De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.2.4
2.4.2.4 Zakelijk of persoonlijk recht(svordering)
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383605:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 maart 1919, W. 10416 (Commissie belast met de zorg van de wegen en waterleidingen in het Ruurlosche Broek/Hofstede en Oneïdes). Bij de verdeling van gronden in 1834 was afgesproken dat de kosten van het onderhoud van wegen etc. door alle grondeigenaren zou worden betaald, naar rato van de omvang van hun perceel; de betaling was volgens de akte een last die op de grond drukte.
HR 24 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6416, NJ 1980/88, m.nt. W.H. Heemskerk, (Sunclass/Dernison).
HR 24 november 1978, NJ 1980/88, m.nt. W.H. Heemskerk die over de grondslag van de verplichting en het boetebeding opmerkte: “De door de HR opgelegde contractuele boete berust op een boetebeding in de overeenkomst van 29 mei 1971. Het Hof heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of D. reeds uit hoofde van die overeenkomst verplicht was lid te worden van de coöperatieve vereniging. Die verplichting volgde uit de Algemene Bepalingen behorende bij de akte van 13 aug. 1971. Daarin stond echter geen boetebeding. De uitlegging van de overeenkomst van 29 mei 1971 is een feitelijke kwestie. Bij deze stand van zaken konden m.i. de stellingen van eiseres de toewijzing van haar boetevordering niet rechtvaardigen.”
HR 8 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC0568, NJ 1969/11, m.nt. G.J. Scholten (Zoetermeer/Goedegebuure).
In navolging van de negentiende-eeuwse rechtspraak kwam ook na 1905 het onderscheid tussen zakelijke en persoonlijke rechten en verbintenissen en in het verlengde daarvan zakelijke en persoonlijke rechtsvorderingen aan de orde.
In een vroeg arrest over gemeenschappelijke onderhoudskosten werd overwogen dat een vordering tot betaling van die kosten een persoonlijke rechtsvordering was.1 Kenmerkend voor een zakelijk recht was dat een persoon een bepaalde macht over grond van een ander had gekregen en daarvan was geen sprake bij de omslag van gemeenschappelijke onderhoudskosten over alle grondeigenaren in een bepaald gebied. Twee eigenaren betaalden de onderhoudskosten niet aan de daartoe ingestelde Commissie en de rechtbank Zutphen verklaarde zich onbevoegd te oordelen over deze persoonlijke verbintenis uit de overeenkomst van verdeling. De vordering behoorde, mede gezien de hoogte van het bedrag, tot de competentie van de kantonrechter. Het hof Arnhem onderzocht de aard van het recht, stelde eveneens vast dat het niet om een zakelijk recht ging, ook al was de akte ingeschreven in de openbare registers, maar een persoonlijk recht en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat de overeenkomst was gesloten onder de werking van de Code Civil en dat dit geval niet onder de zakelijke rechten als opgesomd in art. 534 CC kon worden gebracht. Het hof had voldoende onderzoek gedaan en gemotiveerd geoordeeld dat in dit geval de Commissie geen bepaalde heerschappij had over het goed van de grondeigenaren zodat geen zakelijk recht, maar een persoonlijk recht was gevestigd. Het betrof in deze casus grondeigenaren en een speciaal ingestelde Onderhoudscommissie, maar in geval van erfpachters gold eenzelfde redenering.
Het verplichte lidmaatschap van een beheervereniging dat was verbonden aan het erfpachtrecht van een bungalow in een vakantiepark kwam aan de orde in een arrest uit 1978.2 Een van de erfpachters weigerde lid te worden van de vereniging, maar betaalde wel de onderhoudsbijdrage. De grondeigenaar stelde een verbintenisrechtelijke actie tot nakoming van de verplichting tot lidmaatschap in. De verplichting volgde uit de vestigingsakte en de betreffende algemene erfpachtvoorwaarden en maakte dus deel uit van de goederenrechtelijke rechtsverhouding, maar was eveneens opgenomen in de aan de vestiging voorafgaande overeenkomst. Het hof liet uitdrukkelijk in het midden of dit een verplichting uit een zakelijk recht of uit de daaraan voorafgaande overeenkomst was omdat de verplichting van de erfpachter om lid te worden van de beheervereniging tussen partijen vaststond. Hof en Hoge Raad stelden hiermee impliciet vast dat uit een zakelijk recht een verbintenis kon voortvloeien. Annotator Heemskerk ging daarin mee, maar zette wel vraagtekens bij de toewijzing van de contractuele boete nu het hof uitdrukkelijk niet vaststelde dat de erfpachter de verplichting uit de overeenkomst (waarin het boetebeding was opgenomen) niet was nagekomen.3
In een noot onder een arrest over een eeuwigdurende huurovereenkomst maakte G.J. Scholten een vergelijking met eeuwigdurende erfpacht.4 De gemeente had een stuk grond gekocht en aan de gebruiker van die grond de huur opgezegd. De gebruiker deed tevergeefs een beroep op art. 1612 OBW (‘koop breekt geen huur’) omdat deze bepaling niet van toepassing was indien de huur voor onbepaalde tijd was aangegaan. Bovendien was geen enkele beperking gesteld op de mogelijkheid van overgang van de huur op rechtsopvolgers en kon de huurovereenkomst alleen door de huurder beëindigd worden. Omdat opzegging door de grondeigenaar niet mogelijk was wezen rechtbank en hof de vordering van de gemeente af, maar de Hoge Raad casseerde omdat de overeenkomst in strijd was met de wet nu uitsluitend de huurder kon bepalen hoelang de bepaalde tijd van het huurgenot duurde. Annotator Scholten stelde vast dat op grond van literatuur en rechtspraak een altijddurende huur geen huurovereenkomst was in de zin van art. 1584 OBW. De Hoge Raad kwam niet toe aan de vraag of de overeenkomst nietig was omdat gecasseerd werd op het middel dat er geen rechtsgeldige huur tegenover de koper overeen was gekomen. Scholten wilde in beginsel geen nietigheid aannemen indien partijen een eeuwigdurende huur afspraken:
“Wij kennen immers de mogelijkheid van altoosdurende erfpacht, (…). Maar als altoosdurende erfpacht zakenrechtelijk geoorloofd is, is zij verbintenisrechtelijk, d.w.z. tussen partijen, ook geoorloofd. Dat betekent dat het verbod van altijddurende huur maar een beperkt effect kan hebben. Het effect in dat verbod zit juist in het niet gelden van art. 1612. Derhalve: eeuwigdurende huur is geldig, maar niet als huur, en juist art. 1612 is niet toepasselijk.”5
Het stond partijen vrij om een eeuwigdurend gebruiksrecht voor een stuk grond af te spreken, die afspraak kon alleen geen huurovereenkomst zijn. Het zou een soort ‘verbintenisrechtelijke’ erfpacht opleveren, wat in dit specifieke geval echter niet mogelijk was omdat de huurprijs ineens was voldaan en conversie naar erfpacht een jaarlijkse canonbetaling vereiste. Uit het feit dat een bepaalde afspraak zakenrechtelijk bij wet was geregeld, de vestiging van een eeuwigdurend gebruiksrecht op grond van een ander, leidde Scholten af dat een vergelijkbare obligatoire afspraak zeker mogelijk moest zijn. Met het belangrijke verschil dat die obligatoire afspraak niet aan rechtsopvolgers kon worden tegengeworpen, precies wat in deze zaak geprobeerd werd.
Een tussen partijen afgesproken, maar niet bij notariële akte ingeschreven, beding dat de een het eeuwigdurend gebruik van grond van de ander zou hebben, dat de gebruiker voor het onderhoud van gemeenschappelijke gronden een bijdrage verschuldigd was dan wel dat hij daartoe op straffe van een boete verplicht was lid te worden van een beheervereniging, vormden voorbeelden van persoonlijk werkende bedingen. Er kon geen zakelijke rechtsvordering voor worden ingesteld, maar de afspraken konden wel voortvloeien uit een zakelijke rechtsverhouding.