Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/5.3.1.1:5.3.1.1 De onwetendheid van de consument
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/5.3.1.1
5.3.1.1 De onwetendheid van de consument
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS299803:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, Jur. 2007, p. I-8017 (Rampion), pt. 65.
HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, Jur. 2007, p. I-8017 (Rampion), pt. 65.
Vgl. Ancery & Krans 2009, p. 196 en de conclusie van A-G Mengozzi van 29 maart 2007, voorafgaand aan HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, Jur 2007, p. I-8017 (Rampion), sub. 107.
Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 397 e.v.
Ancery & Krans 2009, p. 197.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
181.
De consumentenbeschermende EU-richtlijnen beogen de consument een bijzondere bescherming te verlenen. Consumenten hebben bij het aangaan van rechtshandelingen een zwakkere onderhandelingspositie in vergelijking met hun professionele wederpartij. Deze achtergestelde positie van de consument vormt dan ook de ratio voor de door het HvJ EU geformuleerde plicht tot ambtshalve toetsing. Een consument is niet op de hoogte van zijn rechten en is derhalve niet bij machte om deze te verwezenlijken. Om die reden dient door de rechter te worden ingegrepen. Als de rechter dit niet zou doen, wordt de aan de consument toebedeelde bescherming illusoir. Immers, deze zou dan wel bestaan, maar de facto niet verwezenlijkt kunnen worden.
De onwetendheid van de consument leidt ertoe dat de consument vaak verzuimt verweer te voeren tegen de tegen hem ingestelde vordering. Het passieve gedrag van de consument kan samenhangen met de onbekendheid van hem met zijn rechten, maar kan ook voortkomen uit de aan een procedure verbonden kosten waarop hierna nog wordt ingegaan. Hoe dan ook lijkt de passiviteit de overstijgende reden voor het HvJ EU om de nationale rechter te verplichten tot het ambtshalve ingrijpen in consumentenzaken. In Océano, Cofidis en Mostaza Claro – de eerste drie consumentenzaken waarover het HvJ EU diende te oordelen – wees het HvJ EU nadrukkelijk op de passiviteit van de consument als grondslag voor een plicht van de rechter tot ambtshalve toetsing. Toen het HvJ EU moest oordelen in Rampion, waarin de consument eiser was, was dan ook niet op voorhand zeker of wederom een plicht tot ambtshalve ingrijpen zou worden aanvaard.
182.
In Rampion was de consument de eisende partij en dus allesbehalve passief. Nu het HvJ EU in de eerdere zaken de nadruk had gelegd op ongelijkheidscompensatie – door het ambtshalve ingrijpen van de rechter kan de positie van de consument versterkt worden – kwam de vraag op of de rechter ook bij een consument als eisende partij een plicht tot ambtshalve ingrijpen heeft. Het HvJ EU oordeelt dat de plicht tot ambtshalve ingrijpen zich ook uitstrekt tot het consumentenkrediet, omdat alleen dan de consument op doeltreffende wijze kan worden beschermd. Immers, het risico bestaat dat de consument niet op de hoogte is van zijn rechten, of moeilijkheden ondervindt bij de uitoefening ervan.1 Hiermee herhaalt het HvJ EU de ratio voor de plicht tot ambtshalve ingrijpen uit Océano c.s. Maar geldt dit ook voor een rechter die zich geconfronteerd ziet met een geschil dat door een consument is aangebracht? Het HvJ EU:
“Zoals de advocaat-generaal in punt 107 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wettigt het feit dat het hoofdgeding is ingeleid door de echtelieden Rampion (…) geen andere conclusie, omdat het probleem moet worden opgelost los van de concrete omstandigheden van deze zaak.”2
Kortom, ook voor de eisende consument dient de nationale rechter het consumentenrecht (voortkomende uit een EU-richtlijn met een beschermend karakter) ambtshalve toe te passen. Dat is opvallend, omdat het HvJ EU in Océano en Cofidis de moeilijkheden voor de consument bij het uitoefenen van zijn rechten vooral binnen het kader van de consument als verwerende partij plaatste. Mocht het HvJ EU dat als een voorwaarde hebben willen formuleren voor de plicht tot ambtshalve toetsing, dan is die voorwaarde met Rampion in ieder geval geschrapt. Kennelijk kan de plicht tot ambtshalve ingrijpen niet beperkt blijven tot consumenten die als gedaagde partij in een geding betrokken raken, omdat ook de eisende partij wat over het hoofd kan zien. Het gevaar van onwetendheid is dus ook aanwezig als de consument als eiser optreedt.3
Het HvJ EU ontkoppelt de uitspraak in Rampion dus van de concrete feiten van de zaak. Dat past bij een uitspraak naar aanleiding van een prejudiciële verwijzing. Het HvJ EU oordeelt in dat type zaken over de uitleg van het EU-recht, de exacte toepassing ervan op de omstandigheden van het geval is aan de nationale rechter.4 Toch kan deze, bij de A-G aanhakende overweging van het HvJ EU niet enkel worden afgewenteld op het karakter van een prejudiciële procedure. Het HvJ EU maakt tevens duidelijk dat ook de eisende consument door de nationale rechter in bescherming moet worden genomen.5