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt; of
- —
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of
- —
zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft en hetzij onderdaan van de betrokken lidstaat is, hetzij, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, daar zijn ‘domicile’ (woonplaats) heeft;
- b)
waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‘domicile’ (woonplaats) hebben.
[…]’
8.
In artikel 6 van deze verordening, ‘Exclusieve aard van de bevoegdheden op grond van de artikelen 3, 4 en 5’, is bepaald:
‘De echtgenoot die:
- a)
zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft; of
- b)
onderdaan van een lidstaat is of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn ‘domicile’ (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft,
kan slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.’
9.
Artikel 7 van die verordening, ‘Residuele bevoegdheid’, bepaalt in lid 1:
‘Indien geen gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, wordt in elke lidstaat de bevoegdheid beheerst door de wetgeving van die lidstaat.’
10.
Artikel 8 van deze verordening, ‘Algemene bevoegdheid’, bepaalt in lid 1:
‘Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.’
11.
Artikel 14 van verordening nr. 2201/2003, ‘Residuele bevoegdheid’, luidt:
‘Indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 bevoegd is, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat beheerst door de wetgeving van die lidstaat.’
2. Verordening nr. 4/2009
12.
Artikel 3 van verordening nr. 4/2009, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, luidt als volgt:
‘In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:
- a)
het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- b)
het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of
- c)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de staat van personen, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust, of
- d)
het gerecht dat volgens het recht van het forum bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien het verzoek inzake een onderhoudsverplichting een nevenverzoek is dat verbonden is met dit verzoek, tenzij deze bevoegdheid uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.’
13.
Artikel 7 van deze verordening, ‘Forum necessitatis’, bepaalt:
‘Indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4, 5 en 6 bevoegd is, kunnen de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennis nemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt.
Het geschil moet voldoende nauw verbonden zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.’
C. Spaans recht
14.
Artikel 22 quater van Ley Orgánica 6/1985 del Poder Judicial (organieke wet 6/1985 inzake de rechterlijke bevoegdheid) van 1 juli 19856., zoals gewijzigd bij Ley Orgánica 7/2015 (organieke wet 7/2015, die de bevoegdheid van de Spaanse gerechten vaststelt) van 21 juli 20157., bepaalt onder c) en d):
‘Bij gebreke van de bovengenoemde criteria zijn de Spaanse gerechten bevoegd:
[…]
- c)
op het gebied van persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen tussen echtgenoten, nietigverklaring van het huwelijk, scheiding van tafel en bed en echtscheiding en bijbehorende wijzigingen, op voorwaarde dat geen enkel ander buitenlands gerecht bevoegd is, wanneer beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Spanje hebben op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend of wanneer zij hun laatste gewone verblijfplaats in Spanje hadden en een van hen daar [nog] woont, of wanneer Spanje de gewone verblijfplaats is van verweerder, of, in het geval van een gemeenschappelijk verzoek, wanneer een van de echtgenoten in Spanje woont, of wanneer verzoeker na de indiening van het verzoek ten minste één jaar zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft, of wanneer verzoeker de Spaanse nationaliteit heeft en ten minste zes maanden vóór indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft, alsook wanneer beide echtgenoten de Spaanse nationaliteit hebben.
- d)
op het gebied van verwantschap en ouder-kindrelaties, bescherming van minderjarigen en ouderlijke verantwoordelijkheid, wanneer het kind of de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend of verzoeker de Spaanse nationaliteit heeft of zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft, of, in ieder geval, sinds ten minste zes maanden vóór indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Spanje heeft.’
15.
Artikel 22 octies LOPJ bepaalt:
- ‘1.
De Spaanse gerechten zijn niet bevoegd in de gevallen waarin de in de Spaanse wetgeving vastgestelde bevoegdheidsgronden niet voorzien in die bevoegdheid.
[…]
- 3.
[…]
De Spaanse gerechten mogen zich echter niet verschonen noch zich onbevoegd verklaren wanneer het geschil een band heeft met Spanje en de gerechten van de verschillende staten die betrokken zijn bij het geschil zich onbevoegd hebben verklaard. […]’
16.
Artikel 40 van het Spaanse burgerlijk wetboek bepaalt dat de woonplaats van diplomaten die op grond van hun ambt in het buitenland verblijven en het recht op diplomatieke immuniteit genieten, hun laatste woonplaats op het Spaanse grondgebied is.
III. Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
17.
M P A, Spaans staatsburger, en LC D N M T, Portugees staatsburger, zijn op 25 augustus 2010 in het huwelijk getreden in de Spaanse ambassade in Guinee-Bissau. Zij hebben twee minderjarige kinderen, geboren in Manresa (provincie Barcelona, Spanje) op 10 oktober 2007 en 30 juli 2012, die zowel de Spaanse als de Portugese nationaliteit hebben.
18.
De echtgenoten hebben van augustus 2010 tot februari 2015 in Guinee-Bissau gewoond en zijn vervolgens verhuisd naar Lomé (Togo). Na hun scheiding van tafel en bed in juli 2018 is verzoekster in het hoofdgeding met haar kinderen in de echtelijke woning in Togo blijven wonen en heeft de echtgenoot zijn intrek genomen in een hotel in dat land.
19.
De echtgenoten werken als arbeidscontractant voor de Europese Commissie en zijn aangesteld bij de delegatie van de Europese Unie in Togo. De verwijzende rechter stelt vast dat arbeidscontractanten, die in de lidstaten van de Unie als personeelsleden van de Unie worden beschouwd, enkel in het land van bestemming de diplomatieke status als personeelslid van de Unie genieten.
20.
Op 6 maart 2019 heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de Juzgado de Primera Instancia de Manresa (rechter in eerste aanleg Manresa, Spanje) een echtscheidingsverzoek ingediend, waarin zij tevens verzocht om ontbinding van de huwelijksvermogensregeling, alsook vaststelling van de regeling en wijze van uitoefening van de zorg en de ouderlijke verantwoordelijkheid voor hun minderjarige kinderen, toekenning van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen en een regeling voor het gebruik van de gezinswoning in Lomé (Togo). Zij heeft tevens om voorlopige maatregelen verzocht.
21.
Verweerder in het hoofdgeding stelde dat de Juzgado de Primera Instancia de Manresa geen internationale bevoegdheid had. Bij beschikking van 9 september 2019 heeft deze rechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de procedure, omdat partijen zijns inziens hun gewone verblijfplaats niet in Spanje hebben.
22.
Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij betoogt dat zij en haar echtgenoot in het land van tewerkstelling een diplomatieke status genieten als erkende personeelsleden van de Unie en dat die status ook van toepassing is op hun minderjarige kinderen. Zij stelt dat de bevoegdheid om kennis te nemen van echtscheidingen, van de ouderlijke verantwoordelijkheid en van de onderhoudsbijdrage volgens de verordeningen nr. 2201/2003 en nr. 4/2009 wordt vastgesteld op basis van de gewone verblijfplaats. Overeenkomstig artikel 40 van het Spaanse burgerlijk wetboek is haar gewone verblijfplaats evenwel niet, zoals haar echtgenoot stelt, de plaats waar zij als arbeidscontractant is tewerkgesteld, maar haar verblijfplaats voordat zij die status verkreeg, namelijk Spanje. Voorts betoogt zij dat zij op grond van artikel 31 van het Verdrag van Wenen diplomatieke immuniteit geniet en dat haar vorderingen ter zake van echtscheiding, ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsbijdrage niet vallen onder de in die bepaling genoemde uitzonderingen.
23.
Verzoekster in het hoofdgeding beroept zich ook op het forum necessitatis van verordening nr. 4/2009 en beschrijft de situatie waarin de Togolese gerechten zich bevinden. Hiertoe heeft zij verslagen van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties overgelegd. Zij wijst erop dat in een van deze verslagen, van 17 augustus 2016, wordt verwezen naar het gebrek aan passende opleiding en bijscholing van rechters en het aanhoudende klimaat van straffeloosheid voor inbreuken op mensenrechten. In een ander verslag, van 22 augustus 2016, wordt melding gemaakt van de bezorgdheid van de Verenigde Naties met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de toegang tot de rechter en de straffeloosheid voor inbreuken op mensenrechten. Zij wijst erop dat het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen Togo heeft opgeroepen om de daadwerkelijke toegang van vrouwen tot de rechter te waarborgen.
24.
Verweerder in het hoofdgeding voert aan dat noch hij noch zijn echtgenote een diplomatieke functie voor hun respectieve landen bekleedt en dat zij als arbeidscontractanten bij de delegatie van de Unie in Togo werkzaam zijn. In dit verband wijst hij erop dat het laissez-passer waarover zij beschikken geen diplomatiek paspoort is, maar een vrijgeleide of veilig reisdocument, dat alleen geldig is op het grondgebied van derde landen die niet tot de Europese Unie behoren. Bovendien is volgens hem niet het Verdrag van Wenen, maar Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie8. van toepassing. Dit protocol is echter alleen van toepassing op handelingen die door ambtenaren en personeelsleden van de instellingen van de Unie in hun officiële hoedanigheid worden verricht, en op grond daarvan kan het forum necessitatis niet worden toegepast.
25.
De verwijzende rechter merkt op dat er, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, geen rechtspraak bestaat over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van echtgenoten om de bevoegdheid voor een echtscheiding vast te stellen. Hetzelfde geldt volgens die rechter voor het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van minderjarige kinderen wanneer voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats het effect moet worden vastgesteld van een diplomatieke of soortgelijke status, zoals die van personen die functies uitoefenen als personeelsleden of personen die voor de Unie werken en die voor de uitoefening van die functies in derde staten zijn gedetacheerd. De aanwezigheid van deze personen in die landen vloeit volgens die rechter voort uit het feit dat zij functies uitoefenen of werkzaamheden verrichten voor de Unie.
26.
In deze omstandigheden heeft de Audiencia Provincial de Barcelona bij beslissing van 15 september 2020, ingekomen ter griffie van het Hof op 6 oktober 2020, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Welke uitlegging moet worden gegeven aan het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 als het gaat om onderdanen van lidstaten die in een derde staat verblijven vanwege de aan hen toebedeelde taken als arbeidscontractant van de [Unie] en die in de derde staat een diplomatieke status als personeelslid van de Unie genieten, wanneer hun verblijf in die staat betrekking heeft op de uitoefening van de taken die zij verrichten voor de Unie?
- 2)
Indien voor de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten afhankelijk is van hun hoedanigheid van arbeidscontractant van de Unie in een derde staat, welke gevolgen zou dit dan hebben voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van hun minderjarige kinderen overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003?
- 3)
Indien wordt aangenomen dat de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in de derde staat hebben, kan voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 dan als aanknopingspunt de nationaliteit van de moeder, haar verblijfplaats in Spanje vóór het huwelijk, de Spaanse nationaliteit van de minderjarige kinderen en de omstandigheid dat zij in Spanje zijn geboren, in aanmerking worden genomen?
- 4)
Indien wordt vastgesteld dat de ouders en de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben, staat de omstandigheid dat verweerder de nationaliteit van een lidstaat heeft, gelet op het feit dat geen enkele andere lidstaat overeenkomstig verordening nr. 2201/2003 bevoegd is om te oordelen over de vorderingen, in de weg aan de toepassing van de regels inzake residuele bevoegdheid van de artikelen 7 en 14 van [deze verordening]?
- 5)
Indien wordt vastgesteld dat de ouders en de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben, hoe moet, om de onderhoudsbijdrage voor de kinderen te bepalen, het forum necessitatis in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 dan worden uitgelegd en, meer in het bijzonder, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te oordelen dat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd of dat een procedure onmogelijk blijkt in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is (in dit geval Togo)? Moet de betrokkene bewijzen dat hij in die staat vruchteloos een procedure aanhangig heeft gemaakt of een poging daartoe heeft ondernomen, en is er louter op grond van de nationaliteit van een van de partijen sprake van een voldoende band met de lidstaat?
- 6)
Is in een geval als het onderhavige, waarin de echtgenoten nauwe banden hebben met bepaalde lidstaten (nationaliteit, vorige verblijfplaats), de omstandigheid dat op grond van de verordeningen geen enkele lidstaat bevoegd is, in strijd met artikel 47 van het [Handvest]?’
27.
De verwijzende rechter heeft verzocht deze zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
28.
Op 19 oktober 2020 heeft de Vierde kamer van het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen.
29.
De Spaanse en de Tsjechische regering alsmede de Raad van de Europese Unie en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Partijen in het hoofdgeding en voornoemde partijen hebben deelgenomen aan de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2021.
IV. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
30.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe het in artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009 gebruikte begrip ‘gewone verblijfplaats’ moet worden uitgelegd wanneer de echtgenoten arbeidscontractanten van de Unie zijn die hun functies uitoefenen in een derde staat waar zij beweerdelijk de diplomatieke status genieten.
31.
Volgens de verwijzende rechter is artikel 40 van het Spaanse burgerlijk wetboek, waarop verzoekster in het hoofdgeding de bevoegdheid van de Spaanse gerechten baseert, in het hoofdgeding niet van toepassing, aangezien in de daarin opgenomen definitie van het — nationale — begrip ‘woonplaats’ in het Spaanse recht een juridische fictie is vastgelegd die beperkt is tot personen die diplomatieke functies uitoefenen. Deze rechter stelt tevens dat voor de beoordeling waar zich de gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, de duur, de regelmatigheid en de bestendigheid van hun verblijf in Togo moeten worden bepaald. Om die reden vraagt de verwijzende rechter zich af of de hoedanigheid van personeelslid van de Unie van de echtgenoten een belangrijk element vormt om te bepalen of zij hun gewone verblijfplaats al dan niet in Togo hebben in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009.
32.
Om de eerste vraag te beantwoorden, zal ik eerst ingaan op het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 3 van verordening nr. 4/2009, waarna ik de reikwijdte van de status van de echtgenoten als diplomatiek personeelslid van de Unie in de staat waar hun gewone verblijfplaats zich bevindt, zal onderzoeken om die verblijfplaats vast te stellen.
1. Begrip ‘gewone verblijfplaats’
a) ‘Gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003
33.
Uit overweging 1 van verordening nr. 2201/2003 blijkt dat deze verordening ertoe bijdraagt een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is. Daartoe bevat die verordening in de hoofdstukken II en III in het bijzonder regels inzake de bevoegdheid en inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen ter zake van ontbinding van de huwelijksband, die de rechtszekerheid moeten waarborgen.9.
34.
Artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II van deze verordening, vormt de ruggengraat van de regels inzake internationale bevoegdheid waarin deze verordening voorziet ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk. Artikel 3, lid 1, onder a) en b), van die verordening voorziet in verschillende aanknopingspunten voor de bevoegdheid, ‘waartussen geen hiërarchie is aangebracht’, zoals het Hof heeft opgemerkt.10. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ komt voor in de eerste zes aanknopingspunten voor bevoegdheid in artikel 3, lid 1, onder a)11., van die verordening.12. Een zevende criterium, namelijk de gerechten van de lidstaat ‘waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, waar beide echtgenoten hun ‘domicile’ (woonplaats) hebben’ is opgenomen in artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ vormt derhalve de hoeksteen van de regels inzake internationale bevoegdheid in huwelijkszaken. Dit begrip is ook opgenomen in de artikelen 6 en 713. en in artikel 8 van die verordening, die eveneens relevant zijn voor de onderhavige zaak.14.
35.
Ik merk niettemin op dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ weliswaar van wezenlijk belang is voor uitspraken van de bevoegde gerechten over echtscheidingsverzoeken en kwesties betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor kinderen15., maar in artikel 2 van verordening nr. 2201/2003 niet wordt gedefinieerd16.. Aangezien de Uniewetgever niet heeft voorzien in een verwijzing naar het recht van de lidstaten om de betekenis en de draagwijdte van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van die verordening te bepalen, moet worden aangenomen dat het een autonoom en uniform Unierechtelijk begrip vormt. Deze benadering vindt steun in de rechtspraak van het Hof betreffende deze verordening die verband houdt met de uitlegging van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een kind in de zin van artikel 8 van deze verordening17. en, meer recentelijk, van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een echtgenoot in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ervan18..
36.
Wat de uitlegging van dit autonome begrip in de specifieke context van het onderhavige geval betreft, moet, gelet op het feit dat het in verordening nr. 2201/2003 niet is gedefinieerd, rekening worden gehouden met de bepalingen waarin dat begrip wordt vermeld en met de doelstellingen van die verordening.19. Ik zal echter eerst op basis van de relevante rechtspraak van het Hof aspecten van de analyse van de bewoordingen van artikel 3, lid 1, onder a), van die verordening vermelden.
1) Letterlijke, historische, contextuele en teleologische lezing van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003
37.
In de eerste plaats merk ik op dat het Hof in het arrest IB in het kader van de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten onlangs heeft benadrukt dat het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in verschillende bepalingen van verordening nr. 2201/2003, en met name in artikel 3, lid 1, onder a), ervan, in het enkelvoud en niet in het meervoud wordt vermeld. Deze verordening verwijst immers ‘naar de gerechten van de lidstaat waar zich — afhankelijk van het geval — ‘de gewone verblijfplaats’ bevindt van een of beide echtgenoten of van het kind, en gebruikt systematisch het enkelvoud; deze verordening voorziet niet in de mogelijkheid dat een en dezelfde persoon gelijktijdig meerdere gewone verblijfplaatsen of een gewone verblijfplaats op meerdere plaatsen heeft’.20.
38.
Hieruit volgt in beginsel dat de gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich niet tegelijkertijd in twee lidstaten kan bevinden of, zoals in het onderhavige geval, in een lidstaat en in een derde staat. Deze uitleggingsfactor, waarop ik later in mijn analyse zal terugkomen21., lijkt mij belangrijk als uitgangspunt voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten in een geval als dat van het hoofdgeding.
39.
In de tweede plaats herinner ik eraan dat het Hof bij de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, met name die in artikel 822., reeds heeft geoordeeld dat uit het gebruik van het adjectief ‘gewone’ kan worden afgeleid dat de verblijfplaats een zekere bestendigheid of regelmatigheid moet hebben, alsook dat de verplaatsing door een persoon van zijn gewone verblijfplaats naar een bepaalde lidstaat (of een derde staat) de wil van die persoon weerspiegelt om er het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen23.. Meer bepaald is het volgens het Hof voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind van belang te kijken naar de plaats waar zijn ouders zich bestendig ophouden en in een sociale en familiale omgeving zijn geïntegreerd. In dit verband kan ook rekening worden gehouden met de bedoeling om zich op die plaats te vestigen, wanneer daaraan uiting is gegeven door tastbare maatregelen.24.
40.
In de derde plaats vinden deze overwegingen niet alleen steun in het verslag van Borrás25., maar ook in de doelstelling van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/200326.. Met de in deze bepaling vastgelegde bevoegdheidsregels moet namelijk een evenwicht worden gewaarborgd tussen de mobiliteit van personen binnen de Unie en de rechtszekerheid.27.
41.
Een verblijfplaats kan dus als ‘gewoon’ worden aangemerkt indien er sprake is van een objectief element (‘bestendigheid’ of ‘regelmatigheid’) en een subjectief element, namelijk een bedoeling (‘wil’). Aangezien de verwijzende rechter in wezen een feitelijke beoordeling van deze elementen moet verrichten, moet hij rekening houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval.28. In zijn rechtspraak heeft het Hof een aantal criteria geformuleerd aan de hand waarvan de gewone verblijfplaats van een betrokkene kan worden vastgesteld. In de hiernavolgende uiteenzetting zal ik enkel verwijzen naar de criteria die mij relevant lijken voor de onderhavige zaak.
2) Objectief en subjectief element
i) Bestendigheid of regelmatigheid
42.
Met betrekking tot het objectieve element herinner ik eraan dat van de omstandigheden die bepalend zijn voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een echtgenoot of van de echtgenoten, de leefomgeving van de betrokkene van bijzonder belang is.29. De leefomgeving van een volwassene bestaat uit activiteiten en belangen, waaronder met name professionele, socioculturele en vermogensbelangen alsook diverse privé– en gezinsbelangen, en volgens het Hof kan niet worden verlangd dat die belangen zich op het grondgebied van één enkele lidstaat concentreren.30. Hoewel met het bij verordening nr. 2201/2003 ingevoerde stelsel van verdeling van bevoegdheden ter zake van ontbinding van de huwelijksband niet wordt beoogd uit te sluiten dat er meer dan één gerecht bevoegd is, lijkt het mij wel van belang te benadrukken dat het Hof in het arrest IB31. onlangs heeft geoordeeld dat ‘indien erkend zou worden dat een echtgenoot gelijktijdig in meerdere lidstaten zijn gewone verblijfplaats kan hebben, […] dat […] afbreuk [zou] doen aan de rechtszekerheid, doordat het moeilijker zou worden om vooraf te bepalen welke gerechten uitspraak kunnen doen ter zake van de ontbinding van de huwelijksband, en het voor de rechter bij wie de zaak aanhangig is complexer zou worden om na te gaan of hij bevoegd is’. In navolging van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona heeft het Hof verduidelijkt dat ‘het gevaar [bestaat] dat de internationale bevoegdheid in strijd met verordening nr. 2201/2003 uiteindelijk niet wordt bepaald aan de hand van het criterium van de ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening, maar aan de hand van een criterium dat gebaseerd is op louter de verblijfplaats van een van de echtgenoten’32..
43.
Hieruit volgt mijns inziens dat het weliswaar niet is uitgesloten dat een echtgenoot gelijktijdig meerdere verblijfplaatsen als zodanig kan hebben, maar dat hij op één bepaald moment slechts één gewone verblijfplaats in de zin van die bepaling kan hebben.33.
44.
Bovendien zij er aan herinnerd dat de gewone verblijfplaats van een persoon volgens het Hof overeenkomt met de plaats waar zich het centrum van zijn leven bevindt.34. Zo kan rekening worden gehouden met omstandigheden die verband houden met het werk, zoals de duur van de detachering of de mogelijkheid om deze te verlengen, en met name het feit dat die persoon zijn beroepswerkzaamheden op een bepaalde plaats uitoefent op basis van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd. Daarentegen kunnen verblijven van deze persoon, tijdens verloven of feestdagen, op het grondgebied van de lidstaat waaruit hij afkomstig is niet als bepalende omstandigheid worden beschouwd.35.
45.
In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de echtgenoten en hun kinderen sinds februari 2015 in Togo wonen en dat hun verblijf in deze staat bijgevolg een zekere duur, regelmatigheid en bestendigheid vertoont. Hun permanente fysieke aanwezigheid in Togo buiten hun vakanties of vrije dagen is immers een feit dat door de verwijzende rechter is vastgesteld. Ik acht het van belang erop te wijzen dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat geen van beide echtgenoten na hun scheiding naar zijn of haar lidstaat is verhuisd.
46.
In dit verband is het juist dat het verblijf van de echtgenoten in Togo rechtstreeks verband houdt met de uitoefening van hun taken als arbeidscontractanten van de Unie en dat dit verblijf naargelang van die taken en de behoeften van de Commissie kan variëren. Niettemin blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Commissie dat partijen in het hoofdgeding volgens de informatie die zij van de Europese Dienst voor extern optreden heeft ontvangen, contracten voor onbepaalde tijd hebben en niet aan roulatie naar tussen Togo en het hoofdkantoor in Brussel zijn onderworpen.36.
47.
Het door verzoekster in het hoofdgeding ter terechtzitting genoemde feit dat zij tijdens verloven of feestdagen in Spanje verblijft of dat zij naar die lidstaat is gereisd om van haar twee kinderen te bevallen, kan er dus niet op wijzen dat de echtgenoten, of althans verzoekster in het hoofdgeding, hun gewone verblijfplaats bestendig, ononderbroken en permanent in die lidstaat hebben.
ii) Wil of bedoeling
48.
Wat het subjectieve element betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet duidelijk, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, dat de echtgenoten blijk hebben gegeven van hun voornemen om het permanente of gewone centrum van hun belangen in Spanje te behouden. Afgezien van de nationaliteit van verzoekster in het hoofdgeding en haar voormalige gewone verblijfplaats in Spanje37. bevat deze beslissing geen enkel gegeven op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er in het hoofdgeding een ander mogelijk aanknopingspunt bestaat op grond waarvan kan worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van de echtgenoten, of ten minste van een van beide, zich in die lidstaat bevindt.
49.
In een situatie als die van het hoofdgeding kan men zich echter eventueel afvragen welk element voorrang heeft wanneer het objectieve element (fysieke aanwezigheid, permanent centrum van belangen op een bepaalde plaats) en het subjectieve element (de wil om naar de lidstaat van herkomst terug te keren) met elkaar in strijd zijn.
50.
In dit verband heeft de Commissie in antwoord op een ter terechtzitting door het Hof gestelde vraag toegelicht dat voor functies bij een delegatie van de Unie, zoals die in Togo, het personeelslid aldaar fysiek aanwezig moet zijn en dat degenen die een dergelijke functie wensen te vervullen, hier vrijwillig om verzoeken.38. Bovendien heeft deze instelling opgemerkt dat het voornemen van de echtgenoten om na afloop van hun werkzaamheden in Togo naar Spanje te verhuizen, een hypothetisch element was dat voor de vaststelling van hun gewone verblijfplaats niet in aanmerking kon worden genomen.
51.
Dat standpunt deel ik. In bepaalde uitzonderlijke gevallen zou, rekening houdend met tastbare maatregelen of uiterlijke tekenen39., immers kunnen worden aangenomen dat het voornemen van de echtgenoten of van één van hen om zich in een andere lidstaat te vestigen of om terug te keren naar de lidstaat van herkomst, door een nieuwe ‘gewone verblijfplaats’ te verkrijgen en de vorige op te geven, een aanvulling op of vervanging voor elementen zoals de duur, de regelmatigheid of de bestendigheid van de fysieke aanwezigheid, die normaliter kenmerkend zijn voor het begrip ‘gewone verblijfplaats’, kan vormen40.. Het enkele voornemen om na een beroepsmatig verblijf in een andere lidstaat of in een derde staat naar de staat van herkomst terug te keren, doet echter geenszins afbreuk aan de huidige gewone verblijfplaats van de betrokkene. In een situatie als die van het hoofdgeding zijn het objectieve en het subjectieve element hoe dan ook niet met elkaar in strijd.
52.
Gelet op een en ander moet er bijgevolg ten eerste van worden uitgegaan dat de echtgenoten in beginsel ononderbroken en bestendig op het grondgebied van Togo verblijven41., en ten tweede dat hun beroeps-, privé– en gezinsbelangen zich in die staat bevinden. Hoewel ik geneigd ben ervan uit te gaan dat deze factoren a priori doen vermoeden dat de gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich niet in Spanje bevindt en dat het centrum van hun leven zich in Togo zou kunnen bevinden, staat het niettemin aan de verwijzende rechter om na te gaan of op grond van alle feitelijke omstandigheden van het geval daadwerkelijk kan worden aangenomen dat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats niet in Spanje hebben.42.
b) Begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3 van verordening nr. 4/2009
53.
In zaken betreffende onderhoudsverplichtingen wordt de internationale bevoegdheid van de gerechten bepaald door de bevoegdheidsregels in verordening nr. 4/2009.43. In dat verband moet eraan worden herinnerd dat in deze verordening een volledig stelsel van regels voor internationale rechterlijke bevoegdheid is vastgelegd in het kader waarvan de Uniewetgever in artikel 3 heeft voorzien in een aantal alternatieve criteria, met name op basis van procedurele overwegingen van nabijheid.44. Zo bepaalt dat artikel dat het gerecht of de gerechten bevoegd zijn van [onder a)] de gewone verblijfplaats van de verweerder (ongeacht of dat de schuldeiser of de schuldenaar is) of [onder b)] de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde.
54.
In deze context rijst de vraag of in verordening nr. 2201/2003 en in verordening nr. 4/2009 dezelfde definitie van dit begrip ‘gewone verblijfplaats’ moet worden gegeven.
55.
Het antwoord op deze vraag lijkt mij duidelijk bevestigend.
56.
Met het oog op een coherente en eenvormige toepassing van het Unierecht moet het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in het kader van beide verordeningen volgens dezelfde beginselen worden gedefinieerd en uitgelegd.45. Deze definitie kan voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats in concrete gevallen echter worden genuanceerd. Ik herinner eraan dat de betekenis en de strekking van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ moeten worden bepaald in het licht van de context van de bepalingen en de doelstelling van die verordening, met name die van overweging 15, aangezien dat begrip en de uitlegging ervan in het kader van verordening nr. 4/2009, net als in het geval van verordening nr. 2201/2003, autonoom zijn. Volgens deze overweging zijn de specifieke bevoegdheidscriteria voor gedingen inzake onderhoudsverplichtingen vastgesteld om te voldoen aan twee doelstellingen, te weten het waarborgen van de behartiging van de belangen van onderhoudsgerechtigden46. en het bevorderen van een goede rechtsbedeling47..
57.
Daarom lijkt de toepassing van het begrip ‘gewone verblijfplaats’, zoals gedefinieerd in verordening nr. 2201/2003, mij relevant in het kader van verordening nr. 4/2009, mede gelet op de nauwe banden tussen beide verordeningen. Gelet op de bijzonderheden, het doel en de context van verordening nr. 4/2009 ben ik van mening dat zowel de objectieve (de bestendigheid, de regelmatigheid van de verblijfplaats en de integratie van de betrokkene in een sociale en familiale omgeving) als de subjectieve (het voornemen van de betrokkene om zijn gewone verblijfplaats op een bepaalde plaats te vestigen) aanwijzingen of factoren, aan de hand waarvan de gewone verblijfplaats in de zin van verordening nr. 2201/200348. in het licht van de omstandigheden van de zaak kan worden bepaald, voor de verwijzende rechter ook als leidraad moeten dienen bij de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsplichtige, de onderhoudsgerechtigde of degene die om een onderhoudsbijdrage verzoekt in het kader van verordening nr. 4/2009.49. In de praktijk gaat het immers om dezelfde gewone verblijfplaats.
58.
Deze uitlegging vindt steun in het toelichtend verslag van Andrea Bonomi bij het Haags Protocol50., waarin in punt 37 wordt gesteld dat wordt aangeknoopt bij het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft omdat ‘het een vaststelling mogelijk maakt van het bestaan en de omvang van de onderhoudsverplichting rekening houdend met de wettelijke en feitelijke omstandigheden van het sociale milieu in het land waar de schuldeiser woont en het merendeel van zijn of haar activiteiten uitvoert’. In dit verband wordt in punt 42 van het verslag tevens opgemerkt dat ‘het gekozen criterium dat van de gewone verblijfplaats is, wat een zekere duurzaamheid impliceert. Alleen verblijf van tijdelijke aard is niet voldoende om het recht dat van toepassing is op de onderhoudsverplichting vast te stellen.’
59.
Gelet op mijn analyse van het begrip ‘gewone verblijfplaats’, waaruit blijkt dat de gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich niet in een lidstaat lijkt te bevinden, moet nog worden onderzocht of de status van diplomatiek personeelslid van de Unie, die de echtgenoten in Togo genieten, in een situatie als die van het hoofdgeding gevolgen kan hebben voor de gewone verblijfplaats van de echtgenoten.
2. Draagwijdte van de status van diplomatiek personeelslid van de Unie in de staat waar de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben met het oog op de toepassing van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003
60.
De Spaanse regering is van mening dat overeenkomstig verordening nr. 2201/2003 het gerecht van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevoegd is om over de echtscheiding te beslissen. Op grond van overweging 14 van deze verordening is die regering evenwel van mening dat, indien dit gerecht zijn bevoegdheid niet kan uitoefenen omdat de echtgenoten de status van diplomatiek personeelslid hebben vanwege hun hoedanigheid van arbeidscontractant van de Unie, deze bevoegdheid moet worden bepaald door de regels die gelden in de lidstaat waar de betrokkenen die diplomatieke status niet hebben, overeenkomstig de lex fori, te weten artikel 40 van het Spaanse burgerlijk wetboek. Deze regering wijst er namelijk op dat diplomatieke ambtenaren krachtens artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen, dat van toepassing is in Togo, immuniteit genieten voor de civiele rechter in de ontvangende staat. Indien een dergelijke status van ‘diplomatiek ambtenaar’ wordt erkend, zou het criterium van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten bijgevolg niet kunnen worden toegepast teneinde de internationale rechterlijke bevoegdheid om kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek te bepalen.
61.
De Tsjechische regering formuleert enkel de stelling dat een persoon die als ‘diplomatiek ambtenaar’ in een derde land wordt tewerkgesteld, zijn gewone verblijfplaats behoudt in de lidstaat waar hij vóór die tewerkstelling verbleef.
62.
De Commissie is daarentegen van mening dat het feit dat de echtgenoten de status van personeelslid van de Unie hebben en om die reden in een derde land zijn gedetacheerd, geen bijzonder gewicht in de schaal mag leggen bij de beoordeling van hun gewone verblijfplaats. Volgens de Commissie is overweging 14 van verordening nr. 2201/2003, anders dan de Spaanse regering stelt, niet relevant voor het hoofdgeding. Aangezien de echtgenoten in geen enkele lidstaat diplomatieke immuniteit genieten, is hun diplomatieke status immers geen relevante factor om te bepalen of zij, als personeelsleden van de Unie, hun gewone verblijfplaats in de staat van tewerkstelling hebben.
63.
Ten eerste merk ik op dat noch uit de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 2201/2003, noch uit die van artikel 3 van verordening nr. 4/2009 volgt dat de beroepsstatus van de echtgenoten als arbeidscontractant van de Unie relevant kan zijn voor de vaststelling van hun gewone verblijfplaats.
64.
Ten tweede merk ik op dat in overweging 14 van verordening nr. 2201/2003 wordt vermeld dat ‘[d]e toepassing van de onderhavige verordening […] de toepassing van het internationaal publiekrecht inzake diplomatieke immuniteiten onverlet [dient] te laten. Indien het uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd gerecht zijn bevoegdheid niet kan uitoefenen wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit overeenkomstig het internationale recht, dient de bevoegdheid te worden bepaald in de lidstaat waar de betrokkene geen enkele immuniteit geniet, overeenkomstig de wet van deze lidstaat.’
65.
Ik wijs erop dat deze overweging bevestigt dat de gerechten van een lidstaat krachtens het internationale recht hun bevoegdheid niet kunnen uitoefenen wegens het feit dat de betrokkene in die lidstaat een diplomatieke status heeft. Maar zelfs indien deze persoon diplomatieke immuniteit zou genieten, blijft de vraag in hoeverre het bestaan van die diplomatieke immuniteit de bevoegdheid van de Togolese gerechten kan uitsluiten. Daarvan is in de onderhavige zaak evenwel geen sprake.
66.
Dit gezegd zijnde, deel ik de mening van de Commissie dat deze overweging niet relevant is voor het hoofdgeding. De verwijzende rechter stelt namelijk dat arbeidscontractanten in het land van tewerkstelling de hoedanigheid van diplomatiek personeelslid van de Unie hebben.51. In de lidstaten van de Unie hebben zij echter de status van agent van de Unie. Bijgevolg genieten de echtgenoten in geen enkele lidstaat diplomatieke immuniteit in de zin van artikel 31 van het Verdrag van Wenen. Voorts heeft de Commissie, in antwoord op een vraag van het Hof ter terechtzitting, verklaard dat de diplomatieke immuniteit die de echtgenoten in Togo genieten, ertoe strekt ambtenaren of personeelsleden van de delegatie bij de uitoefening van hun functies te beschermen.
3. Voorlopige conclusie
67.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de status van de echtgenoten als arbeidscontractanten van de Unie in een derde staat geen belangrijke factor vormt voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats52., noch in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003, noch in die van artikel 3 van verordening nr. 4/2009.
B. Tweede prejudiciële vraag
68.
Gezien het door mij voorgestelde antwoord op de eerste prejudiciële vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht. Ik beperk mij dan ook tot de opmerking dat de status van de echtgenoten als arbeidscontractanten van de Unie in een derde staat uiteraard evenmin van invloed is op de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de minderjarige kinderen in de zin van artikel 8 van verordening nr. 2201/2003.
C. Derde prejudiciële vraag
69.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de kinderen in de zin van artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 criteria als de nationaliteit van de moeder, het feit dat zij vóór haar huwelijk in een lidstaat verbleef, de nationaliteit van de minderjarige kinderen en hun geboorte in die lidstaat, in aanmerking kunnen worden genomen.
70.
In de eerste plaats herinner ik eraan dat, wat de gewone verblijfplaats van kinderen in geschillen over de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 voor de betekenis en de draagwijdte van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst; derhalve ‘moet dit worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de verordening, met name dat welk voortvloeit uit [overweging 12] van deze verordening, volgens [welke] de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid’53..
71.
In de tweede plaats moet de gewone verblijfplaats van een kind volgens het Hof worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.54. In dit verband heeft het Hof een aantal factoren genoemd aan de hand waarvan de nationale rechter deze gewone verblijfplaats kan vaststellen.
72.
Om te beginnen is het Hof ten eerste van oordeel dat voor het bepalen van de gewone verblijfplaats van een kind in een bepaalde lidstaat ten minste is vereist dat het kind fysiek in die lidstaat aanwezig is geweest55. en ten tweede dat andere factoren moeten aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt56..
73.
Vervolgens verduidelijkt het Hof dat de gewone verblijfplaats van een kind in de zin van verordening nr. 2201/2003 overeenkomt met ‘de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt’, waarbij de aangezochte rechter moet bepalen waar zich dat centrum bevond op het tijdstip van de indiening van het verzoek omtrent de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind.57. In dat kader kunnen factoren als de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf van het kind op het grondgebied van de betrokken lidstaat (of, zoals in het onderhavige geval, van een derde staat)58., de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, alsook de familiale en sociale banden die het kind in die lidstaat heeft, in aanmerking worden genomen.59.
74.
Ten slotte verduidelijkt het Hof, zoals ik in punt 39 van deze conclusie in herinnering heb gebracht, dat het voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van een kind van belang is te kijken naar de plaats waar zijn ouders zich bestendig ophouden en in een sociale en familiale omgeving zijn geïntegreerd. In dit verband kan ook rekening worden gehouden met de bedoeling om zich op die plaats te vestigen, wanneer daaraan uiting is gegeven door tastbare maatregelen.60.
75.
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de kinderen in 2007 en 2012 in Spanje zijn geboren en dat zij zowel de Spaanse als de Portugese nationaliteit hebben. Voorts woonden de ouders tussen augustus 2010 en februari 2015 in Guinee-Bissau en zijn zij vervolgens naar Togo verhuisd, waar zij nu nog wonen. Zoals ik reeds heb opgemerkt, geeft de verwijzende rechter immers duidelijk aan dat de kinderen, nadat de ouders van tafel en bed waren gescheiden, niet zijn verhuisd. Bijgevolg lijkt Spanje niet de plaats te zijn waar zich in feite het ‘centrum van het leven’ van deze minderjarige kinderen bevindt.
76.
De verwijzende rechter mag niet uitsluitend rekening houden met criteria als de Spaanse nationaliteit van de moeder en de twee minderjarige kinderen, en met het feit dat zij in Spanje zijn geboren of hun vakanties in die lidstaat doorbrengen, om aan te nemen dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in deze lidstaat hebben.61.
77.
Bijgevolg moet worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 zich niet in Spanje bevindt, hetgeen de nationale rechter in het licht van alle specifieke feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval dient te beoordelen.
78.
Gelet op al het voorgaande geef ik in overweging op de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de kinderen in de zin van artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 niet uitsluitend criteria als de nationaliteit van de moeder, het feit dat zij vóór haar huwelijk in een lidstaat verbleef, de nationaliteit van de minderjarige kinderen en hun geboorte in die lidstaat, in aanmerking kunnen worden genomen.
D. Vierde prejudiciële vraag
79.
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het feit dat verweerder in het hoofdgeding onderdaan van een lidstaat is, in de weg staat aan de toepassing van de clausule inzake residuele bevoegdheid die in de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003 is vastgelegd. Deze twijfels vloeien voort uit het feit dat artikel 6 van deze verordening volgens deze rechter overeenkomstig het standpunt dat in een deel van de literatuur wordt voorgestaan, in de weg kan staan aan de toepassing van de artikelen 7 en 14 van dezelfde verordening, en bijgevolg aan die van de nationale wetten betreffende de bepaling van de bevoegdheid inzake echtscheiding en ouderlijke verantwoordelijkheid.
80.
Daarentegen stelt de Spaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen dat het feit dat de vader van de kinderen onderdaan is van een lidstaat, niet in de weg kan staan aan de toepassing van de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003.
1. Residuele bevoegdheid inzake echtscheiding: verhouding tussen de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2201/2003, een dubbele hiërarchische oplossing
81.
Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 bepaalt: ‘Indien geen gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 bevoegd is, wordt in elke lidstaat de bevoegdheid beheerst door de wetgeving van die lidstaat.’ Hoewel deze bepaling, op zichzelf beschouwd, echtgenoten die hun gewone verblijfplaats buiten de Unie hebben en verschillende nationaliteiten hebben, de mogelijkheid lijkt te bieden om op basis van de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid een subsidiair forum te kiezen62., wordt de werkingssfeer ervan evenwel beperkt door artikel 6 van die verordening. Uit een gecombineerde lezing van de artikelen 6 en 7 van deze verordening volgt namelijk dat de nationale bevoegdheidsregels enkel mogen worden toegepast onder bepaalde voorwaarden die ertoe strekken de verweerder te beschermen.63.
82.
Om te beginnen kan krachtens artikel 6 van verordening nr. 2201/2003 een echtgenoot die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft of onderdaan van een lidstaat is, of, in het geval van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, zijn ‘domicile’ (woonplaats) op het grondgebied van een van die lidstaten heeft, slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 van die verordening voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.64.
83.
Vervolgens blijkt uit een letterlijke lezing van artikel 6, onder b), van verordening nr. 2201/2003 in het bijzonder dat de keuze van de Uniewetgever voor de woorden ‘een andere lidstaat’, impliceert dat het gaat om een andere lidstaat dan die waarvan de echtgenoot onderdaan is. Een restrictieve uitlegging van artikel 6 van verordening nr. 2201/2003, volgens welke de echtgenoten krachtens die verordening geen forum hebben wanneer zij onderdaan zijn van een lidstaat maar hun gewone verblijfplaats niet in een lidstaat hebben, moet mijns inziens dan ook worden verworpen.
84.
Een dergelijke uitlegging zou immers niet alleen indruisen tegen elke logica, maar ook tegen de duidelijke bewoordingen van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, waarvan de toepassing afhangt van de vraag of een gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4 en 5 van die verordening bevoegd is.65. Wat zou in een dergelijk geval de ratio legis zijn van een bepaling die niet in ten minste een van de lidstaten een forum biedt en slechts een uitsluitende werking heeft?
85.
Bovendien zou een dergelijke uitlegging in strijd zijn met het doel van verordening nr. 2201/2003. In dit verband herinner ik eraan dat er in overweging 1 van de verordening sprake is van de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid ‘waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is’. Wat deze doelstelling betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze verordening tot doel heeft uniforme conflictregels in echtscheidingszaken in te voeren teneinde het vrije verkeer van personen zo ruim mogelijk te verzekeren.66. Tot slot wijs ik erop dat deze verordening er tevens toe strekt de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen te bevorderen.67.
86.
Voor de niet-restrictieve uitlegging die ik voorsta, is ook steun te vinden in de rechtspraak van het Hof. Het Hof heeft in zijn arrest Sundelind Lopez68. immers reeds geoordeeld dat een verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft of onderdaan van een lidstaat is, gelet op de exclusieve aard van de in de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003 omschreven bevoegdheden, slechts krachtens deze artikelen — en dus met uitsluiting van de bevoegdheidsregels van het nationale recht — voor de gerechten van een andere lidstaat kan worden gedaagd.69.
87.
Ten slotte impliceert artikel 6 van verordening nr. 2201/2003 volgens de rechtsleer dat een persoon die onderdaan is van een lidstaat maar zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat heeft, alleen voor de gerechten van een andere lidstaat dan die waarvan hij onderdaan is, kan worden gedaagd indien die andere lidstaat zich krachtens artikel 3 van die verordening bevoegd kan verklaren.70. Sommige auteurs zijn namelijk van mening dat in de artikelen 6 en 7 van deze verordening een rangorde van de bevoegdheidsregels in echtscheidingszaken is vastgelegd, waaruit in wezen een dubbele oplossing voortvloeit. Ten eerste, indien de rechter van een lidstaat op grond van een van de bevoegdheidscriteria van verordening nr. 2201/2003 bevoegd kan worden verklaard, is de bepaling van deze verordening inzake dit criterium van toepassing met uitsluiting van elke nationale regel, ongeacht de andere aanknopingspunten. Ten tweede zijn de nationale regels van toepassing bij gebreke van rechterlijke bevoegdheid op grond van een bepaling van die verordening, ook al kunnen zij niet worden tegengeworpen aan onderdanen van de lidstaten of personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat.71.
88.
In het onderhavige geval hebben de echtgenoten echter niet de nationaliteit van een en dezelfde lidstaat en lijken zij hun gewone verblijfplaats in een derde staat te hebben. Hoe dan ook blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat verzoekster in het hoofdgeding haar gewone verblijfplaats niet in Portugal heeft en niet de Portugese nationaliteit heeft. Zoals ik in punt 52 van deze conclusie reeds heb uiteengezet, lijkt alles er bovendien op te wijzen dat zij haar gewone verblijfplaats niet in Spanje heeft. Bijgevolg kan verzoekster in het hoofdgeding niet met een beroep op de regels inzake residuele bevoegdheid van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 in Spanje een echtscheidingsprocedure in gang zetten tegen haar echtgenoot, die de Portugese nationaliteit bezit, aangezien artikel 6 van deze verordening belet dat hij op grond van de in het Spaanse recht vastgelegde regels inzake residuele bevoegdheid voor de verwijzende rechter wordt gedaagd.
89.
Zoals de Commissie voorstelt, zou verzoekster in het hoofdgeding de echtscheiding wel in Portugal kunnen aanvragen.
90.
In dat geval kan men zich afvragen wat de positie van een echtgenoot zou zijn indien de bevoegdheidsregels van de lidstaat van zijn nationaliteit niet voorzien in residuele bevoegdheid met betrekking tot verordening nr. 2201/2003. In een dergelijk geval zou immers geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van die verordening bevoegd zijn. In mijn onderzoek van de zesde prejudiciële vraag kom ik op deze vraag terug.72.
91.
Om al deze redenen geef ik in overweging op deze vraag te antwoorden dat, indien het aangezochte gerecht zijn bevoegdheid voor het echtscheidingsverzoek niet kan baseren op de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, artikel 6 van diezelfde verordening in de weg staat aan de toepassing van de in artikel 7, lid 1, vastgelegde regels inzake residuele bevoegdheid, en de verweerder die onderdaan is van een lidstaat, bijgevolg alleen voor de gerechten van die lidstaat kan worden gedaagd.73.
2. Residuele bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid
92.
Artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 bepaalt: ‘Indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 8 tot en met 13 bevoegd is, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat beheerst door de wetgeving van die lidstaat.’
93.
Met betrekking tot de verhouding tussen artikel 8 en artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 heeft het Hof benadrukt dat het feit dat een voor het gerecht van een lidstaat gebracht geding in beginsel niet binnen de werkingssfeer van artikel 8, lid 1, van die verordening kan vallen, niet noodzakelijkerwijs belet dat dit gerecht bevoegd is om uit anderen hoofde kennis te nemen van dat geding.74. Volgens het Hof stelt die verordening een mechanisme in op grond waarvan de lidstaten de belangen van een kind mogen beschermen zelfs in het geval van gedingen die niet onder die bepaling vallen. In dit geval preciseert artikel 14 van die verordening dat de lidstaten, residueel, krachtens hun nationale rechtsstelsels de bevoegdheid aan hun gerechten mogen toewijzen.75.
94.
In casu mag de aangezochte rechter op grond van artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 zijn eigen bevoegdheidsregels toepassen, met inbegrip van de regels krachtens welke hij bevoegd is op grond van de nationaliteit van het kind, om zijn eigen bevoegdheid vast te stellen, zelfs indien de verweerder onderdaan van een andere lidstaat is, aangezien artikel 6 van die verordening alleen van toepassing is op verzoeken om echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk.76.
95.
Samenvattend volgt uit het onderzoek van de artikelen 6, 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003 dat de internationale bevoegdheid in huwelijkszaken en die inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid aan verschillende gerechten kan worden toegekend. Het is juist dat het feit dat er meerdere gerechten bij het geschil betrokken zijn, hetgeen in overeenstemming is met de favor divortii die het recht van de meeste lidstaten kenmerkt, kan leiden tot versnippering van het geschil met betrekking tot de echtscheiding. Men zou zich dan kunnen afvragen of het belang van het kind daardoor niet in het gedrang komt.
96.
Ik denk van niet. Wat kinderen betreft, verschillen de in verordening nr. 2201/2003 geformuleerde criteria voor maatregelen die hen betreffen van de criteria voor echtscheiding, met als gevolg dat de bevoegdheden slechts kunnen samenvallen in gunstige omstandigheden of wanneer er sprake is van instemming van de echtgenoten.77. Zo biedt artikel 12, lid 3, van deze verordening de echtgenoten de mogelijkheid om versnippering van het geschil te voorkomen. Volgens die bepaling zijn de gerechten van een lidstaat ook in andere procedures dan die welke in artikel 12, lid 1, van die verordening worden bedoeld, bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind, indien ten eerste het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft of omdat het kind onderdaan van die lidstaat is, en ten tweede indien hun bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.78. Krachtens die bepaling kunnen de echtgenoten dus de bevoegdheid aanvaarden van het gerecht waarbij de scheiding aanhangig is, mits die keuze door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.79.
97.
Gelet op het voorgaande kom ik tot de slotsom dat met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid artikel 14 van verordening nr. 2201/2003 van toepassing is, ongeacht de gewone verblijfplaats van de kinderen en de nationaliteit van de verweerder, indien het aangezochte gerecht niet bevoegd is op grond van de artikelen 8 tot en met 13 van die verordening, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
E. Vijfde prejudiciële vraag
98.
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de strekking is van het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis voor de vaststelling van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen. Meer bepaald vraagt deze rechter zich af op basis van welke criteria kan worden bepaald dat in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of dat een procedure daar onmogelijk blijkt. In een dergelijk geval wenst de verwijzende rechter ook te vernemen of moet worden aangetoond dat de procedure in die derde staat niet kan worden gevoerd en of er louter op grond van de nationaliteit van een van de partijen sprake is van een nauwe band met een lidstaat.
99.
Om deze vraag te beantwoorden, moet de strekking van het in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 bedoelde forum necessitatis worden onderzocht.
1. Strekking van het forum necessitatis in artikel 7 van verordening nr. 4/2009
100.
In artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 4/2009 is bepaald dat indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de artikelen 3, 4, 5 en 6 bevoegd is, de gerechten van een lidstaat in uitzonderingsgevallen kennis kunnen nemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of indien een procedure daar onmogelijk blijkt. In de tweede alinea is bepaald dat het geschil voldoende nauw verbonden moet zijn met de lidstaat waar de zaak aanhangig wordt gemaakt.
101.
Het forum necessitatis op het gebied van onderhoudsverplichtingen kan dus alleen worden aanvaard indien geen enkel gerecht bevoegd is in een andere lidstaat. Met andere woorden, aangezien het om een residuele bevoegdheid gaat80., is dit forum alleen van toepassing wanneer er sprake is van een negatief bevoegdheidsconflict binnen de Unie.
a) Geen bevoegdheid in een lidstaat op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009
102.
Om uit te maken of artikel 7 van verordening nr. 4/2009 van toepassing is, moet de rechter nagaan of geen van de bevoegdheidscriteria van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening van toepassing is op het bij hem aanhangige geding.
103.
Wat in de eerste plaats de alternatieve bevoegdheidscriteria van artikel 3 van verordening nr. 4/2009 betreft, waartussen geen hiërarchie bestaat, moet de aangezochte rechter vaststellen dat noch de verzoeker noch de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft. Indien dat het geval is, moet de rechter nog nagaan of geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de criteria van artikel 3, onder c) en d), van die verordening bevoegd is. Uit deze twee bepalingen, die de concentratie van geschillen regelen, blijkt immers dat de bevoegdheid om uitspraak te doen over onderhoudsverplichtingen ligt bij het gerecht dat volgens de lex fori bevoegd is om kennis te nemen van een hoofdverzoek betreffende de staat van personen, ten aanzien waarvan het verzoek inzake een onderhoudsverplichting het nevenverzoek is [onder c)], of bij het gerecht dat volgens de lex fori bevoegd is wanneer het verzoek verbonden is met een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid [onder d)] (in dit geval ten gunste van het kind), tenzij deze bevoegdheden uitsluitend op de nationaliteit van een van de partijen berusten.
104.
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof artikel 3, onder c) en d), van verordening nr. 4/2009 in zijn arrest A81. met name heeft uitgelegd door het verband tussen de daarin geformuleerde bevoegdheidscriteria te verduidelijken. Het Hof heeft benadrukt dat bij de uitlegging van de bevoegdheidsregels van deze bepaling rekening moet worden gehouden met het belang van het kind, en geoordeeld dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat wanneer twee gerechten zijn aangezocht, het ene met een verzoek betreffende de scheiding of de verbreking van de huwelijksband tussen echtgenoten die ouders zijn van minderjarige kinderen en het andere met een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor deze kinderen, een verzoek inzake een onderhoudsverplichting ten behoeve van deze kinderen ‘slechts [kan] worden beschouwd als nevenverzoek bij een verzoek op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid’.82.
105.
De verwijzende rechter merkt op dat indien het aangezochte gerecht in de omstandigheden van het hoofdgeding op grond van de artikelen 8 tot en met 13 van verordening nr. 2201/2003 niet bevoegd blijkt en artikel 14 van deze verordening van toepassing is, de Spaanse gerechten dan krachtens artikel 22 quater, onder d), LOPJ bevoegd zijn om kennis te nemen van maatregelen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid83. vanwege de Spaanse nationaliteit van de moeder84.. Ik merk echter op dat het verzoek inzake de onderhoudsbijdrage weliswaar verband houdt met het verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, maar dat het bevoegdheidscriterium van artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009 niet van toepassing is wanneer de bevoegdheid krachtens de lex fori is gebaseerd op de nationaliteit van een van de partijen.85. Gelet op de duidelijke bewoordingen van deze bepaling86. is het dus in beginsel waarschijnlijk dat de Spaanse gerechten die op grond van de residuele bevoegdheid van artikel 14 van deze verordening bevoegd zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid, daarentegen niet bevoegd zijn om uitspraak te doen over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen.
106.
Wat in de tweede plaats de artikelen 4 tot en met 6 van verordening nr. 4/2009 betreft, moet de rechter ook nagaan of geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een onderhoudsbijdrage, gelet op de in die artikelen geformuleerde criteria voor subsidiaire bevoegdheid. In dit verband merk ik op dat uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat dit het geval is.87. Het staat immers vast dat partijen in het hoofdgeding niet dezelfde nationaliteit hebben.88.
107.
Uit al deze omstandigheden volgt in beginsel dat in een zaak als die in het hoofdgeding geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een onderhoudsbijdrage. De vraag rijst dus of in een dergelijk geval is voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 7 van verordening nr. 4/2009 opdat de verwijzende rechter in een geval als het onderhavige een beroep kan doen op het forum necessitatis.
b) Feit dat het niet of nagenoeg niet mogelijk is om een procedure aanhangig te maken of te voeren in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is
108.
Ik wijs er meteen op dat het forum necessitatis waarin artikel 7 van verordening nr. 4/2009 voorziet, zoals in overweging 16 van die verordening wordt gesteld, bedoeld is om een voorziening te bieden voor gevallen van rechtsweigering, mocht geen enkel gerecht van een lidstaat normalerwijze bevoegd zijn.
109.
Het forum necessitatis biedt de gerechten van een lidstaat dus de mogelijkheid om in uitzonderingsgevallen kennis te nemen van een geschil indien in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt.
110.
Wat in de eerste plaats de nauwe band tussen het geschil en de derde staat betreft, lijkt het bestaan van een dergelijke band mij algemeen te kunnen worden aangenomen indien de aangezochte rechter zou vaststellen dat de partijen hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van een derde staat hebben, zoals in casu Togo, en dat de gerechten van die staat zich op grond van hun nationale recht bevoegd zouden verklaren.
111.
Wat in de tweede plaats de voorwaarde betreft dat er geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd voor de gerechten van de derde staat, waarnaar de verwijzende rechter in zijn vraag rechtstreeks verwijst, zij erop gewezen dat in artikel 7 van verordening nr. 4/2009 twee categorieën belemmeringen zijn vastgelegd op grond waarvan het aangezochte gerecht een beroep kan doen op het forum necessitatis.
112.
De eerste categorie betreft de situatie waarin in een derde staat geen procedure voor een onderhoudsbijdrage kan worden gevoerd.89. Tot deze categorie kunnen met name situaties behoren waarin het gerecht van de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, weigert zijn bevoegdheid uit te oefenen, en waarin de procedurele voorwaarden oneerlijk zijn.90.
113.
De tweede categorie betreft de situatie waarin in een derde staat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd.
114.
In dit verband wordt in overweging 16 van verordening nr. 4/2009 naar bepaalde situaties verwezen die als uitzonderlijk worden beschouwd en die als leidraad kunnen dienen voor de uitlegging van deze voorwaarde. Zo kan de noodbevoegdheid uit zeer ernstige situaties voortvloeien, bijvoorbeeld een burgeroorlog, of wanneer redelijkerwijs niet van de verzoeker kan worden verlangd dat hij een procedure aanhangig maakt of voert in een derde staat.91. Volgens dezelfde gedachtegang kan de aangezochte rechter het forum necessitatis toepassen in bepaalde omstandigheden, zoals de Commissie aangeeft, waarin de toegang tot de rechter ten onrechte wordt belemmerd, met name wanneer juridische vertegenwoordiging buitensporig duur is, procedures buitensporig lang duren, er ernstige corruptieproblemen in het gerechtelijke systeem bestaan, of wanneer er zich tekortkomingen in verband met de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces92. of structurele tekortkomingen voordoen. De vraag of er geen procedure kan worden gevoerd, om procedurele dan wel conjuncturele redenen, moet door de aangezochte rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld.
115.
Benadrukt moet worden dat de aangezochte rechter met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te werk dient te gaan om de uitzonderlijke aard van de toepassing van het forum necessitatis te verzoenen met de ruime beoordelingsmarge waarover hij beschikt. Het forum necessitatis kan immers enkel worden toegepast in zeer ernstige of dringende situaties waarin er sprake is van een risico van rechtsweigering. In dit verband zou ik erop willen wijzen dat de verwachting dat de door het aangezochte gerecht overwogen oplossing gunstiger is dan die welke van het op grond van verordening nr. 4/2009 bevoegde gerecht wordt verwacht93., en de gedachte om situaties van rechtsweigering te verhelpen die verband houden met een strikte uitlegging van de bevoegdheidscriteria van die verordening, de toepassing van het forum necessitatis — dat geen alternatief forum, maar een noodforum is — in geen geval kunnen rechtvaardigen94..
c) Voldoende nauwe band met de lidstaat van het aangezochte gerecht
116.
Indien volgens het gerecht waarbij een geschil aanhangig is gemaakt, de voorwaarde is vervuld dat het onmogelijk of nagenoeg onmogelijk is om een procedure aanhangig te maken of te voeren in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, zoals in casu, kan de op het forum necessitatis gebaseerde bevoegdheid evenwel alleen worden uitgeoefend als het geschil ‘voldoende nauw verbonden’ is met de lidstaat van dat gerecht. In overweging 16 van verordening nr. 4/2009 wordt verduidelijkt dat van de krachtens artikel 7 vereiste voldoende nauwe band sprake kan zijn als een van de partijen de nationaliteit van de staat van het aangezochte gerecht heeft.95.
117.
In dit verband kan het bestaan van een dergelijke ‘voldoende nauwe band’ volgens de rechtsleer enkel worden vastgesteld wanneer blijkt dat de banden tussen het geschil en de lidstaat waar de gerechten zijn aangezocht, niet ‘vluchtig of illusoir’ zijn.96. Zoals ik reeds heb uiteengezet in mijn conclusie in de zaak KP97., berusten de bevoegdheidsregels van verordening nr. 4/2009 volgens mij in het algemeen op de veronderstelling dat er een band is tussen de onderhoudsbijdragen waarop een bepaald geschil betrekking heeft en de staat waarvan het gerecht bevoegd is om kennis te nemen van dat geschil. Deze band moet op zijn minst zo nauw zijn dat de beide partijen bij de onderhoudsverplichting kunnen voorzien van welke staten de gerechten kennis zullen kunnen nemen van geschillen over die onderhoudsbijdragen.
118.
Voorts zij opgemerkt dat het voorwerp van het verzoek om een onderhoudsbijdrage normaal gesproken van financiële aard is en het feit dat de onderhoudsplichtige goederen bezit op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht, vanuit pragmatisch oogpunt kan worden beschouwd als een aanknopingspunt dat de desbetreffende rechter van geval tot geval bij zijn beoordeling van de situatie in aanmerking kan nemen. Dit gezegd zijnde, zij er evenwel op gewezen dat verordening nr. 4/2009 niet tot doel heeft een universele onderhoudsbijdrage in te voeren.98.
119.
Hoe dan ook ben ik van mening dat artikel 7 van deze verordening altijd in het licht van de artikelen 24 en 47 van het Handvest moet worden uitgelegd.
120.
In dit verband herinner ik eraan dat verordening nr. 4/2009 volgens het Hof moet worden uitgevoerd in overeenstemming met artikel 24, lid 2, van het Handvest, dat bepaalt dat de belangen van het kind bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, een essentiële overweging vormen.99.
121.
Wat de uitlegging van artikel 7 van deze verordening in het licht van artikel 47 van het Handvest betreft, verwijs ik naar mijn analyse in het kader van de zesde vraag van de verwijzende rechter.
2. Toepassing op het onderhavige geval
122.
Wat in de eerste plaats het feit betreft dat het onmogelijk of nagenoeg onmogelijk is om een procedure aanhangig te maken of te voeren in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, voert verzoekster in het hoofdgeding op basis van verschillende verslagen van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties aan dat in Togo een passende opleiding en bijscholing van rechters ontbreekt, dat de rechterlijke macht moet worden hervormd en versterkt, alsook dat er bezorgdheid is met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in dat land, de toegang tot de rechter en het bestaan van discriminerende praktijken jegens vrouwen.100.
123.
Derhalve moet worden onderzocht of omstandigheden als die welke verzoekster in het hoofdgeding aanvoert, relevant kunnen worden geacht om de aangezochte rechter in staat te stellen te beoordelen of is voldaan aan de in artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 4/2009 gestelde voorwaarden voor een beroep op het forum necessitatis, en in het bijzonder om vast te stellen of redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure onmogelijk blijkt, in de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, in dit geval Togo.
124.
In dit verband lijkt het onderzoek van artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 4/2009, zoals geanalyseerd in de punten 100 tot en met 118 van deze conclusie, mij een leidraad voor de verwijzende rechter te kunnen vormen.
125.
In deze context moet worden opgemerkt dat door verzoekster in het hoofdgeding aangevoerde omstandigheden weliswaar relevant kunnen worden geacht en voor de aangezochte rechter een leidraad kunnen vormen om te bepalen of zij krachtens artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 4/2009 het beroep op het forum necessitatis kunnen rechtvaardigen, maar dat de beoordeling door deze rechter van de in die bepaling gestelde voorwaarden in het licht van de in punt 114 van deze conclusie genoemde criteria niet alleen moet worden gebaseerd op de omstandigheden die verzoekster in het hoofdgeding heeft aangevoerd, maar ook op vaststellingen aan de hand van objectieve informatie en gegevens. In het bijzonder zou deze rechter op basis van de vaststelling dat vrouwen moeilijk toegang tot de rechter hebben of dat er sprake is van discriminerende praktijken jegens vrouwen in Togo101. kunnen aannemen dat er een gevaar van rechtsweigering bestaat en dat bijgevolg is voldaan aan de in artikel 7 van deze verordening gestelde voorwaarden voor een beroep op het forum necessitatis.
126.
Bovendien wil ik erop wijzen dat verzoekster in het hoofdgeding niet hoeft aan te tonen dat zij tevergeefs een procedure in die staat aanhangig heeft gemaakt of heeft getracht die aanhangig te maken. In dit verband sta ik achter het standpunt van de Commissie dat de verplichting voor partijen om te trachten zich tot de gerechten van de derde staat te wenden met als enige doel de noodsituatie voor de toepassing van het forum necessitatis aan te tonen, in strijd zou zijn met de doelstelling van verordening nr. 4/2009, die er in wezen toe strekt de onderhoudsgerechtigde te beschermen en een goede rechtsbedeling te bevorderen.
127.
Wat in de tweede plaats het bestaan betreft van een voldoende nauwe band met de lidstaat van het aangezochte gerecht in de zin van artikel 7, tweede alinea, van verordening nr. 4/2009, blijkt uit mijn analyse in de punten 116 tot en met 118 van deze conclusie dat de nationaliteit van een van de partijen kan volstaan voor de vaststelling van een dergelijke band.
128.
In het licht van al deze overwegingen moet artikel 7 van verordening nr. 4/2009 naar mijn mening derhalve aldus worden uitgelegd dat de noodbevoegdheid kan voortvloeien uit uitzonderlijke, zeer ernstige of dringende situaties op grond waarvan kan worden aangenomen dat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure onmogelijk blijkt, in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is. Aan deze voorwaarden is met name voldaan wanneer het gerecht van de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, weigert zijn bevoegdheid uit te oefenen of wanneer er sprake is van oneerlijke procedurele voorwaarden, wanneer het wegens onlusten of natuurrampen gevaarlijk is om naar bepaalde plaatsen te reizen en de normale werkzaamheden van de derde staat niet kunnen worden uitgeoefend, en ten slotte wanneer de toegang tot de rechter ten onrechte wordt belemmerd, met name wanneer juridische vertegenwoordiging buitensporig duur is, procedures buitensporig lang duren, er ernstige corruptieproblemen in het gerechtelijke systeem bestaan, of wanneer er zich tekortkomingen in verband met de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces of structurele tekortkomingen voordoen. De partijen zijn krachtens deze bepaling niet verplicht het bestaan van dergelijke omstandigheden met schriftelijke bewijsstukken aan te tonen.
F. Zesde prejudiciële vraag
129.
Met zijn zesde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een situatie waarin de echtgenoten, met name wegens hun nationaliteiten en hun eerdere verblijfplaats, nauwe banden hebben met bepaalde lidstaten, en waarin op grond van de toepasselijke verordeningen geen enkele lidstaat bevoegd lijkt, in strijd is met artikel 47 van het Handvest.
130.
De Raad is van mening dat verordening nr. 2201/2003 niet in strijd is met artikel 47 van het Handvest, ook al is in een situatie als die van het hoofdgeding volgens het in deze verordening geformuleerde criterium van de gewone verblijfplaats geen enkel gerecht van een lidstaat bevoegd om kennis te nemen van een procedure tot echtscheiding en/of ouderlijke verantwoordelijkheid die is ingeleid door echtgenoten die onderdaan en voormalig ingezetene zijn van lidstaten van de Unie, en die op het tijdstip waarop de procedure wordt ingeleid, hun gewone verblijfplaats in een derde land hebben. Het enkele feit dat het bevoegde gerecht zich in een derde staat bevindt, kan niet tot de conclusie leiden dat de betrokkenen verstoken blijven van een effectieve rechterlijke bescherming.
131.
Ik kan mij niet in die benadering vinden.
132.
Eigenlijk kan ik in deze vraag niet de elementen vinden op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij betrekking heeft op de geldigheid van verordening nr. 2201/2003 en/of die van verordening nr. 4/2009. Hoe dan ook moeten de relevante bepalingen van deze verordeningen worden uitgelegd alvorens de geldigheid ervan in het licht van artikel 47 van het Handvest te beoordelen.
133.
Vast staat dat de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 en verordening nr. 4/2009 betreffende, ten eerste, de residuele bevoegdheid bedoeld in de artikelen 7 en 14 van de eerste verordening en, ten tweede, het forum necessitatis bedoeld in artikel 7 van de tweede verordening, door de aangezochte rechter moeten worden uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest.
134.
In de eerste plaats zijn volgens artikel 51, lid 1, van het Handvest de bepalingen daarvan uitsluitend tot de lidstaten gericht wanneer deze het Unierecht ten uitvoer brengen.102.
135.
In de tweede plaats zijn, met name wat verordening nr. 2201/2003 betreft, de nationale bevoegdheidsregels alleen van toepassing indien geen enkel gerecht van een lidstaat op grond van de bevoegdheidsregels van die verordening bevoegd is. Deze nationale bevoegdheidsregels maken deel uit van de bevoegdheidscriteria in een cascaderegeling, waartoe ook de bevoegdheidsregels van de verordeningen van de Unie behoren. In dit geval zijn de lidstaten verplicht artikel 47 van het Handvest ook te eerbiedigen in situaties waarin hun gerechten krachtens het nationale recht bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die binnen de werkingssfeer van die verordening vallen.103.
136.
Met name wat de residuele bevoegdheid en/of het forum necessitatis betreft, is het gezien de bewoordingen van artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009, in dit geval waarschijnlijk dat de Spaanse gerechten die op grond van de residuele bevoegdheid van artikel 14 van deze verordening bevoegd zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid, niet bevoegd zijn om uitspraak te doen over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen. In dat geval is het ook mogelijk dat de aangezochte rechter met betrekking tot het verzoek om een onderhoudsbijdrage krachtens artikel 7 van verordening nr. 4/2009 een beroep kan doen op het forum necessitatis om van een dergelijk verzoek kennis te nemen. Het lijdt dan ook geen enkele twijfel dat deze artikelen in het licht van artikel 47 van het Handvest dienen te worden uitgelegd, maar ook dat de Spaanse bevoegdheidsregels op grond waarvan het aangezochte gerecht zijn bevoegdheid kan uitoefenen, zoals ik heb aangegeven, met inachtneming van dat artikel dienen te worden toegepast. Bijgevolg moeten deze nationale bevoegdheidsregels, zoals in casu artikel 22 quater, onder d), LOPJ, in het licht van artikel 47 van het Handvest worden uitgelegd om rechtsweigering te voorkomen.
137.
In de derde plaats is de coördinatie van de betrokken verordeningen op het gebied van echtscheiding, ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsbijdragen op algemene wijze geregeld in een aantal bepalingen, zoals ik heb uitgelegd. Dat is met name het geval voor artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009. Wanneer een dergelijke coördinatie strandt wegens bijzondere omstandigheden, zoals die in het hoofdgeding, zou het aangezochte gerecht dus bevoegd kunnen zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid, maar niet voor de aspecten van het geschil die betrekking hebben op minderjarigen, en zou de onbevoegdheid van het aangezochte gerecht kunnen worden opgelost door de toepassing van het forum necessitatis ‘‘als uitbreiding’ op een (in beginsel) redelijk forum’.104.
138.
Ik geef het Hof daarom in overweging op deze vraag te antwoorden dat de artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003, die betrekking hebben op de subsidiaire bevoegdheden op het gebied van echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk, alsook artikel 7 van verordening nr. 4/2009, betreffende het forum necessitatis inzake onderhoudsverplichtingen, door het aangezochte gerecht in het licht van artikel 47 van het Handvest moeten worden uitgelegd. De nationale regels inzake residuele bevoegdheid, daaronder begrepen die inzake het forum necessitatis, moeten in het licht van datzelfde artikel worden toegepast.
V. Conclusie
139.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Audiencia Provincial de Barcelona te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
De hoedanigheid van de echtgenoten als arbeidscontractant van de Europese Unie in een derde staat is geen belangrijke factor voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten, noch in de zin van de artikelen 3 en 8 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, noch in de zin van artikel 3 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.
- 2)
Voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de kinderen in de zin van artikel 8 van verordening nr. 2201/2003 kunnen niet uitsluitend criteria als de nationaliteit van de moeder, het feit dat zij vóór haar huwelijk in een lidstaat verbleef, de nationaliteit van de minderjarige kinderen en hun geboorte in die lidstaat, in aanmerking worden genomen.
- 3)
Indien het aangezochte gerecht zijn bevoegdheid voor het echtscheidingsverzoek niet kan baseren op de artikelen 3 tot en met 5 van verordening nr. 2201/2003, staat artikel 6 van diezelfde verordening in de weg aan de toepassing van de in artikel 7, lid 1, vastgelegde regels inzake residuele bevoegdheid, en kan de verweerder die onderdaan is van een lidstaat, bijgevolg alleen voor de gerechten van die lidstaat worden gedaagd.
Indien het aangezochte gerecht niet bevoegd is op grond van de artikelen 8 tot en met 13 van verordening nr. 2201/2003, is met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid artikel 14 van die verordening van toepassing, ongeacht de gewone verblijfplaats van de kinderen en de nationaliteit van de verweerder.
- 4)
Artikel 7 van verordening nr. 4/2009 moet aldus worden uitgelegd dat de noodbevoegdheid kan voortvloeien uit uitzonderlijke, zeer ernstige of dringende situaties op grond waarvan kan worden aangenomen dat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of dat een procedure onmogelijk blijkt in een derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is. Aan deze voorwaarden is met name voldaan wanneer het gerecht van de derde staat waarmee het geschil nauw verbonden is, weigert zijn bevoegdheid uit te oefenen of wanneer er sprake is van oneerlijke procedurele voorwaarden, wanneer het wegens onlusten of natuurrampen gevaarlijk is om naar bepaalde plaatsen te reizen en de normale werkzaamheden van de derde staat niet kunnen worden uitgeoefend, en ten slotte wanneer de toegang tot de rechter ten onrechte wordt belemmerd, met name wanneer juridische vertegenwoordiging buitensporig duur is, procedures buitensporig lang duren, er ernstige corruptieproblemen in het gerechtelijke systeem bestaan, of wanneer er zich tekortkomingen in verband met de fundamentele waarborgen van een eerlijk proces of structurele tekortkomingen voordoen. Partijen hoeven niet aan te tonen dat zij tevergeefs een procedure in die staat aanhangig hebben gemaakt of hebben getracht die aanhangig te maken.
- 5)
De artikelen 7 en 14 van verordening nr. 2201/2003, die betrekking hebben op de subsidiaire bevoegdheden op het gebied van echtscheiding, scheiding van tafel en bed, nietigverklaring van het huwelijk en ouderlijke verantwoordelijkheid, alsook artikel 7 van verordening nr. 4/2009, betreffende het forum necessitatis inzake onderhoudsverplichtingen, moeten door het aangezochte gerecht in het licht van artikel 47 van het Handvest worden uitgelegd. De nationale regels inzake residuele bevoegdheid, daaronder begrepen die inzake het forum necessitatis, moeten in het licht van datzelfde artikel worden toegepast.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑02‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
Lagarde, P., ‘Le principe de proximité dans le droit international privé contemporain’, Cours général de droit international privé, deel 196, Académie de droit international de La Haye, 1986, blz. 21-194, met name blz. 194.
Verordening van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1, met rectificatie in PB 2020, L 351, blz. 64).
Verordening van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1, met rectificatie in PB 2009, L 19, blz. 8).
United Nations Treaty Series, deel 500, blz. 95.
BOE nr. 157 van 2 juli 1985, blz. 20632,
BOE nr. 174 van 22 juli 2015, blz. 61593 (hierna ‘LOPJ’).
PB 2016, C 202, blz. 266 (hierna: ‘Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten’).
Arresten van 13 oktober 2016, Mikołajczyk (C-294/15, EU:C:2016:772, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 25 november 2021, IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Scheiding) (C-289/20, EU:C:2021:955, punt 31; hierna: ‘arrest IB’).
Zie met name arrest van 16 juli 2009, Hadadi (C-168/08, EU:C:2009:474, punt 48). Er is geen hiërarchie tussen deze criteria aangebracht omdat de situatie na een echtelijke crisis snel kan veranderen.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat dit objectieve, alternatieve en exclusieve criteria zijn die tegemoetkomen aan de behoefte aan een regeling die is afgestemd op de specifieke situatie van geschillen over de ontbinding van de huwelijksband (arrest IB, punt 32). Wat de keuze van de bevoegde instanties betreft, heeft Borrás verduidelijkt dat ‘de gekozen bevoegde instanties beantwoorden aan objectieve behoeften, [aan]sluiten […] bij de belangen van de partijen, staan voor flexibele regelgeving die is aangepast aan de mobiliteit van de personen, en trachten, tot slot, de personen te begunstigen zonder dat er rechtszekerheid verloren gaat’, Toelichtend verslag bij het verdrag, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken, opgesteld door Alegría Borrás, hoogleraar internationaal privaatrecht aan de universiteit van Barcelona (PB 1998, C 221, blz. 27; hierna: ‘verslag van Borrás’), blz. 36, punt 27.
In artikel 3, lid 1, onder a), eerste tot en met vierde streepje, van verordening nr. 2201/2003 wordt uitdrukkelijk verwezen naar het criterium van de gewone verblijfplaats van de echtgenoten en van die van de verweerder. Krachtens artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van die verordening kan de regel van de bevoegdheid van het forum actoris worden toegepast. Zie met name arrest van 13 oktober 2016, Mikołajczyk (C-294/15, EU:C:2016:772, punt 41).
De werkingssfeer van afdeling 1 van verordening nr. 2201/2003, met als opschrift ‘Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk’, die is opgenomen in hoofdstuk II van die verordening, wordt krachtens de artikelen 6 en 7 van die verordening afgebakend door de ‘gewone verblijfplaats’ van de betrokken echtgenoot op het grondgebied van een lidstaat, dan wel door diens nationaliteit. Later kom ik terug op de gevolgen van deze afbakening voor het hoofdgeding. Zie punten 98 en 129 van deze conclusie.
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ is ook opgenomen in de artikelen 9 tot en met 13, 15, 18, 29, 33, 42, 51, 57, 61 en 66 van verordening nr. 2201/2003.
Zie in die zin Borrás, A., ‘Article 3’, Brussels II bis Regulation, European Commentaries on Private International Law, Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), Sellier European Law Publishers, 2012, blz. 90, punt 8.
In dit verband zij opgemerkt dat het ontbreken van een definitie van dit begrip in het algemeen zijn oorsprong vindt in de traditie van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht. Een dergelijke definitie ‘zou namelijk afbreuk hebben kunnen doen aan de toepassing van de bestaande overeenkomsten die ook gebruikmaken van dit begrip’. Zie in dit verband Lagarde, P., Toelichtend rapport bij het Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (tekst aangenomen door de achttiende zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, in zowel het Frans als het Engels te raadplegen op het internetadres: http://www.hcch.net/upload/expl34.pdf) (hierna: ‘rapport van Lagarde’). Actes et documents de la dix-huitième session de la Conférence de La Haye de droit international privé, 1996, deel II, blz. 552, punt 40. Zie voor de relevantie van het rapport van Lagarde voor de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 met name overweging 3 van die verordening. Wat meer bepaald verordening nr. 2201/2003 betreft, zie het verslag van Borrás, blz. 38, punt 32.
Zie over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een kind arresten van 2 april 2009, A (C-523/07, EU:C:2009:225, punt 31), en 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 50). Zie over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een zuigeling arresten van 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 44–46); 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 40), en 28 juni 2018, HR (C-512/17, EU:C:2018:513, punt 40; hierna: ‘arrest HR’). In mijn analyse van de derde prejudiciële vraag zal ik op deze rechtspraak terugkomen.
Arrest IB (punt 38).
Zie met name arrest IB (punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest IB (punt 40). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Scheiding) (C-289/20, EU:C:2021:561). Zie in dit verband artikel 66, onder a), van verordening nr. 2201/2003.
Zie punten 43 en 44 van deze conclusie.
Zie punt 69 van deze conclusie. Later kom ik op dit artikel terug.
Zie in die zin arresten van 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 44 en 51), en recenter arrest IB (punt 41).
Zie met name arrest HR (punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Uit dit verslag blijkt dat er ‘in het bijzonder rekening [is] gehouden met de definitie die het Hof van Justitie bij diverse gelegenheden heeft gegeven, weliswaar niet in verband met het [Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (ondertekend op 27 september 1968) (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: ‘Verdrag van Brussel van 1968’)], en die als volgt luidt: ‘de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn’’, verslag van Borrás, blz. 38, punt 32.
Zie punt 33 van deze conclusie.
Arrest IB (punt 44). Zie ook overweging 1 van verordening nr. 2201/2003 en het verslag van Borrás, blz. 36, punt 27.
Zie in die zin arrest HR (punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest IB (punt 56).
Arresten IB (punt 56), en van 13 oktober 2016, Mikołajczyk (C-294/15, EU:C:2016:772, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten IB (punt 46), en van 13 oktober 2016, Mikołajczyk (C-294/15, EU:C:2016:772, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest IB (punt 46). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Scheiding) (C-289/20, EU:C:2021:561, punt 94): ‘[T]elkens wanneer een partij stelt dat zij twee of meer gewone verblijfplaatsen heeft, zou moeten worden nagegaan of het bij al deze verblijfplaatsen daadwerkelijk om een gewone verblijfplaats gaat. Per slot van rekening zou dit het risico doen toenemen dat een ‘eenvoudige’ verblijfplaats (en niet de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2201/2003) uiteindelijk de internationale rechterlijke bevoegdheid bepaalt.’
Arrest IB (punt 51).
Zie in die zin arrest HR (punten 44–46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Wat de gewone verblijfplaats van een zuigeling betreft, zie arrest HR (punt 66). In het bijzonder wordt in het rapport van Lagarde beklemtoond dat de tijdelijke afwezigheid van het kind uit zijn gewone verblijfplaats wegens vakantie in beginsel geen wijziging brengt in zijn gewone verblijfplaats.
In dit verband licht de Commissie toe dat functies bij de delegaties zeer gewild zijn en dat bij de vaststelling van het besluit over detacheringen rekening wordt gehouden met de wensen van de gedetacheerden.
Ik herinner eraan dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de echtgenoten in de periode tussen augustus 2010 en februari 2015 in Guinee-Bissau hebben gewoond.
Zie in dit verband voetnoot 36 en punt 48 van deze conclusie.
Zie in die zin arrest HR (punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie voor de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder a), vijfde en zesde streepje, van verordening nr. 2201/2003, conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak IB (Gewone verblijfplaats van een echtgenoot — Scheiding) (C-289/20, EU:C:2021:561, punt 66).
Dit geldt niet voor een beroepsmatig verblijf in een derde staat voor werkzaamheden van artsen of verpleegkundigen in het kader van specifieke missies van humanitaire organisaties of van militairen in het kader van bepaalde soorten missies.
Krachtens verordening nr. 2201/2003 kan alleen worden bepaald of de gewone verblijfplaats zich al dan niet op het grondgebied van een lidstaat bevindt.
Artikel 1 van verordening nr. 4/2009 bepaalt dat deze ‘van toepassing [is] op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap’. Zie ook overweging 11 van deze verordening.
Opgemerkt zij dat verordening nr. 4/2009 de toepasselijkheid van de bevoegdheidsregels niet bindt aan de voorwaarde dat de verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft. Zie overweging 15 van verordening nr. 4/2009: ‘[…] Het feit dat de verweerder zijn gewone verblijfplaats in een derde staat heeft, mag niet langer een reden zijn om de toepassing van communautaire bevoegdheidsregels uit te sluiten, en er dient geen enkele verwijzing naar de bevoegdheidsregels van het nationale recht meer te worden opgenomen. In deze verordening dient dus te worden bepaald in welke gevallen een gerecht van [een] lidstaat een subsidiaire bevoegdheid kan uitoefenen.’
Benadrukt zij dat bij echtscheiding de gewone verblijfplaats van de echtgenoten, van een van beide echtgenoten of van de verweerder moet worden vastgesteld, dat voor ouderlijke verantwoordelijkheid de gewone verblijfplaats van de ouders en/of van de kinderen moet worden vastgesteld en dat voor onderhoudsverplichtingen de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde of van de verweerder moet worden vastgesteld.
Arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber (C-400/13 en C-408/13, EU:C:2014:2461, punten 26–29).
In de overwegingen 22, 25, 31, 33, 35 en 45 van verordening nr. 4/2009 wordt de doelstelling bevestigd om een (snelle en efficiënte) inning van onderhoudsvorderingen in grensoverschrijdende gevallen te waarborgen en derhalve het vrije verkeer van personen binnen de Unie te vergemakkelijken.
Zie punt 50 van deze conclusie.
Voor de overeenstemming tussen het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in verordening nr. 4/2009 en dat in de artikelen 3 (betreffende volwassenen) en 7 (betreffende kinderen) van verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB 2019, L 178, blz. 1), zie Hess, B., ‘Towards a Uniform Concept of Habitual Residence in European Procedural and Private International Law?’, Polski Proces Cywilny, nr. 4, 2021, blz. 523–542, in het bijzonder blz. 528.
Tekst aangenomen door de eenentwintigste zitting van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht (hierna: ‘verslag van Bonomi’).
Zie Wouters, J., en Duquet, S., ‘The EU and International Diplomatic Law: New Horizons?’, The Hague Journal of Diplomacy, deel 7, nr. 1, 2012, blz. 31–49, in het bijzonder blz. 44. Volgens deze auteurs ‘is het diplomatieke netwerk van de [Unie] door middel van specifieke overeenkomsten met het gastland onderworpen aan het Verdrag van Wenen. De meeste staten hebben aanvaard dat de delegaties van de [Unie], hun personeel en hun bezittingen op basis hiervan voorrechten en immuniteiten genieten. De specifieke bepalingen en rechtskaders kunnen echter verschillen naargelang van de betrokken partij’.
Verduidelijkt zij dat het gaat om de gewone verblijfplaats van verschillende personen, in casu die van de echtgenoten, die van de vader of de moeder en die van de onderhoudsgerechtigde.
Zie over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een kind arresten van 2 april 2009, A (C-523/07, EU:C:2009:225, punt 34 en 35), en 9 oktober 2014, C (C-376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 50). Zie over het begrip ‘gewone verblijfplaats’ van een zuigeling arresten van 22 december 2010, Mercredi (C-497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 44–46), en 8 juni 2017, OL (C-111/17 PPU, EU:C:2017:436, punt 40), alsook arrest HR (punt 40).
Zie in die zin arrest HR (punt 41).
Zie met name arrest van 15 februari 2017, W en V (C-499/15, EU:C:2017:118, punt 61).
Zie in die zin arrest HR (punt 41). Naar mijn mening blijkt uit het gebruik door het Hof van de woorden ‘een zekere integratie’ dat deze integratie niet volledig of totaal hoeft te zijn. Zie in die zin ook arrest IB.
Zie in die zin arrest HR (punt 42).
Indien deze factoren, zoals in casu, in een derde staat zijn geconcentreerd, kan de verwijzende rechter op grond van verordening nr. 2201/2003 niet vaststellen dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in deze staat hebben, maar veeleer dat deze gewone verblijfplaats zich niet in een lidstaat bevindt.
Arrest HR (punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest HR (punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin met name arrest HR (punten 52–54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De uitlegging die de Spaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen bepleit, lijkt hiermee in overeenstemming te zijn. Zie punt 80 van deze conclusie.
Opgemerkt zij dat in verordening 2019/1111 de regels inzake internationale bevoegdheid in huwelijkszaken, afgezien van enkele voornamelijk formele wijzigingen, niet zijn gewijzigd. De Uniewetgever heeft dus het systeem van residuele bevoegdheid van de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2201/2003, dat nu is opgenomen in artikel 6 van verordening 2019/1111, gehandhaafd. In artikel 104 van verordening 2019/1111 is immers bepaald dat behoudens artikel 100, lid 2, van die verordening, verordening nr. 2201/2003 met ingang van 1 augustus 2022 wordt ingetrokken.
De complexiteit van de verhouding tussen de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2201/2003 is in de literatuur veelvuldig bekritiseerd. Zie met name Borrás, A., ‘Article 6’, op. cit., blz. 98, punt 2. In dit verband zij erop gewezen dat de Commissie in het voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van verordening nr. 2201/2003 wat de bevoegdheid betreft en tot invoeging van regels inzake toepasselijk recht in huwelijkszaken, van 17 juli 2006 [COM(2006) 399 definitief, blz. 9] had voorgesteld om artikel 6 te schrappen: ‘De openbare raadpleging bracht aan het licht dat deze bepaling verwarring kan doen ontstaan. Ze is ook overbodig aangezien de artikelen 3, 4 en 5 de omstandigheden beschrijven waarin een rechter exclusief bevoegd is wanneer een echtgenoot zijn of haar gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft […].’
Volgens de Commissie verwijst ‘artikel 7 [van verordening nr. 2201/2003] […] momenteel naar de nationale regels over internationale bevoegdheid in situaties waarin de echtgenoten niet hun gewone verblijfplaats hebben in een lidstaat en niet dezelfde nationaliteit hebben’ (zie COM(2006) 399 definitief, blz. 9).
Arrest van 29 november 2007, Sundelind Lopez (C-68/07, EU:C:2007:740, punt 26). Volgens het Hof moet bij de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 2201/2003 ook rekening worden gehouden met de overwegingen 4 en 8 van verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB 2000, L 160, blz. 19), waarvan de bepalingen betreffende de bevoegdheid om uitspraak te doen over echtscheidingskwesties in wezen in verordening nr. 2201/2003 zijn overgenomen. Zie in dit verband ook Ní Shúilleabháin, M., Cross-Border Divorce Law. Bruxelles II bis, Oxford Private International Law Series, 2010, blz. 30, punt 1.43.
In overweging 2 van verordening nr. 2201/2003 wordt benadrukt dat deze wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen ‘de hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte vormt’. Zie ook overweging 23 van die verordening; conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, punt 34, beschikbaar op: http://www.europarl.europa.eu/summits/tam_nl.htm, en werkdocument van de Commissie ‘Wederzijdse erkenning van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid’, COM(2001) 166 definitief, blz. 3.
Arrest van 29 november 2007 (C-68/07, EU:C:2007:740).
Arrest van 29 november 2007, Sundelind Lopez (C-68/07, EU:C:2007:740, punt 22).
Zie Ní Shúilleabháin, M., op. cit., blz. 157, punt 4.33. Zie ook Kruger, T., en Samyn, L., ‘Brussels II bis: successes and suggested improvements’, Journal of Private International Law, 2016, blz. 1–37, in het bijzonder blz. 8, en Campiglio, C., ‘Conflitti positivi e negativi di giurisdizione in materia matrimoniale’, Rivista di diritto internazionale privato e processuale, nr. 3, 2021, blz. 497–532, in het bijzonder blz. 522.
Pataut, É., ‘Codifier le divorce international: Quelques remarques sur le projet GEDIP’, AUC IURIDICA, nr. 66, 2020, blz. 95–115, in het bijzonder blz. 103.
Zie punt 129 van deze conclusie. In dit verband zij opgemerkt dat er in de rechtsleer een debat gaande is over de vraag of de residuele bevoegdheden van verordening nr. 2201/2003 moeten worden gehandhaafd en of daarvoor geen ‘uniforme’ bevoegdheden in de plaats moeten komen. Zie met name Bonomi, A., ‘La compétence internationale en matière de divorce. Quelques suggestions pour une (improbable) révision du règlement Bruxelles II bis’, Revue critique de droit international privé, deel 4, nr. 4, 2017, blz. 511–534, met name blz. 522 e.v., en Pataut, É., op. cit., blz. 104 e.v.
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 29 november 2007, Sundelind Lopez (C-68/07, EU:C:2007:740), woonde verzoekster in een andere lidstaat dan die waarvan zij onderdaan was. Zoals in de literatuur is vastgesteld, doet zich daarentegen een probleem voor wanneer een van de echtgenoten de nationaliteit van een lidstaat heeft en beide echtgenoten in een derde staat verblijven, aangezien sommige lidstaten in hun interne rechtsorde niet beschikken over een bevoegdheid die gelet op artikel 3 van verordening nr. 2201/2003 als ‘residueel’ kan worden aangemerkt. Zie verslag van Borrás, punt 47. Zie ook Borrás, A., ‘Article 6’, op. cit., blz. 102, punt 13.
Arrest van 17 oktober 2018, UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:835, punt 57).
Arrest van 17 oktober 2018, UD (C-393/18 PPU, EU:C:2018:835, punt 66).
Zie Pataut, É., ‘Articles 10–15’, Brussels II bis Regulation, European Commentaries on Private International Law, Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), Sellier European Law Publishers, 2012, artikel 14, blz. 162, punt 4.
Zie, Bonomi, A., op. cit., in het bijzonder blz. 514.
Wat artikel 12, lid 3, van verordening nr. 2201/2003 betreft, zijn sommige auteurs van mening dat met een flexibele en ruime uitlegging van deze bepaling ook de werking wordt geëerbiedigd van artikel 15 van deze verordening, dat voorziet in de verwijzing naar het gerecht dat het best in staat is de zaak te behandelen. Zie Pataut, É., ‘Articles 10–15’, op. cit., blz. 157, punt 53. Andere auteurs zijn echter een andere mening toegedaan. Zo stellen Ancel, B., en Muir Watt, H., dat ‘de prorogatie waarin die bepaling voorziet, het mechanisme van overdracht van bevoegdheid aan een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen, dat in artikel 15 van de verordening uit het Verdrag van 1996 is overgenomen, overbodig zou maken. In die omstandigheden is het redelijker om vast te houden aan een minimale uitlegging waarin artikel 12, lid 3, slechts als een aanpassing van artikel 3, lid 2, van de Brussel II-verordening aan het nieuwe bevoegdheidsstelsel wordt beschouwd en waarin de bevoegdheid dus slechts kan worden uitgebreid ten gunste van gerechten van de lidstaat waar op basis van een residuele bevoegdheid een scheidingsprocedure wordt gevoerd (artikel 7 van de verordening: bevoegdheden die voortvloeien uit het gemene internationale privaatrecht)’. Ancel, B. en Muir Watt, H., ‘Aliments sans frontières. Le règlement CE no 4/2009 du 18 décembre 2008 relatif à la compétence, la loi applicable, la reconnaissance et l'exécution des décisions et la coopération en matière d'obligations alimentaires’, Revue critique de droit international privé, nr. 3, 2010, blz. 457–484, in het bijzonder blz. 476, punt 18.
Arresten van 12 november 2014, L (C-656/13, EU:C:2014:2364, punt 39), en 6 oktober 2015, Matoušková (C-404/14, EU:C:2015:653, punt 36). In echtscheidingszaken is de keuze van de rechter echter niet toegestaan.
Zie Franzina, P., ‘Forum Necessitatis’, Planning the Future of Cross Border Families: A Path Through Coordination, Studies in Private International Law, Viarengo, I., en Villata, F. C., (red.), Oxford, Hart Publishing, 2020, blz. 325–330, in het bijzonder blz. 326.
Arrest van 16 juli 2015 (C-184/14, EU:C:2015:479).
Arrest van 16 juli 2015, A (C-184/14, EU:C:2015:479, punten 47 en 48).
Met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn de Spaanse gerechten met name bevoegd ‘wanneer verzoeker de Spaanse nationaliteit heeft’.
Volgens de verwijzende rechter zijn de Spaanse gerechten krachtens artikel 22 quater, onder d), LOPJ echter niet bevoegd om kennis te nemen van echtscheiding.
Ook al heeft, zoals ik in mijn conclusie in de zaak R (Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en onderhoudsverplichtingen) (C-468/18, EU:C:2019:649, punt 72), heb aangegeven, het feit dat het verzoek inzake de onderhoudsverplichting een nevenverzoek is bij een verzoek inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 3, onder d), van verordening nr. 4/2009, niet tot gevolg dat de bevoegdheid van het gerecht van een lidstaat die is gegrond op artikel 3, onder a), of, indien dit niet van toepassing is, op grond van artikel 5 van die verordening, wordt uitgesloten.
‘[…] tenzij deze bevoegdheden uitsluitend op de nationaliteit van een van de partijen berusten.’
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet dat partijen in het hoofdgeding de rechter hebben gekozen (artikel 4) of dat verweerder vrijwillig is verschenen om een andere reden dan de betwisting van de bevoegdheid van het aangezochte gerecht (artikel 5). Ik herinner er echter aan dat artikel 4 van verordening nr. 4/2009 krachtens lid 3 ervan niet van toepassing is op geschillen betreffende een onderhoudsverplichting jegens een kind dat jonger is dan 18 jaar.
Artikel 6 van verordening nr. 4/2009 voorziet in subsidiaire bevoegdheid op basis van de gemeenschappelijke nationaliteit van de partijen.
Sommige rechtsgeleerden wijzen er echter op dat het niet zeker is dat de situatie waarin ‘in een derde staat redelijkerwijs geen procedure aanhangig kan worden gemaakt of gevoerd, of een procedure daar onmogelijk blijkt’ andere dan strikt procedurele belemmeringen voor het verkrijgen van een onderhoudsbijdrage omvat. Zie Ancel, B., en Muir Watt, H., op. cit., in het bijzonder blz. 483.
Met name wanneer er een hoge waarborgsom dient te worden betaald.
Met name bij overstromingen of andere natuurrampen.
Bijvoorbeeld wanneer het gevaar bestaat van rechtsweigering op grond van seksuele geaardheid, godsdienst of ras, of wanneer de betrokken rechtbanken om onaanvaardbaar en discriminerend bewijsmateriaal verzoeken.
Lagarde, P., ‘Le for de nécessité dans les règlements européens’, Europa als Rechts- und Lebensraum: Liber Amicorum für Christian Kohler zum 75. Geburtstag am 18. Juni 2018, Kohler, C, Hess, B, Jayme E., Mansel, H.P., red., Bielefeld, 2018, blz. 255–267, in het bijzonder blz. 262.
Zie in dit verband met betrekking tot erfopvolgingen mijn conclusie in de zaak RK (Onbevoegdverklaring) (C-422/20, EU:C:2021:565, punt 60 en voetnoot 35).
Gewoonlijk een van de ouders als vertegenwoordiger van de onderhoudsgerechtigde, maar ook een openbaar lichaam dat van rechtswege is gesubrogeerd in de onderhoudsvordering. Zie arrest van 17 september 2020, Landkreis Harburg (Subrogatie van een openbaar lichaam in de rechten van de onderhoudsgerechtigde) (C-540/19, EU:C:2020:732).
Franzina, P., ‘Forum Necessitatis’, op. cit. blz. 327.
C-83/17, EU:C:2018:46, punt 53.
Zie in dit verband met name Ancel, B., en Muir Watt, H., op. cit. blz. 483.
Arrest van 16 juli 2015, A (C-184/14, EU:C:2015:479, punt 46).
Zie punt 23 van deze conclusie.
Zelfs indien het verzoek om een onderhoudsbijdrage formeel door de onderhoudsgerechtigde wordt ingediend, wordt het geacht te zijn ingediend door de moeder (als vertegenwoordigster van haar kinderen). Zie verslag van het Comité pour l'élimination de la discrimination à l'égard des femmes (comité voor bestrijding van discriminatie jegens vrouwen): ‘Observations finales concernant les sixième et septième rapports périodiques du Togo’ (Slotopmerkingen over het zesde en het zevende periodieke verslag inzake Togo), door het comité aangenomen tijdens zijn 53e vergadering (1–19oktober 2012), blz. 3, te raadplegen op het internetadres: https://tbinternet.ohchr.org/_layouts/15/treatybodyexternal/Download.aspx?symbolno=CEDAW/C/TGO/CO/6–7&Lang=En: ‘Het Comité is bezorgd over het feit dat vrouwen niet daadwerkelijk toegang hebben tot de rechter en door de vele factoren die aan deze situatie ten grondslag liggen, zoals […] [met name] de stigmatisering van vrouwen die een rechtszaak inleiden.’
Zie met name arrest van 7 november 2019, UNESA e.a. (C-80/18—C-83/18, EU:C:2019:934, punt 37), en beschikking van 15 januari 2020, Corporate Commercial Bank (C-647/18, niet gepubliceerd, EU:C:2020:13, punt 38).
Zie Szpunar, M., en Pacula, K., ‘Forum of necessity in family matters within the framework of EU and international law’, Polski Proces Cywilny, nr. 4, 2021, blz. 563–592, in het bijzonder blz. 584, alsook de aldaar in voetnoot 99 aangehaalde auteurs.
Zie in dit verband Fernández Arroyo, D. P., ‘Compétence exclusive et compétence exorbitante dans les relations privées internationales’, Recueil des cours, deel 323, Académie de droit international de La Haye, 2006, blz. 11-259, in het bijzonder blz. 75 en 76: ‘[…] De voornaamste doelstelling van het forum necessitatis lijkt er niet in gelegen om de interventie van gerechten in zaken waarin zij niet bevoegd zijn, te rechtvaardigen, maar om het fundamentele recht op toegang tot de rechter te waarborgen.’