Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.5.2
3.5.2 Eisen van het handelsverkeer
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS588780:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser-Vranken (1995) p. 77.
Wichers (2002) p. 9. Daar moet overigens direct bij worden aangetekend dat dit verlies betrekking heeft op de samenstelling van het vermogen van de oorspronkelijke eigenaar; met het tenietgaan van zijn eigendomsrecht door de toepassing van een van de genoemde rechtsfiguren verkrijgt hij mogelijk een vordering op de verkrijger uit hoofde van artikel 6:212 BW, de ongerechtvaardigde verrijking.
Snijders (2001) p. 10-11: het Burgerlijk Wetboek kent aan het belang van een vlot betalingsverkeer 'een hoge prioriteit' toe.
In de terminologie van het BW (oud).
Over de begrippen partij en derde uitvoerig Du Perron (1999) p. 37-70. 'Sommige derden staan nader tot een overeenkomst dan andere.'
Het antwoord op deze retorische vraag is uiteraard 'nee'. Ter nadere afbakening wijs ik er op dat ik de mogelijkheid van een revindicatoire aanspraak zou willen begrenzen tot de gevallen waarin er geld op de betaalrekening staat. Een systeem van tracing waarbij het zelfs mogelijk is goederen die met het geld zijn gekocht het object te laten zijn van een goederenrechtelijke aanspraak, voert (veel) te ver en is in strijd met het systeem van het burgerlijk recht. Over tracing zie onder meer Schoordijk (1991-2007) p. 19-30.
Vgl. HR 14 december 1984, NJ 1985, 288 m.nt. G. (`Floritex').
Bij de toepassing van het recht dienen de gerechtvaardigde belangen van het handelsverkeer te worden beschermd. Dit belang hangt samen met de eis van rechtszekerheid, de faciliterende taak van het burgerlijk recht van legitieme economische activiteiten en, in meer algemene zin, de hanteerbaarheid van het recht.1 De bescherming van het handelsverkeer brengt met zich mee dat de wetgever in een aantal gevallen het verlies van rechten sanctioneert. Natrekking, vermenging en zaaksvorming zijn een voorbeeld daarvan.2 De wetgever heeft in deze gevallen ervoor gekozen het individuele belang van een rechthebbende bij het behoud van zijn recht op te offeren aan het algemene belang van de rechtszekerheid voor derden en aan de eisen van het handelsverkeer.3 In het betalingsverkeer vervult die eis een prominente rol: het recht mag niet belemmerend werken bij de omloop van geld.4 Dat betekent, meer concreet, dat een accipiënt niet geconfronteerd mag worden met aanspraken op zijn geld waarop hij niet bedacht had behoeven te zijn toen hij het geld van zijn solvent aanvaardde. Om aan deze eis te voldoen, moet een aantal goederenrechtelijke aanspraken op geld die op grond van een louter causale benadering hadden kunnen worden aanvaard, bij een nadere overweging toch worden afgewezen. Ik noem enkele gevallen waarin de eis van een ongestoorde omloop van geld moet prevaleren en er dus sprake is van een overgang van vermogen ondanks de gebreken in de rechtsverhouding waarin de betaling haar grondslag vindt.
Een kenmerk van een zakelijke aanspraak is het zaaksgevolg.5 Dit betekent dat een goederenrechtelijke aanspraak ook kan worden geëffectueerd als het object daarvan zich bij een derde bevindt (de 'derde hand'). Een dergelijk droit de suite laat zich ten aanzien van geld echter nauwelijks voorstellen en de wetgever heeft de weg ten aanzien van gestolen chartaal geld door middel van artikel 3:86 lid 3 onder (b) BW zelfs expliciet afgesloten. De verklaring daarvoor is even begrijpelijk als gerechtvaardigd: niemand zal bereid zijn een som geld te aanvaarden indien hij daarmee ook het risico op zich neemt van eventuele aanspraken van derden. Als een goederenrechtelijke, revindicatoire aanspraak kan leiden tot een ernstige verstoring van het betalingsverkeer is deze uiteraard onaanvaardbaar; daarom zal in veel gevallen een revindicatoire aanspraak op een giraal tegoed van een derde moeten worden afgewezen.
Echter, indachtig het in het verbintenissenrecht tot ontwikkeling gekomen inzicht dat niet alle derden over één kam kunnen worden geschoren, kunnen hier enkele nuanceringen worden aangebracht.6 Ik maak daarvoor gebruik van het voorbeeld van de kwaliteitsrekening, waarbij twee partijen overeenkomen dat een girale betaling zal verlopen via een tussenpersoon. Deze laatste behoeft niet partij te zijn bij deze onderliggende overeenkomst (denk aan de notaris die geen partij is bij de overeenkomst tot verkoop en levering van een huis) in die zin dat hij alle daarin opgenomen voorwaarden aanvaardt. In dat opzicht is deze tussenpersoon dus een derde. Anderzijds ligt het in de rede aan te nemen dat deze derde ten minste kennis draagt van zijn betrokkenheid bij de betaling (of zelfs met één of beide partijen afzonderlijk een overeenkomst tot opdracht heeft gesloten) en dus begrijpt dat het girale geld dat op zijn geldrekening verschijnt, niet is bestemd om te gaan behoren tot zijn vermogen. De aard van de girale betaling brengt immers met zich mee dat het aanwijsbaar is (Uit de overschrijving is verricht en van wie deze afkomstig is. Dat leidt tot de vraag of ook in deze gevallen de eis van een ongestoorde geldcirculatie nu zover strekt dat, ondanks de bekendheid van de tussenpersoon met de subjectieve intenties van partijen, toch moet worden aangenomen dat het geld deel is gaan uitmaken van het vermogen van de tussenpersoon. Met andere woorden: zou het verstorend werken als wordt aangenomen dat de solvent een goederenrechtelijke aanspraak heeft behouden op het girale geld dat is komen te berusten onder de tussenpersoon?7
Ook bij de beantwoording van de vraag of een revindicatoire aanspraak op geld in de tweede hand mogelijk is, vervult het verkeersbelang een belangrijke, maar toch enigszins andere rol. Ook hier geldt de eis dat de accipiënt niet geconfronteerd mag worden met aanspraken waarop hij niet had hoeven rekenen. Dat brengt met zich mee dat er in rechte geen gevolgen kunnen worden verbonden aan de subjectieve en voor de accipiënt niet kenbare intenties van de solvent. Gesteld, bijvoorbeeld, dat de laatste een geldschuld heeft aan wederpartij X, maar het geld ter nakoming daarvan abusievelijk overmaakt aan wederpartij Y aan wie hij ook een geldschuld heeft. Dan zal de solvent niet kunnen betogen dat de betaling geen effect sorteert uitsluitend omdat hij beoogde jegens X na te komen. Ook lijkt mij dat er geen ruimte kan zijn voor goederenrechtelijke aanspraken op geld indien partijen op het moment van betaling meenden een tussen hen bestaande geldschuld na te komen, terwijl de rechtsgrond later aan deze betaling is komen te vervallen door de ontbinding daarvan of indien bleek dat deze reeds ab initio nietig was.8