Hof Den Haag, 15-02-2024, nr. 22-001131-23.a
ECLI:NL:GHDHA:2024:1093
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
15-02-2024
- Zaaknummer
22-001131-23.a
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2024:1093, Uitspraak, Hof Den Haag, 15‑02‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:387
Uitspraak 15‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Hoger beroep te laat ingesteld. Verdachte niet-ontvankelijk. Niet aannemelijk dat partner van verdachte heeft getekend voor ontvangst dagvaarding. Geen verontschuldigbare termijnoverschrijding. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-001131-23
Parketnummer: 09-271402-21
Datum uitspraak: 15 februari 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 april 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
adres: [woonadres], [woonplaats].
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2024 gevorderd dat de niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte
niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent in de regel dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Op 4 april 2022 is de verdachte bij verstek veroordeeld.
In het dossier bevindt zich een akte waaruit afgeleid kan worden dat dit vonnis op 7 december 2022 in persoon is betekend aan verdachte.
Eerst op 13 april 2023 is hoger beroep ingesteld.
De verdachte betwist dat hij de persoon is aan wie het vonnis op 7 december 2022 is betekend en heeft gesteld dat de ‘mededeling uitspraak’ is uitgereikt aan zijn vrouw en dat zij zijn handtekening heeft nagemaakt. Op de betreffende akte van uitreiking is echter niet aangetekend dat de betekening plaatsvond aan een huisgenoot, maar is aangetekend dat deze in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Daar komt bij dat de handtekening voor ontvangst op deze akte sterke overeenkomsten vertoont met de handtekeningen die de verdachte onder zijn eerste politieverhoor heeft geplaatst (zie onder meer blz. 15 van het proces-verbaal van politie), en overigens ook met de op de akte van uitreiking behorende bij de appeldagvaarding geplaatste handtekening. Daarbij merkt het hof op dat de vier (op verschillende pagina’s) onder de politieverhoren geplaatste handtekeningen en die op de zojuist genoemde akte van uitreiking onderling steeds in meer of mindere mate verschillen, zodat enig verschil tussen de ene en de andere handtekening niet zonder meer kan worden beschouwd als een aanwijzing dat de handtekening niet door de verdachte is geplaatst.
Hoewel de verdachte ter zitting heeft aangevoerd dat het vonnis aan zijn (vrouwelijke) partner is betekend, is dit naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De enkele stelling van de verdachte dat niet hij maar zijn vrouw heeft getekend voor ontvangst van de mededeling uitspraak volstaat daartoe niet, mede in het licht van hetgeen hiervoor is opgemerkt over de handtekening op de betreffende akte van uitreiking, terwijl het hof in het verhandelde ter terechtzitting geen andere aanknopingspunten heeft aangetroffen die steun bieden aan de stelling van de verdachte. In dat verband verdient opmerking dat de stelling dat de partner van de verdachte de mededeling uitspraak in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend geen bevestiging vindt in de in de aanloop naar de zitting in hoger beroep door de verdediging ingebrachte e-mail van de partner van de verdachte (d.d. 13 februari 2024).
Het voorgaande brengt mee dat het hof uitgaat van een betekening van het bestreden vonnis in persoon aan verdachte op 7 december 2022. Gelet op de inhoud van de zich bij de stukken bevindende ‘mededeling uitspraak’ stelt het hof vast dat de verdachte op dat moment in kennis is gesteld van de relevante onderdelen van het vonnis, ook met het oog op het al dan niet instellen van een rechtsmiddel daartegen.
Ook is door en namens de verdachte aangevoerd dat sprake is geweest van een verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep. Deze stelling wordt verworpen. Het hof neemt zonder meer aan dat de verdachte in de bedoelde periode gezondheidsproblemen ondervond, maar dat sprake is geweest van een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel pas maanden na betekening van het vonnis is ingesteld is evenmin aannemelijk geworden.
Aldus komt het hof tot de slotsom dat de verdachte op 7 december 2022 bekend is geraakt met het vonnis van 4 april 2022, zodat binnen veertien dagen na 7 december 2022 hoger beroep had moeten worden ingesteld. Aangezien eerst op 13 april 2023 hoger beroep is ingesteld is de termijn voor het instellen van hoger beroep overschreden en dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. M.H. Vos, in bijzijn van de griffier mr. F.A. Janse.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 februari 2024.
Mr. M.H. Vos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.