De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.1:1 Inleiding
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.1
1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948285:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 10 zal worden ingegaan op de vraag in hoeverre dergelijk liquide vermogen in het licht van het girale betalingsverkeer buiten de huwelijksgemeenschap blijft.
Zie paragraaf 2 van hoofdstuk 6.
Zie HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
383. In dit hoofdstuk staat de regeling van zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht centraal. Vermogen staat niet stil. Als eenmaal vaststaat dat een bepaald goed tot het privévermogen van een echtgenoot is gaan behoren omdat het krachtens erfrechtelijke titel of schenking is verkregen, bestaat de kans dat in de loop van het huwelijk dat goed wordt vervangen door een ander goed. Een voor de hand liggend voorbeeld is het geval waarin een echtgenoot een goed koopt, waarbij hij de koopprijs betaalt met liquide middelen die hij krachtens erfrechtelijke titel of schenking heeft verkregen.1 De vraag is of dat vervangende goed dan ook weer tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot gaat behoren, of dat dit in de huwelijksgemeenschap valt. Het antwoord op deze vraag wordt bepaald door de regels van zaaksvervanging.
384. Voor de wettelijke gemeenschap van goederen is de basis voor de regeling van zaaksvervanging gelegen in artikel 1:95 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt:
“Een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen. Voor zover de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot een vergoeding aan de gemeenschap. Het beloop van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid.”
Daarbij geldt artikel 1:95 lid 1 BW voor zowel de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen als voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen; bij invoering van de Wet beperking gemeenschap van goederen is artikel 1:95 lid 1 BW ongewijzigd gebleven.2 Hetgeen in dit hoofdstuk over de werking van artikel 1:95 lid 1 BW wordt opgemerkt geldt dus zowel voor de beperktewettelijke gemeenschap van goederen als voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. Artikel 1:95 lid 1 BW is niet de enige regeling van zaaksvervanging die voor de huwelijksgemeenschap geldt. Artikel 1:94 lid 6 BW bevat ook een aantal ‘aanvullende’ regels van zaaksvervanging. Dat artikel bepaalt:
“Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.”
Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen bepaalt artikel 1:94 lid 4 oud BW precies hetzelfde. Ook hier geldt dus dat wat in dit hoofdstuk over de ‘aanvullende’ regels van zaaksvervanging wordt opgemerkt voor zowel de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen als voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen geldt.
385. De opbouw van dit hoofdstuk is zo, dat in paragraaf 2 eerst een aantal beschouwingen wordt gewijd aan de figuur van zaaksvervanging in het algemeen. Zaaksvervanging komt namelijk op meer plaatsen in de wet voor, en om de reikwijdte van de werking van zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht goed te kunnen doorgronden is het belangrijk om eerst de kaders van zaaksvervanging in het algemeen te onderzoeken. Vervolgens zullen die algemene kaders in paragraaf 3 worden toegepast op de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW. Daarna zal in paragraaf 4 hetzelfde gebeuren voor de regeling van artikel 1:94 lid 6 en artikel 1:94 lid 4 oud BW. Daarbij zal ook telkens aandacht zijn voor die gevallen van zaaksvervanging die zich vóór 1 januari 2012 hebben voorgedaan. Deze gevallen worden niet beheerst door artikel 1:95 lid 1 BW, dan wel artikel 1:94 lid 6/artikel 1:94 lid 4 oud BW, maar door analoge toepassing van artikel 1:124 lid 2 en 3 oud BW.3 Daarbij is met name relevant of toepassing van de huidige regels van zaaksvervanging tot dezelfde uitkomsten leidt als analoge toepassing van artikel 1:124 lid 2 en 3 oud BW. Dit hoofdstuk zal worden afgesloten met een conclusie in paragraaf 5.