HR, 15-09-2023, nr. 22/00088
22/00088
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-09-2023
- Zaaknummer
22/00088
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1221, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑09‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2021:2960
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑09‑2023
- Vindplaatsen
V-N 2023/41.11 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2023091805
FutD 2023-2436
Uitspraak 15‑09‑2023
Inhoudsindicatie
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00088
Datum 15 september 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Duitsland, (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 november 2021, nr. 20/762 AOW1., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 19/2458) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1
Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft dat beroep afgewezen. Belanghebbende heeft het griffierecht onder protest voldaan. De Hoge Raad begrijpt de klachten aldus dat zij mede tegen de beslissing van de griffier zijn gericht.
2.2
Na kennisneming van de in cassatie overgelegde gegevens omtrent het inkomen is de Hoge Raad van oordeel dat de griffier de heffing van het griffierecht terecht heeft voortgezet.2.
2.3
Eén van de in cassatie aangevoerde klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep houdt in dat die uitspraak niet is ondertekend door de voorzitter en de griffier van de Centrale Raad van Beroep. Belanghebbende wijst er op dat op het aan hem toegezonden afschrift van de uitspraak staat vermeld “(getekend) A. van Gijzen en daaronder (getekend) R. van Doorn”, maar dat die handtekeningen op dit afschrift ontbreken.
2.4
De klacht faalt. Desgevraagd heeft de griffier van de Centrale Raad van Beroep van de ondertekende uitspraak een afschrift aan de Hoge Raad verstrekt, welk afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑09‑2023
HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354.
Beroepschrift 15‑09‑2023
Beroep in cassatie (nieuw)
[X] ./. SVB, Sociale Verzekeringsbank
I. Beslissing om te vernietigen
Vormvoorschriften
(D1)
Uitspraak Centrale Raad van Beroep van 18 november 2021 Het papier dat ik heb ontvangen voldoet niet aan de vormvoorschriften voor een rechterlijke uitspraak. Het had geen enkele handtekening of paraaf, ook niet voor ‘kopie conform ’.
[CRvB, 20/762, 2021-11-18, bijlage H02, bestand SVB4001., blz. 8|8].
(D2)
Rechterlijke uitspraken zonder handtekeningen of stempel gelden in de meeste landen niet als openbare oorkonde. Zij zijn heel gewoon ongeldig of nietig — je kan ze in ieder geval niet executeren.
(D3)
Ter illustratie hoe een rechterlijke oorkonde er geloofwaardig uit kan zien moge de beslissing van de rechtbank van Amsterdam dienen. [RBAMS, 19-2458, 2020-01-10, bijlage H03, bestand SVB326, blz. 4|42.]. Je ziet duidelijk dat de griffier en de voorzitter werkelijk hebben onderschreven, en de griffier heeft de kopie gewaarmerkt.
Wettelijke rechter
Rechtspraak
(D4)
Commissie vs. Polen, 2021-07-15, C-791/19, Randnummer 5, blz. 4|42
‘Titel VI van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) heeft als opschrift ‘Rechtspleging’ en bevat onder andere artikel 47 (‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht’) dat als volgt is verwoord:
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. […] […]’
[Curia, 2021-07-15, C-791/19, ECLI:EU:C:2021:596, Randnummer 5, blz. 4|42]
Brief van 2 november 2021 — Afwijzingen door griffie
(D5)
De beslissingen van de Centrale Raad van 2 november 2021 zijn genomen door personen die daartoe niet waren aangewezen volgens de wet [CRvB, 20/762, 2021-11-02, bijlage H01, bestand SVB3883.]. De procesregeling bestuurscolleges 2014, artikelen 19. 20, en 23 mag op grond van de toepassingsvoorrang van het Unierecht en het EVRM niet worden aangezien als een wet die rechters bepaalt. Medewerkers van de griffie zijn geen rechters. Delegatie van wezenlijke rechterlijke taken aan medewerkers van de griffie wordt verboden door de toepassingsvoorrang van het Unierecht en het EVRM.
(D6)
Afwijzing van het recht op inzage der stukken is een fundamentele rechtsprekende functie. In Zwitserland en Duitsland beslist de voorzitter over de afwijzing in een beschikking met motivering en rechtsmiddel
(D7)
Anders is dit bij de Centrale Raad. Een griffier beslist over de afwijzing — geen rechter. Het verzoek om inzage der stukken moet gemotiveerd zijn.
‘Aan uw verzoek om de toezending van het proces-verbaal van de zitting kan ik niet voldoen, want de griffier maakte hiervan alleen notities voor intern gebruik. Die verwerkt de griffier alleen tot een proces-verbaal als u daarbij een aantoonbaar belang heeft. Daarvan is niet gebleken.
Met vriendelijke groet,
[CVRB, 20/762, bijlage H01, bestand SVB3883]
(D8)
De griffier (?) die de afwijzing ondertekende ([A]), is niet de griffier van de uitspraak (R. van Doorn).
Bezetting Centrale Raad op 7 oktober 2021 — mondelinge zitting
(D9)
Het hoe en waarom van de bezetting van de rechtbank is niet verifieerbaar. In de beslissing van de Centrale Raad staat nergens, wie voor de Centrale Raad heeft deelgenomen aan de mondelinge behandeling. In de uitnodiging (brief) van de griffie van 13 september 2021 wordt een rechter Fortuin genoemd, die in de beslissing ontbreekt. Rechter Van der Kade ontbreekt in de uitnodiging maar staat in de beslissing. De juridische ondersteuning (?) had wel een eigen tafel, maar staat niet in de uitnodiging en ook niet in de beslissing. [CVRB, 20/762, uitnodiging, 2021-09-13, bijlage H10, bestand SVB3554.]
(D10)
Het Bestuursreglement en Regeling Zaakstoebedeling van de Centrale Raad, bijlage, Art. 7:
‘Artikel 7. Bekendmaking namen
- 1 .
In de kennisgeving voor de zitting worden de namen van de raadsheren die de zaak behandelen bekend gemaakt. Wanneer een zaak niet op zitting wordt behandeld, dan volgt een brief waarmee de sluiting van het onderzoek en de namen van de behandelende raadsheren worden medegedeeld. Na deze bekendmaking vindt wisseling van de behandelende raadsheren slechts plaats na mededeling daarvan, en onder opgave van de reden voor wisseling, aan partijen.’
[CVRB, 2020-05-29, Bestuursreglement en Regeling Zaakstoebedeling van de Centrale Raad van Beroep, Staatscourant Nr. 28685, 29 mei 2020]
(D11)
Zou er automatisch een proces-verbaal zijn opgemaakt en verzonden, dan zouden wij nu bewijs in de hand hebben, welke rechters gepland waren en welke rechters er feitelijk waren, en of er redenen werden aangegeven bij een wisseling.
(D12)
Dit verzuim moet de Centrale Raad worden toegerekend, en dus moet de hele procedure bij de Centrale Raad als nietig worden aangezien.
(D13)
Het idee van de procesregeling bestuurscolleges 2014, datje het verzoek om inzage moet motiveren, is voor mij een schending (van art. 41 en 47) van het Handvest van de Unie en van artikel 11 van het Verdrag over het Vrije Verkeer tussen de EU en Zwitserland. Datje de bezetting van het rechterlijke college als buitenstaander niet of nauwelijks vooraf of achteraf kunt verifiëren, maakt een slechte indruk. Wie zijn eigenlijk de rechters voor de internationale kamer van de Centrale Raad?
Verzoek om heropening onderzoek
(D14)
Bij het verzoek om heropening [bijlage H115.]is een afwijzing gedaan door de griffie [bijlage H013.], zonder deugdelijke motivering en zonder rechtsmiddel. Een beslissing wordt heropend door de hele kamer. Indien de hele kamer een verzoek om heropening niet voor de neus krijgt, wordt de beslissing over een heropening weggenomen van de wettelijke rechter. In Duitsland en Zwitserland spreekt men wel over rechtsverijdeling (‘Rechtsvereitlung ‘) wanneer de wettige rechter zijn werk niet kan doen omdat hij zijn stukken niet voor de neus krijgt.
Wanneer de rechtsverijdeling voet op een bepaalde interpretatie van de procesregeling bestuurscolleges 2014, art. 19 en 20, dan schendt de Centrale Raad door de toepassing van procesregeling het rechtsstaatsbeginsel van de Unie (arrest Simmenthal randnummer 22): …
- ‘22.
dat derhalve met de vereisten welke in die eigen aard van het gemeenschapsrecht besloten liggen onverenigbaar is elke bepaling van een nationale rechtsorde of enige wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden de uitwerking van het gemeenschapsrecht te verminderen doordat aan de inzake de toepassing van dit recht bevoegde rechter de macht wordt ontzegd aanstonds bij deze toepassing al het nodige te doen voor de terzijdestelling van de nationale wettelijke bepalingen die eventueel in de weg staan aan de volle werking van de gemeenschapsregels.’
(D15)
Het procesreglement bestuursrecht 2017 legt in artikel 2.16 (2) de verantwoording voor de heropening bij de bestuursrechter, die de beslissing daarover bekend maakt. Dus niet bij de griffier.
ii. Verzoek om mondelinge, openbare behandeling
Ik verzoek om een geluidsopname van de mondelinge zitting en een kopie daarvan voor mij. Zonee, verzoek ik om toestemming, zelf een geluidsopname te maken.
(D16)
Bij de mondelinge behandeling bij de Centrale Raad van Beroep heb ik de indruk gekregen, dat een burger die geen geld heeft voor een advocaat, ‘erg slechte kaarten’ heeft.
Maar door de mondelinge behandeling heeft de burger de kans zijn positie te verbeteren tot die van iemand die alleen maar ‘slechte kaarten’ heeft.
Proces-verbaal
(D17)
Het proces-verbaal veronderstelt een mondelinge behandeling. Het nut van een proces-verbaal en het nut van een mondelinge behandeling behandel ik daarom tezamen.
Rechtsvergelijking
(D18)
Het verzoek om inzage der stukken hoeft in Zwitserland en Duitsland niet te worden gemotiveerd. De beoordeling, wat relevant is in de acte is zaak van de partij en zijn raadsman. Een motiveringsplicht wordt in Duitsland en Zwitserland gezien als ernstige inbreuk op de partijrechten. Het procesverbaal van de zitting geldt als sleuteldocument voor de geldigheid der mondelinge behandeling.
(D19)
Waarom een proces-verbaal van een mondelinge behandeling? Het proces-verbaal van de zitting is bewijsmiddel bij de vraag, wie überhaupt heeft deelgenomen aan de zitting. Bij de vraag naar de wettelijke rechter is dat belangrijk. Indien een aangekondigde wettelijke rechter niet meedoet, en een andere rechter wel, dan staat dat in het proces-verbaal, met redenen omkleed.
(D20)
Het proces-verbaal wordt in Duitsland meestal aan het einde van de zitting voorgelezen en iedereen geeft zijn ‘ok’ of zijn veranderingswensen. In Zwitserland wordt het buiten de zitting opgesteld, ondertekend, en komt in het dossier. Het proces-verbaal is bewijsmiddel over dingen die gezegd of gedaan werden, en door wie. Zonder geldig proces-verbaal is de mondelinge behandeling niet geldig en de hele procedure moet opnieuw worden doorgevoerd.
Jurisprudentie Nederland
(D21)
De Advocaat-Generaal van de Hoge Raad meent:
‘Het proces-verbaal van het verhandelde ter mondelinge behandeling speelt een belangrijke rol bij de beantwoording van de vraag of er aanleiding bestaat om beroep in cassatie in te stellen… ’
[ECLI:NL:PHR:2015:2276, 2015-09-25, rov 2.4.4, Parket Hoge Raad]
(D22)
De Hoge Raad gaat verder:
‘…de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een procesverbaal kan betrekken bij zijn beslissing of en, zo ja, op welke gronden hij een rechtsmiddel zal instellen. Dit brengt mee dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel. Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient dan ook onverwijld te worden voldaan.’
[Hoge Raad, 2015-11-20, 15/03543, ECLI:NL:HR:2015:3336, rov 3.3.1]
Proces-verbaal Centrale Raad 2021-10-07 20/762 ontbreekt
(D23)
Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de voorzittende rechter van de Centrale Raad gezegd, dat alle leden van het gerecht de aktes hadden doorgewerkt en kenden. Dit bleek niet waar te zijn.
(D24)
Bij meerdere themata was het duidelijk in de mondelinge behandeling bij de Centrale Raad, dat tenminste één rechter erg verbaasd was over de inhoud van de akten, de lijn van de SVB (en van de voorzittende rechter).
(D25)
In Utrecht heb ik de Rechtbank in Amsterdam verweten, dat er drie gevallen uit de jurisprudentie werden geciteerd, die in relatie stonden met niet-EU-buitenlanders, maar dat geen enkele jurisprudentie werd geciteerd met Nederlanders.
(D26)
Aangezien ik vanaf mijn geboorte Nederlander ben, vond ik dat niet juist. Maar de rechtbank is niet ingegaan op de gevallen van Nederlanders die ik had geciteerd.
(D27)
Ik heb erop gewezen, dat de Centrale Raad van Beroep de rechtbank van Amsterdam al eerder had gecorrigeerd wegens een onjuist begrip van Nederlanderschap. Zouden wij een proces-verbaal hebben, dan zou ik kunnen bewijzen, dat de argumentatie in alinea 4.6.1 en 4.6.2 van de uitspraak van 18 november 2021 niet op de kern van mijn argumentatie ingaat.
(D28)
Ik heb erop gewezen, dat de SVB van het begin af mij vragen stelde zoals:
‘Wanneer gaat U een cursus Nederlands doen?’
Voor iemand, die door Nederlandse ouders in het Koninkrijk in het Nederlands is opgevoed, die de lagere school en de middelbare school in Nederland heeft gedaan, en in Nederland een diploma heeft gehaald aan een instituut voorwetenschappelijk onderwijs (1971 NOIB, nu Nijenrode Business Universiteit) doet dat pijn.
(D29)
‘Gaat U in Nederland een cursus hbo doen?’
Met drie diploma's voorwetenschappelijk onderwijs op zak…
(D30)
In de mondelinge behandeling kon je heel goed zien en horen, dat tenminste één van de rechters verbaasd was over het overgangsrecht van de verordening 1408/71, dat voor verzekeringstijdvakken voor de inwerkingtreding van de verordening een garantie geeft, dus zeker voor de periode 9.1.1967 — 8.10.1967 (onteigening).
(D31)
In de mondelinge behandeling kon je heel goed zien en horen, dat tenminste één van de rechters verbaasd was over het feit, dat secundair Unierecht zoals het exclusiviteitsbeginsel van de verordening 1408/71 getoetst mag worden aan primairrecht van de Unie, zoals de algemene rechtsbeginselen en de verdragen.
(D32)
Het is duidelijk uit de jurisprudentie, dat bij een terugwerkende toepassing van het exclusiviteitsbeginsel van de verordening 1408/71, meestal de burger die grensoverschrijdend actief was, een verlies lijdt. Anders gezegd voert in mijn geval de terugwerkende toepassing van het exclusiviteitsbeginsel ertoe, dat een grondbeginsel van de Unie, van het werkingsverdrag, art. 45, wordt geschonden.
(D33)
Wanneer er een proces-verbaal van de mondelinge verhandeling op 7 oktober 2021 zou zijn, dan zou daar in moeten staan, dat gesproeken werd over de vraag, of het exclusiviteitsbeginsel van de verordening 1408/71 mag worden getoetst aan, maar ook uitgelegd worden moet aan de hand van het algemene rechtsbeginsel non-discriminatie van grensoverschrijders (1), art. 45 van het werkingsverdrag (2), het algemene rechtsbeginsel: In de Unie geen onteigening zonder compensatie (3), en aan het Handvest (4).
(D34)
Door het niet vrijwillig en onverwijld verstrekken van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 7 oktober 2021, heeft de Centrale Raad het recht op een faire procedure en het recht op inzage der stukken geschonden, zoals dit b.v. voorkomt in:
Algemene Rechtsbeginselen van de Unie
Verdrag over Vrij Verkeer van tussen de EU en Zwitserland, Art. 11
Handvest van de Unie, Art. 41 en 47
EVRM Art.6
(D35)
Samenvattend kan men zeggen, dat een proces-verbaal, dat meteen zou zijn opgemaakt en verdeeld, ons allen zou hebben geholpen en veel tijd zou besparen. Een proces-verbaal achteraf, wanneer het oordeel al bekend is, geeft de bijsmaak van een ‘dienend’ proces-verbaal, en niet van een objectief, vakkundig relaas.
Democratie en rechtsstaat
Werking voor de toekomst
(D36)
Nederland heeft nog steeds de Wet Algemene Bepalingen, met artikel 4:
‘Artikel 4
De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht.’
Dit is een beginsel, dat in Luxemburg bekend is, daar het tot de grondwetstradities van de lidstaten hoort.
(D37)
Ook bij de belastingheffing is het een grondbeginsel, datje de burger voor de toekomst belast, niet voor het verleden.
(D38)
Op 7 oktober werd ook gesproken over het democratiebegrip en het rechtsstaatbegrip van de SVB. De Tweede Kamer en de Regering waren van mening, dat wanneer iemand voor een tijdvak premies heeft betaald, dat hij dan ook recht heeft op AOW-verzekering voor dat tijdvak. Wanneer dat om de een of andere reden niet past, dan heeft diegene recht op terugbetaling van de premie. Wanneer dat ook niet gaat vanwege verjaring, dan moet de SVB (fictief) die persoon vrijwillig terugwerkend verzekeren voor die periode. Dit is uitgebreid voorgedragen bij de SVB, in Amsterdam en in Utrecht.
‘Beslist de wetgever, of beslist de SVB?’
(D39)
De Nederlandse wetgever heeft aanvankelijk bij de volksverzekeringen ervoor gekozen, uit te gaan van het belastingsysteem en de belastingorganisatie. Dit ziet men bij de Hoge Raad daaraan, dat beroep in cassatie voor de AOW door de afdeling belastingen wordt afgewikkeld. De premie-inning geschiedt door de Belastingdienst. Daarbij gebruikt de belastingdienst het jaar van betaling als referentie. Niet een ander jaar.
(D40)
De Centrale Raad meent in de beslissing van 18 november 2021, rov 4.5.3, een betaling uit 1977 voor 1976 te kunnen beschouwen, zonder daarvoor een bewijs te tonen.
Omslagstelsel is geen vrijwaringsbrief
(D41)
De Centrale Raad van Beroep meent met het concept van een omslagstelsel aan de rechtsstaat en aan de democratie voorbij te komen in alinea 4.2.6 van de uitspraak van 18 november 2021.
(D42)
Het Hof van Justitie van de EU ziet de rechtsstaat als primair, en maakt geen uitzondering voor omslagstelsels. Ook het Duitse systeem is een omslagsysteem waarin verzekerde tijdvakken en verzekeringsprestaties duidelijk gerelateerd zijn.
(D43)
Daar de Centrale Raad het omslagstelsel als steunend argument nodig heeft, en hierover geen beroep in cassatie heeft toegelaten, had de Centrale Raad de vraag in Luxemburg moeten voorleggen.
(D44)
De Centrale Raad beroept zich erop, dat het Nederlandse AOW primair een omslagstelsel is.
Ingezetenschap (NLD) — Woonplaats (EU)
(D45)
De Centrale Raad weet heel goed, dat het concept van ingezetenschap van de AOW het concept van de belastingen is, en dat dit betekent, dat er een persoonlijke duurzame band met Nederland moet zijn.
(D46)
De Centrale Raad onderzoekt die persoonlijke duurzame band in rov 2., 4.3.1. Criteria uit de rechtspraak van de Hoge Raad zoals
‘Kennis van het Nederlands,
in Nederland te zijn geboren en getogen,
in Nederland naar school te zijn geweest,
het langdurig verblijf in Nederland,
familie in Nederland (moeder, zus, neven en nichten)
ex-vrouw en kinderen zijn Nederlanders
het feit dat ik een sleutel had en heb voor de woning van mijn zus (tot 2021 ook voor de woning van mijn moeder) en dat ik daar altijd een kamer ter beschikking heb waar mijn spullen in zijn;
lid zijn van Nederlandse verenigingen en organisaties
zijn klaarblijkelijk irrelevant voor de Centrale Raad.’
(D47)
De Centrale Raad praat in de uitspraak van 18 november 2021 over de woonplaats in de zin van Verordening 1408/71 en 883/2004 (rov 4.3.2, 4.3.3, 4.3.4, 4.3.5, 4.3.6) en over een economische band (rov 4.5.1) en over het gewone centrum van belangen in Duitsland (4.3.6)
(D48)
De Centrale Raad weet echter ook, dat het de Nederlandse wetgever vrijstaat en vrijstond, een ander woonplaatsbegrip te hebben voor de belasting en voor de AOW.
(D49)
Uiteindelijk moetje gaan kijken naar het discriminatieverbod. Je kunt een binnenlandse berekening maken met binnenlandse criteria, en een berekening met Europese criteria. Dan neem je de oplossing, die het gunstigste is voor de burger. Voorbeeld:
‘Für die Zeit ab 07.07.2021
- —
beträgt die monatliche innerstaatliche Rente 699,59 EUR
- —
beträgt die monatliche zwischenstaatliche Rente 687,92 EUR
Es stehen daher zu 699,59 EUR’
[bijlage H14, bladzijde 7|86.]
Gehoor — fair trial — recht op pauze
(D50)
Aan het einde van de zitting vroeg ik om een pauze, voordat ik mijn laatste zegje zou zeggen. Dat werd geweigerd. Ik wees erop, dat ik dat als schending van het rechtelijk gehoor aanzag. De voorzitter accepteerde toen een pauze van 5 minuten. Had ik geweten, dat de Centrale Raad mijn inkomsten van 2017 gedurende het AOW-gat nodig had, had ik die kunnen aangeven, daar ik wist, dat ze gemiddeld tussen 400 en 500 EUR lagen.
(D51)
De Centrale Raad wist na de mondelinge behandeling, maar ook vooraf uit de stukken, dat ik dakloos was en ben. Voor zulke mensen maken bedragen van 200 EUR per maand of 1800 EUR in negen maanden veel uit.
III. Betalingsonmacht
Ik geef hierbij een overzicht, dat ik gemaakt heb voor de Centrale Raad.
Inkomsten per 2021-10-07 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
CHF | EUR | EUR | EUR | EUR | ||
Bron | Netto per maand | Vakantiegeld bruto | Kerstmis netto | Totaal | Document | |
AOW | 212,18 | 12,80 | 0,00 | 224,98 | H12-7.SVB368 | |
AHV | 29,00 | 27,10 | 0,00 | 0,00 | 27,10 | H13-8.SVB371 |
DRV | 699,59 | 0,00 | 0,00 | 699,59 | H14-6.SVB364 | |
MTU | 92,52 | 0,00 | 7,71 | 92,52 | H15-9.SVB363 | |
Total | 1.044,19 | |||||
Bijstandsnorm voor alleenstaande AOW-trekker | ||||||
1.039,99 | 60,00 | 0,00 | 1.099,99 | H16-10.SVB37O | ||
Bij een vergelijking per 2021-10-07 heb ik inkomsten die ca, 5% onder de Nederlandse bijstandsnorm voor alleenstaande AOW-ontvangers liggen.
Diversen
(D52)
Geen eerlijke en onpartijdige procedure.
De bestuurslus van de awb is niet vereenbaar met de ‘equality of arms’ van het Hof in Luxemburg. Ik verzoek de Hoge Raad, hierover een prejudiciële beschikking aan te vragen in Luxemburg.
(D53)
Schending art 267 werkingsverdrag door gelijktijdige beperking van mogelijkheid beroep in cassatie en niet voorleggen van verzoek om prejudiciële beslissing aan HvJEU. Voor meerdere themata heeft de Centrale Raad zich daarmee als ‘laatste rechter’ geclassificeerd.
Gelijkheid en ongelijkheid — discriminatie
(D54)
De Centrale Raad is niet eerlijk. In alinea 4.2.1, blz. 3|8 van de beslissing van 18 november 2021 is de Centrale Raad van mening dat het algemene belang vordert, een AOW-trekker per onteigening 22.70 per maand weg te nemen.
In de beslissing van 25 februari 2020 van de Centrale Raad, vond de Raad in alinea 4.3:
‘dat een besparing van € 36,56 per maand op de kosten van een auto geen substantiële besparing oplevert’
[CRVB, 17/5899, 2020-02-25, ECLI:NL:CRVB:2020:437]
(D55)
In andere woorden: de Centrale Raad vindt het goed een bijstandtrekker op de bijstandsnorm te begunstigen met 36.56 per maand en een AOW-trekker onder de bijstandsnorm te onteigenen met 22.70 per maand.
(D56)
Indien een proces-verbaal van de mondelinge behandeling zou voorliggen, zou men kunnen natrekken, hoe de Centrale Raad op het idee kwam, dat 22,70 in orde was bij de onteigening bij een AOW-trekker.
(D57)
Bij het onderzoek ter zitting vroeg de voorzitter mij, hoe hoog mijn totale inkomsten waren. Ik gaf het antwoord, dat mijn inkomsten een totaal van ongeveer 1 000 EUR per maand waren (2021). De stellingname van de SVB luidde, dat in 2017 de bijstandsnorm vooreen alleenstaande persoon 933 EUR was, en dat bij totale inkomsten van 1 000 een onteigening van 22,- Euro daarom acceptabel was.
(D58)
In 2021 was de bijstandsnorm voor een alleenstaande AOW-trekker 1099.99 (incl. Vakantietoeslag). Ik zat dus in 2021 onder de bijstandsnorm, en niet erboven, zoals de SVB suggereerde. Over mijn situatie in 2017 heeft de Centrale Raad mij niet gevraagd.
(D59)
Uit een correct proces-verbaal zou zijn gebleken, dat de voorzitter een inlichting vroeg van de SVB en als antwoord kreeg, dat de inkomsten van 2021 boven de bijstandsnorm van 2017 lagen. Het had op de weg van de SVB en van de voorzitter gelegen te vragen, hoe hoog mijn inkomsten dan wel in 2017 waren gedurende het AOW-gat. Dat hebben de SVB en voorzitter niet gedaan.
(D60)
Mijn inkomsten waren gedurende het AOW-gat ongeveer EUR 442,82 per maand (bijlage H1711.). Bij betaling van de AOW in hoogte van 18% zou ik ongeveer 190,57 erbij gekregen hebben. Bij erkenning van de verzekeringstijd in 1967 zou ik er een jaar bij hebben gekregen (20%) of 211.74 per maand. In 2017 zou ik ook met 190 of 210 EUR extra per maand nog steeds 20% onder de bijstandsnorm zijn geweest.
Criteria toeslagenaffaire toepassen op SVB?
(D61)
In de brief van 10 juli 2017 van de SVB staat op bladzijde 3 van 5:
(D62)
‘Perioden waarin u geen AOW heeft opgebouwd:
‘van I september 1971 tot en met 8 mei 1973 van 9 april 1976 tot en met 8 oktober 2017 In totaal bent u 43 jaar, 2 maand(en) en 8 dag(en) niet verzekerd geweest. Dit wordt naar beneden afgerond op 43 jaar. 43 jaar × 2% = U krijgt 14,00 %’.
[SVB, brief, 2017-07-10, bijlage H0512.]
(D63)
De periode 9.1.1967-8.10.1967 werd door de SVB in 2017 stilzwijgend van de verzekering uitgesloten, zonder dat de SVB mij dit meedeelde. Hiermee week de SVB af van de Inspectie der directe belastingen, die mij in 1968 een aanslagbiljet volksverzekeringen voor 1967 stuurde. Verder week de SVB af van de inlichtingen, die zij aan de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte gaf in het kader van een ‘Rentensplitting’ voor mijn echtscheiding.
[overzicht van 26.11.1993, bijlage H08, bestand SVB42113.].
(D64)
Zou een burger zich zo gedragen tegenover b.v. de belastingdienst, dan zou men die burger vermoedelijk ‘fraudeur’ noemen.
(D65)
Het gedrag van de SVB is volgens mij een onbehoorlijk bestuur in de zin van het Handvest van de Unie en van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (EVRM).
De brief van de SVB van 10 juli 2017 schendt de garantie van de verordening 1408/71, art. 94.
Verzoek om prejudiciële vraag aan Hof van Justitie van de Unie
(D66)
Verzoek het Hof van Justitie van de Unie om een interpretatie te vragen in zoverre de mening van de Hoge Raad afwijkt van mijn opinie:
(D67)
In de beslissing 20762 AOW van de Centrale Raad wordt in alinea 4.2.4, op bladzijde 4 van 8, gesteld dat aangezien artikel 7a AOW een latere, nationale wet is, overeenkomstig het Handvest art. 51, deze wet niet aan het Handvest mag worden getoetst.
(D68)
In het arrest Simmenthal [C-106-77, 1978-03-09, ECLI:EU:C:1978:49] heeft het Hof van Justitie in randnummer 24 uitdrukkelijk bepaald, dat lidstaten zich niet op eigen — latere — wetgeving kunnen beroepen om de rechten van burgers uit b.v. verordeningen te kunnen verminderen of zelfs op te heffen.
(D69)
Randnummer 24
‘dat derhalve op de eerste vraag moet worden geantwoord dat de nationale rechter, belast met de toepassing, in het kader zijner bevoegdheid, van de bepalingen van het gemeenschapsrecht, verplicht is zorg te dragen voor de volle werking dezer normen, daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de — zelfs latere — nationale wetgeving buiten toepassing latende, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten;’
(D70)
Volgens de Centrale Raad van Beroep heb ik naar het EU-recht een woonplaats in Duitsland. Dan is het Unierecht op mij van toepassing.
Recht gehoord te worden met kernargumentatie
(D71)
Toen het overgangsrecht van de VO 1408/71 ter sprake kwam, moest ik de tekst voorlezen, omdat een rechter helemaal verrast was. Ik had het overgangsrecht al gethematiseerd in mijn beroepsschrift voor de rechtbank in Amsterdam [bijlage H12, bladzijde 29, alinea B1137.]
‘(B113) De Verordening 1408/71 wordt weliswaar vermeld op bladzijde 1 van de bezwaarbeschikking, maar art. 94 wordt niet behandeld:
- ‘2.
Voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid of wonen, dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening krachtens de wetgeving van een Lidstaat is vervuld.’’
De Verordening uit 1971 trad in werking na 1967.
(D72)
Bij mijn verwijt aan de rechtbank van Amsterdam, dat alleen maar jurisprudentie met betrekking tot buitenlanders, en niet met betrekking tot Nederlanders door de rechtbank werd geciteerd, was er weer een rechter die toegaf het niet te kunnen volgen. Ik moest dus vertellen over drie heren uit Marokko, Afghanistan, en Syrië.
(D73)
Een rechter van de Centrale Raad vroeg mij, waarom ik zo prijs stelde op een behoorlijke, eerlijke procedure, ook bij de SVB. Ik zei, datje niet altijd wint bij de rechter, maar dat het belangrijk was de indruk te hebben, dat men je fair behandelt. Voor de buitenstaander toont de vraag al een onjuist begrip van de rechtsstaat, zoals beschreven door het Hof in Luxemburg in de arresten Simmenthal en Commissie tegen Polen.
(D74)
Nederland en de andere EU-staten hebben het verdrag van Wenen over het verdragenrecht geratificeerd. Deze conventie maakt duidelijk in artikel 27, dat een staat zich niet op interne normen mag beroepen om internationale verplichtingen te ontduiken.
(D75)
De toepassing van deze beginselen leidt er namelijk toe, dat de SVB twee AOW-berekeningen zou moeten maken. Een berekening gebaseerd op nationaal recht en een berekening gebaseerd op internationaal recht. In de nationale Nederlandse berekening zou dan kunnen worden gewerkt met het ingezetenschap van het belastingrecht en zonder exclusiviteitsprincipe. In de internationale berekening zou men kunnen werken met de verordening 1408/71 etc. Het eindresultaat dat gunstiger is voor de grensoverschrijdende burger, wordt genomen.
(D76)
Dit strookt met de jurisprudentie van het Hof in de zaak Rönfeldt over de verordening 1408/71:
‘Volgens de rechtspraak van het Hof (met name de arresten van 24 oktober 1975, zaak 24 / 75 ‘ Petroni ’ Jurispr. 1975, blz. 1149, r. o. 13, van 23 februari 1986, zaak 254 / 84 , De Jong , Jurispr. 1986, blz. 671 , r. o. 15, en 14 december 1989, zaak 168 / 88 , Dammer, Jurispr. 1989, blz. 4553 , r. o. 21), zou het doel van de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag niet worden bereikt, indien de werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval reeds door de wettelijke regeling van een Lidstaat zijn gewaarborgd. In zijn arrest van 9 juli 1980 (zaak 807 / 79 , Gravina , Jurispr. 1980, blz. 2205, r. o. 7) leidde het Hof daaruit af, dat de gemeenschapsregeling niet mag leiden tot een vermindering van de krachtens nationaal recht toegekende uitkeringen;’.
[C-227/89, 1991-02-07,ECLI:EU:C:1991:52, randnummer 26]
(D77)
In andere woorden: indien het exclusiviteitsbeginsel van de verordening 1408/71 voor mij ertoe leidt, dat ik voor 1977 minder AOW krijg, dan is dat in strijd met art. 48–51 EEG-verdrag. Dus mag de verordening 1408/71 zoverre niet worden toegepast.
Overzicht bijlagen
[X] ./. SVB
Beroep in cassatie
CRVB 20/762, uitspraak van 18 november 2021
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑09‑2023
CRvB, 20/762, uitspraak, 2021-11-18. bijlage H02, bestand SVB400, blz. 8|8.
RBAMS, 19-2458, 2020-01-10, bijlage H03, bestand SVB326, blz. 4|4
CRvB, 20/762, 2021-11-02, bijlage H01, bestand SVB388, blz. 1|1
CVRB, 20/762, uitnodiging, 2021-09-13, bijlage H10, bestand SVB355, blz. 1|2.
[X], verzoek heropening, 2021-10-20, bijlage H11, bestand SVB369, 4 blz.
CRvB, 20/762, 2021-11-02, bijlage H01, bestand SVB388, blz. 1|1
DRV, Rentenbescheid, 2021-08-20, bijlage H14, bestand SVB364, blz. 7|8
SVB, Beschikking, 2021-09-30, bijlage H12, bestand SVB368, blz. 4|4
AKBS, Beschikking, 2021 -1 2-21, bijlage H13, bestand SVB371, blz. 1|2
DRV, Rentenbescheid, 2021-08-20, bijlage H14, bestand SVB364, blz. 7|8
MTU, Betriebsrente, 2021 -03-23, bijlage H15, bestand SVB363, blz. 1|1
Persbericht uitkeringsbedragen per 1 juli 2021, bijlage H16, bestand SVB370, blz. 1|6
Overzicht inkomsten 9.1.201 7-8.1 0.201 7 (AOW-gat), bijlage H17, 1 blz.
SVB, brief, 2017-07-10, bijlage H05, bestand SVB003, ( blz.
DRV, Versicherungsverlauf, 1993-11-26, bijlage H08, bestand SVB421, 1 blz.
SVB, Beschikking, 2021-09-30, bijlage H12, bestand SVB368, blz. 4|4