NJB 2026/64:Uitlevering. Kort geding. Onmenselijke en vernederende behandeling. Detentieomstandigheden. Ontoelaatbaar novum in cassatie. De uitleveringsrechter heeft een verzochte uitlevering naar de Verenigde Staten toelaatbaar verklaard. De minister heeft besloten tot de uitlevering. In dit kort geding voert betrokkene aan dat hij het reële risico loopt dat hij zal worden gedetineerd in onmenselijke en vernederende omstandigheden. Rechtbank en hof wijzen zijn vorderingen af na toezeggingen van de Verenigde Staten. Nadat betrokkene is uitgeleverd, legt hij in cassatie een verklaring over ter onderbouwing van zijn stelling dat de Verenigde Staten de toezeggingen niet nakomen. Hoge Raad: Art. 3 EVRM moet worden gezien als een van de meest fundamentele bepalingen van het EVRM, heeft een absoluut karakter en geeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Daaruit volgt echter niet dat de Hoge Raad als cassatierechter in een civielrechtelijke procedure kan treden in een feitelijk onderzoek naar de detentieomstandigheden die betrokkene na het bestreden arrest heeft ondervonden. Aan betrokkene staan andere middelen ten dienste, zoals een (nieuwe) vordering in kort geding.