Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.4
1.4 Grondslagen van billijkheidsuitzonderingen
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS358281:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 3 wordt echter wel vanuit constitutioneel oogpunt bepleit dat een ongeschreven uitzondering gebaseerd moet worden op een algemeen rechtsbeginsel of (ander) ongeschreven recht (par. 3.2 en par. 3.3).
Wat wordt verstaan onder strikt en feitelijk geformuleerde voorschriften wordt besproken in par. 1.5.5.
Hoofdstuk 5, par. 5.3.1, a.
Hoofdstuk 4, par. 4.2.1.
Par. 1.3.
Kamerstukken II 1979/80, 15049 (R 1100), 7, p. 18, 19; Fleuren 2004, p. 342-346; Fleuren, in: T&C Gw 2009, art. 94 Gw (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 oktober 2015), aant. 3; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2012, p. 174; De Wit 2012, p. 298-300. De Wit laat overigens zien dat de bevoegdheid in artikel 94 Gw om voorschriften buiten toepassing te laten, het de rechter niet altijd mogelijk maakt de onverenigbaarheid van het nationale met het internationale recht te beëindigen. De rechter kiest daarom niet zelden een andere manier dan een uitzondering, zoals verdragsconforme interpretatie of het verbinden van een extra voorwaarde aan een voorschrift (De Wit 2012, p. 304, 305).
Zo komt het voor dat de Hoge Raad een ongeschreven grondrecht aanneemt geïnspireerd door grondrechten in verdrags- of grondwetsbepalingen (Gerards & Fleuren 2014, p. 219, onder verwijzing naar HR 7 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC0030, NJ 1987/928 (Edamse bijstandsvrouw); HR 1 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5523, AB 1994/55; en HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337, NJ 1994/608 (Valkenhorst). In deze arresten waren de verdrags- en grondwetsbepalingen nog niet in werking getreden of geratificeerd). De Graaff 2016, p. 210, 213 stelt dat de rechter grondrechtelijke belangen ook, en verdergaand dan door toepassing van art. 94 Gw, kan beschermen op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW).
Bekende voorbeelden zijn bestuursrechtelijke geschillen over de toelating of uitzetting van vreemdelingen, de verschuldigdheid van belastingen, en de uitoefening van politieke rechten (hoofdstuk 6, par. 6.3.2).
Voor de civiele rechter blijkens bijv. HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986/242, m.nt. L. Wichers Hoeth, W.H. Heemskerk (Enka/Dupont), hoofdstuk 4, par. 4.2.3, a; voor de bestuursrechter blijkens bijv. ABRvS 14 september 2001, ECLI:NL:RVS: 2001:AD4910, AB 2001/327; CRvB 8 april 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AL2698, JB 2003/ 183; en CRvB 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6634, JB 2007/76, hoofdstuk 6, par. 6.2.3, d.
Als gezegd komt het voor dat de Hoge Raad een ongeschreven grondrecht aanneemt geïnspireerd door grondrechten in verdrags- of grondwetsbepalingen (Gerards & Fleuren 2014, p. 219, onder verwijzing naar HR 7 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC 0030, NJ 1987/928 (Edamse bijstandsvrouw); HR 1 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC 5523, AB 1994/55; en HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337, NJ 1994/608 (Valkenhorst). In deze arresten waren de verdrags- en grondwetsbepalingen nog niet in werking getreden of geratificeerd).
Ook in die zin De Graaff 2016, p. 210-213. Over de constitutionele beperkingen van billijkheidsuitzonderingen gaat hoofdstuk 3.
Vgl. de keuze om het onderzoek te beperken tot interne rechtsvergelijking (par. 1.5.1).
Voor billijkheidsuitzonderingen bestaan verschillende mogelijke grondslagen, die alle behoren tot het bereik van dit onderzoek.
Aristoteles’ inzicht is het duidelijkst herkenbaar in ongeschreven uitzonderingen, die niet volgen uit een (grond)wetsbepaling. Aristoteles ging er immers vanuit dat de uitzonderingsbevoegdheid volgt uit de bevoegdheid wetgeving toe te passen, en achtte een (andere) grondslag daarom niet nodig. Ongeschreven uitzonderingen zijn dan ook de typische uitzonderingen waarop dit onderzoek ziet (par. a). Het gaat echter niet alleen daarover. De wetgever (par. b) en de grondwetgever (par. c) kunnen namelijk ook hebben ingezien dat uitzonderingen op een wettelijk voorschrift nodig kunnen zijn, en daarom reeds een grondslag hiervoor hebben geschapen.
a. Ongeschreven uitzonderingen
Ten eerste zijn er de ongeschreven uitzonderingen. Dit kán betekenen dat de rechter een uitzondering expliciet baseert op ‘het ongeschreven recht’, ‘fundamentele of algemene rechtsbeginselen’ of een andere ongeschreven rechtsregel, maar een wettelijk voorschrift kan ook buiten toepassing worden gelaten onder verwijzing naar ‘de redelijkheid’, of zonder dat een grondslag wordt genoemd. Deze uitzonderingen worden alle omschreven als ongeschreven uitzonderingen of uitzonderingen ‘op ongeschreven gronden’.1
b. Wettelijke uitzonderingen
Een tweede grondslag voor uitzonderingen zijn wettelijke voorschriften. Gedoeld wordt op een ander wettelijk voorschrift dan het volgens de rechter tekstueel toepasselijke voorschrift. Het zou onjuist zijn om dergelijke uitzonderingen buiten beschouwing te laten alleen omdat de wetgever (al dan niet door een jurisprudentieel aanvaarde uitzondering) heeft ingezien dat een uitzondering nodig kan zijn. De wetgever erkent in wettelijke uitzonderingen juist Aristoteles’ inzicht. Alleen voorschriften die de toepasser de ruimte bieden om na een eigen afweging van (deels) zelf te kiezen belangen een uitzondering te maken en hem dus niet in een bepaald geval tot een uitzondering dwingen behoren tot het bereik van dit onderzoek; het gaat om meer open dan strikt en/of feitelijk geformuleerde voorschriften.2 Alleen bij beslissingsruimte voor de toepasser gaat het immers over een uitzondering in het voetspoor van Aristoteles. Bij meer strikt en/of feitelijk geformuleerde uitzonderingsbevoegdheden blijft de noodzakelijke algemeenheid van wetgeving een mogelijke hindernis voor billijke beslissingen.
Enkele voorbeelden van wettelijke grondslagen voor billijkheidsuitzonderingen zijn de volgende. In het strafrecht bepaalt artikel 40 Sr dat hij die een feit pleegt waartoe hij ‘door overmacht is gedrongen’, niet strafbaar is.3 In het bestuursrecht zijn uitzonderingsbevoegdheden vooral neergelegd in hardheidsclausules: wettelijke voorschriften die de toepasser expliciet de bevoegdheid verschaffen in individuele, uitzonderlijke gevallen af te wijken van een bepaalde, tekstueel toepasselijke regeling of een voorschrift daaruit, ter voorkoming van onbillijkheden. Ze laten de omstandigheden en de belangen die mogen worden meegewogen en het gewicht dat eraan toekomt, meer of minder open.4 Denk aan artikel 63 AWR, op basis waarvan de Minister van Financiën voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet mag komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich bij toepassing van de belastingwet voordoen. In het civiele recht bepaalt artikel 6:2 lid 2 BW dat de rechter voorschriften buiten toepassing kan laten als hij toepassing ervan ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ oordeelt.5 Het zou verkeerd zijn deze uitzonderingsbevoegdheid buiten beschouwing te laten omdat zij niet ongeschreven is, zeker aangezien zij tot 1992 niet in de wet was neergelegd, maar op ongeschreven gronden in de jurisprudentie is aanvaard.
Het wettelijke voorschrift waaruit een uitzonderingsbevoegdheid blijkt kán een hardheidsclausule zijn: een specifiek-wettelijke grondslag voor uitzonderingen. Dat hoeft niet: uit een voorschrift kan ook een uitzonderingsbevoegdheid met een ruimer bereik volgen (zoals art. 6:2 lid 2 BW en art. 40 Sr). Dat is een algemeen-wettelijke grondslag.
c. Artikel 94 GW
Een derde mogelijke grondslag voor uitzonderingen is artikel 94 Gw in combinatie met een eenieder verbindende verdragsbepaling. Artikel 94 Gw luidt: ‘Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met eenieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.’ De bepaling verschilt van de overige genoemde grondslagen omdat zij een grondwettelijke verplichting schept om wettelijke voorschriften vanwege strijd met hoger, internationaal recht buiten toepassing te gelaten, terwijl de andere grondslagen van nationale oorsprong zijn en de rechter niet door de grondwetgever tot die uitzonderingen verplicht is.
Krachtens artikel 94 Gw mag de rechter wettelijke voorschriften toetsen aan hoger recht. Hij toetst dan een voorschrift als zodanig, en als het in abstracto strijdt met een hogere regel is het onverbindend. Het heeft dan in het geheel geen rechtskracht. Deze vorm van toetsing ziet op de geldigheid van wettelijke voorschriften, kan de afweging van de wetgever over strijdigheid met een verdragsbepaling doorkruisen, en valt buiten dit onderzoek.6 De grondwetgever heeft er echter oog voor gehad dat ook de strikte toepassing van verbindende voorschriften (waarmee dus in abstracto niets mis is), in concrete gevallen strijdig kan zijn met hoger recht vanwege de omstandigheden van het geval. De wetgever kan immers niet alles voorzien, en dat geldt ook voor mogelijke botsingen in concreto met verdragsrechtelijk beschermde belangen. Ook dan dient volgens de grondwetgever vanwege artikel 94 Gw het voorschrift buiten toepassing te worden gelaten.7 De Gw zélf erkent en codificeert hier dus het aristotelische billijkheidsinzicht.
Nog een argument om ook verdragsrechtelijke uitzonderingen in dit onderzoek te betrekken, is dat zo wordt voorkomen dat uitzonderingen buiten beschouwing blijven omdat de rechter die baseert op een fundamenteel recht of beginsel dat wellicht ‘toevallig’ in een verdrag is neergelegd. De uitzonderingen krachtens artikel 94 Gw kunnen immers ook op ongeschreven gronden worden gemaakt.8
Een belangrijk voorbeeld zijn de uitzonderingen vanwege het recht op een eerlijk proces, dat in artikel 6 EVRM is neergelegd en daarom op grond van artikel 94 Gw bijvoorbeeld grondslag is om rechtsmiddelverboden buiten toepassing te laten. Uitzonderingen op rechtsmiddelverboden worden echter ook gemaakt vanwege het recht op een eerlijk proces als artikel 6 EVRM in een concreet geval door het onderwerp van de zaak9 niet van toepassing is.10 Ook uitzonderingen krachtens verdragsbepalingen waarvan de inhoud tevens in de Grondwet is neergelegd, worden besproken. Van een uitzondering conform zo’n verdragsbepaling blijkt niet altijd of die ook gemaakt was als het grondrecht niet in een verdragsbepaling was neergelegd. Voorbeelden zijn uitzonderingen vanwege de godsdienst- en de uitingsvrijheid (art. 9 en 10 EVRM). Een aanwijzing dat een dergelijke uitzondering ook op ongeschreven gronden zou zijn gemaakt, is dat het belang van deze grondrechten eruit blijkt dat zij in de Grondwet zijn neergelegd.11
Overigens verschillen de constitutionele beperkingen van billijkheidsuitzonderingen krachtens artikel 94 Gw van die van uitzonderingen op andere gronden. Waar artikel 94 Gw de rechter de bevoegdheid (en plicht) verleent om wetgeving te toetsen aan internationaal recht, en de rechter bij het buiten toepassing laten op grond van artikel 94 Gw dan ook niet hoeft te aarzelen in het vaarwater van de nationale wetgever te komen, moet hij bij andere uitzonderingen terughoudender zijn, zo komt in een later hoofdstuk uitgebreider aan bod.12
EU-recht, dat buiten artikel 94 Gw om grondslag zou kunnen zijn voor billijkheidsuitzonderingen, wordt niet bij dit onderzoek betrokken, omwille van de omvang ervan.13
d. Afsluitend over grondslagen van uitzonderingen
Billijkheidsuitzonderingen kunnen dus drie grondslagen hebben: ongeschreven gronden, wettelijke voorschriften en artikel 94 Gw. Het gaat erom dat Aristoteles’ inzicht in de uitzondering herkenbaar is.
Overigens zullen sommigen misschien het gevoel krijgen dat bepaalde leerstukken of uitspraken in dit onderzoek het stempel ‘billijkheidsuitzondering’ krijgen waarbij diegenen dit zelf niet hadden bedacht. Dat kan: de term billijkheidsuitzondering is een nieuwe en brengt zaken daaronder die niet eerder bijeen zijn gebracht. Er wordt in dit onderzoek juist geprobeerd over de vastomlijnde kaders heen te kijken opdat zaken uit verschillende rechtsgebieden, over uiteenlopende onderwerpen, verzameld kunnen worden, zolang daarin de aristotelische billijkheid tot uiting komt.