Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden
Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/7.5:7.5 DE RELATIE TUSSEN HET BESTEMMINGSPLAN EN ARTIKEL 6 HRL
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/7.5
7.5 DE RELATIE TUSSEN HET BESTEMMINGSPLAN EN ARTIKEL 6 HRL
Documentgegevens:
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS444945:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover par. 7.3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.3 zijn de mogelijkheden geanalyseerd om het bestemmingsplan te gebruiken voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. In dat kader is geconcludeerd dat het bestemmingsplan, met inbegrip van een aantal beperkingen, een geschikt instrument vormt om een gunstige staat van instandhouding voor habitats en soorten te realiseren. Dit roept wel de vraag op of het bestemmingsplan kan worden aangemerkt als een volledige implementatie van artikel 6 Hrl.
Het beschermingsregime van artikel 6 Hrl valt uiteen in positieve (artikel 6, eerste lid Hrl) en negatieve verplichtingen (artikel 6, tweede, derde en vierde lid Hrl). Het is vanwege het principe van de toelatingsplanologie niet mogelijk om positieve beheermaatregelen vast te leggen in een bestemmingsplan. Dit kan problemen veroorzaken indien het treffen van dergelijke maatregelen noodzakelijk is voor het realiseren van een gunstige staat van instandhouding van habitats of soorten. In de praktijk kan dit probleem worden opgelost met behulp van voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan. In de meeste gevallen is het voor de bescherming van habitats en soorten ook nodig om negatieve instandhoudingsmaatregelen te realiseren. Voor een belangrijk deel kan aan deze verplichting worden voldaan door het uitvoeren van een habitattoets (artikel 19j Nbw 1998) bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Dit maakt het mogelijk om activiteiten met significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied uit een bestemmingsplan te weren. Een lastige situatie ontstaat wanneer een bepaald gebruik van gronden en bouwwerken op zichzelf wel is toegestaan, maar dat om mogelijke verslechterende of significant verstorende effecten te voorkomen mitigerende maatregelen nodig zijn. De mogelijkheden om voordat doel in een bestemmingsplan regels op te nemen zijn vanwege de ‘toegevoegde waarde-leer’ (zeer) beperkt. In de praktijk moet in dergelijke situaties (mede) gebruik worden gemaakt van de vergunningplicht van artikel 19d, eerste lid Nbw 1998.1 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestemmingsplan geen volledige implementatie vormt van artikel 6 Hrl.
In de nabije toekomst wordt het bestemmingsplan vervangen door het omgevingsplan. Uitgaande van de toetsversie Omgevingswet zullen ten aanzien van de borging van negatieve instandhoudingsmaatregelen vergelijkbare problemen optreden. Hoewel de toetsversie Omgevingswet qua opzet en inhoud op fundamentele punten afwijkt van de huidige Wro, zijn er op dit moment geen aanwijzingen dat de wetgever de ‘toegevoegde-waarde-leer’ wil loslaten. Net als onder de huidige wetgeving is het reguleren van het gebruik van gronden en bouwwerken met mogelijke verslechterende of significant verstorende effecten alleen mogelijk met behulp van de vergunningplicht van artikel 19d, eerste lid Nbw 1998. In dat geval vormt het bestemmingsplan evenmin een volledige implementatie van artikel 6 Hrl.