Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/1.2
1.2 Het oude Burgerlijk Wetboek (zoals dat gold tot 1 januari 1992)
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482369:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Smalbraak 1980, p. 28; Davids 1988, p. 103; Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 188; Diephuis 1886, p. 127 en 171; Opzoomer 1876, p. 365; Land 1901, p. 255; Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 183.
Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 186; Davids 1988, p. 95; Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 148. De buurweg kan onder het regime van het huidige Burgerlijk Wetboek niet meer ontstaan. Volgens Snijders/Rank-Berenschot 2001 (p. 183) is mandeligheid ‘bij uitstek’ geschikt als substituut voor de oude buurweg (aldus ook Davids 1994, p. 3). Over de buurweg zal nog nader worden gesproken.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 183; Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 185; Davids 1994, p. 3; Snijders/Rank-Berenschot 2001, p. 183. De aard van mandeligheid moest worden afgeleid uit de bepalingen in titel 4 van het derde boek (Burenrecht), aldus Davids 1988, p. 103.
Zie bijvoorbeeld Rb. ’s-Hertogenbosch 26 april 1946, NJ 1947, 681.
Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 185; Davids 1988, p. 104; Suyling 1940, p. 230.
Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 185 en 186; Berger 2001, p. 94 en 95; Wibbens-de Jong 2006, p. 3 en 4. Ingevolge art. 162 Overgangswet hebben mandeligheden die voor de invoering van het Burgerlijk Wetboek zijn gevestigd, mits ten tijde van de invoering van dat Wetboek aan art. 5:60 is voldaan, vanaf die datum een wettelijke grondslag.
In het oude Burgerlijk Wetboek was geen definitie of omschrijving van mandeligheid opgenomen. Sterker nog: de term ‘mandeligheid’ kwam in de wettekst niet voor. In de literatuur1 werd het begripin verband gebracht met gemene muren (art. 681-689 en 692 BW (oud)), gemene heiningen (art. 691 BW (oud)), gemene regenbakken, putten, sekreten, riolen en goten (art. 704 BW (oud)), gemene grachten en sloten (art. 706-709 BW (oud)), gemene heggen (art. 710-712 BW (oud)) en soms met buurwegen (art. 719 BW (oud)).2
Van een algemene regeling was geen sprake.3 Voor een algemene omschrijving van mandeligheid werd in de recente literatuur veelal aansluiting gezocht bij de parlementaire geschiedenis van het huidige Burgerlijk Wetboek. In de literatuur – en soms ook in de rechtspraak4 – werd verdedigd dat mandeligheid ook buiten de in de wet genoemde gevallen mogelijk zou zijn.5 De praktijk bleef evenwel terughoudend met toepassing van de figuur van mandeligheid buiten de wet om.6