NJB 2025/2020
Hoofdelijke betalingsverplichting bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, art. 36e lid 7 Sr: als de rechter toepassing geeft aan art. 36e lid 3 Sr is oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting niet mogelijk, omdat art. 36e lid 7 Sr die mogelijkheid beperkt tot een betalingsverplichting die haar grondslag vindt in een vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van art. 36e leden 1 en 2 Sr.
HR 01-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:954
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
1 juli 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/02746 P
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:954, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:467, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
- Wetingang
(art. 36e Sr)
Essentie
Hoofdelijke betalingsverplichting bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, art. 36e lid 7 Sr: als de rechter toepassing geeft aan art. 36e lid 3 Sr is oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting niet mogelijk, omdat art. 36e lid 7 Sr die mogelijkheid beperkt tot een betalingsverplichting die haar grondslag vindt in een vaststelling van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van art. 36e leden 1 en 2 Sr.
Uitspraak
Inleiding
Ontnemingsprocedure. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank – waarin art. 36e lid 3 Sr ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.